Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO6902

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
01-04-2004
Datum publicatie
01-04-2004
Zaaknummer
95042 KG ZA 04-131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres vordert veroordeling van gedaagde tot betaling van een voorschot op (im)materiële schade ter zake grensoverschrijdend gedrag door haar voormalige psychotherapeut bij wie zij tijdens de gebeurtenissen in behandeling was. Vordering voorschot ten dele toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

DE VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

k.g. nr. 95042 KG ZA 04-131

uitspraak: 1 april 2004

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. C. Borstlap,

advocaat mr. G. van Driem te Amsterdam,

en

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. H. de Ruiter.

PROCESGANG

[eiseres] heeft [gedaagde] doen dagvaarden in kort geding.

De ter zitting toegelichte vordering van [eiseres] strekt ertoe bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan haar van € 35.000,- als voorschot op de geleden materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 april 2002 tot aan de dag van betaling, alsmede van de proceskosten.

[gedaagde] heeft tegen de vordering verweer gevoerd, met conclusie tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

Partijen hebben ten slotte verzocht vonnis te wijzen.

MOTIVERING

Het geschil en de beoordeling daarvan

1 Voor de beoordeling van deze zaak is relevant dat vanaf 1994 [eiseres] bij [gedaagde] in psychoanalyse is geweest die op 2 maart 1998 door [eiseres] is beëindigd vanwege de omstandigheid dat gedurende enige maanden daarvoor tussen partijen een seksuele relatie was ontstaan. Strafrechtelijk is [gedaagde] voor zijn gedragingen jegens [eiseres] c.q. voor ontucht met een aan zijn zijde toevertrouwde patiënte bij vonnis van de rechtbank Breda van 19 februari 2004 veroordeeld tot 180 uur dienstverlening en zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar.

2 Ter onderbouwing van haar vordering heeft [eiseres] gesteld dat zij door de tijdens de psychoanalyse ontstane seksuele relatie met [gedaagde] lijdt aan een posttraumatische stressstoornis die zich onder meer uit in slapeloosheid, nachtmerries, depressies, onzekerheid, problemen met het vertrouwen in een nieuwe therapeut en een carrièrebreuk. Bovendien is volgens haar door de gebeurtenissen al het goede dat zij vóór die tijd uit de analyse had gehaald grotendeels teniet gedaan. [eiseres] heeft [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden (im)materiële schade tengevolge van zijn onrechtmatige grensoverschrijdend gedrag, zoals voor de kosten van herstelanalyse, van het Nederlands Psychoanalytisch Instituut (NPI) te Amsterdam voor het laten maken van een onafhankelijk deskundigenrapport en van haar raadsvrouw, en heeft in dit geding een voorschot op die schadevergoeding gevorderd.

3 [gedaagde] heeft erkend dat hij jegens [eiseres] grensoverschrijdend heeft gehandeld en dat hij voor de door haar daardoor geleden schade aansprakelijk is, maar heeft de gestelde omvang van de (im)materiële schade bestreden. Volgens hem hebben de intimiteiten met instemming en zelfs op initiatief van [eiseres] hebben plaatsgevonden. Verder heeft hij de door [eiseres] opgevoerde posten ter zake materiële schade betwist, onder meer omdat die niet gespecificeerd zijn en omdat volgens hem het causaal verband daarvan met de gebeurtenissen ontbreekt. De opgevoerde kosten van de raadsvrouw van [eiseres] komen volgens [gedaagde] ingevolge artikel 6:96 BW niet voor vergoeding in aanmerking.

De gevorderde immateriële schadevergoeding heeft [gedaagde] bestreden op de grond dat een posttraumatische stressstoornis medisch niet onderbouwd is en ook overigens nergens uit blijkt. Bovendien is naar zijn mening het dienaangaande opgevoerde bedrag van € 32.000,- niet in overeenstemming met vergelijkbare gevallen.

Volgens [gedaagde] is niettemin een bedrag van € 3.500,- en € 4.000,- voor vergoeding van materiële respectievelijk immateriële schade redelijk. Bij brief van 11 december 2004 heeft hij aan [eiseres] meegedeeld dat hij binnen drie dagen het bedrag van in totaal € 7.500,- wilde betalen. Aangezien daarop geen reactie van [eiseres] is ontvangen en hij zonder haar machtiging niet in staat is het bedrag bevrijdend te betalen, verkeert zij volgens hem in schuldeisersverzuim.

4 [gedaagde]s erkenning van onrechtmatige gedragingen door hem jegens [eiseres] brengt mee dat hij tot vergoeding van door haar geleden (im)materiële schade is gehouden, zoals hij zelf ook erkend heeft. Kern van het onderhavige geschil is dan ook welk bedrag als voorschot op die schade kan worden toegewezen. Daarbij is in het bijzonder van belang dat voor de toewijsbaarheid van een voorschot in dit geding aannemelijk dient te zijn dat de gestelde klachten waarmee [eiseres] kampt in zodanig verband staan met de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] dat de met die klachten gepaard gaande schade hem als gevolg daarvan kan worden toegerekend. Daarnaast dient te worden vastgesteld of waarschijnlijk is dat de omvang van de schade, tot vergoeding waarvan [gedaagde] in dat geval zal zijn gehouden, zodanig is dat het gevorderde voorschot niet bovenmatig is.

4.1 Voorop staat dat een hulpverlener als [gedaagde] zich te allen tijde dient te onthouden van seksuele handelingen en gedragingen met een aan zijn zorg toevertrouwde patiënte, zoals tussen partijen hebben plaatsgevonden. In dat licht is het irrelevant of de desbetreffende seksuele contacten tegen de wil van [eiseres] dan wel met haar instemming zijn geschied. In verband met het daarop betrekking hebbende verweer van [gedaagde] had het, ook indien [eiseres] zelf avances zou hebben gemaakt, op zijn weg gelegen die af te wijzen. Tussen een behandelaar en zijn patiënte bestaat nu eenmaal een principieel ongelijke situatie, waarbij laatstgenoemde afhankelijk is van de ander.

4.2 Over de gevolgen van de gebeurtenissen heeft dr. A.P.M. van Strien, psychiater/-psychoanalyticus te Breda, onder meer naar aanleiding van gesprekken met [eiseres] in april en mei 2002 geconcludeerd dat zij het slachtoffer is van de gedragingen van [gedaagde] met desastreuze gevolgen: "Er lijkt een open-hart operatie verricht bij een pat. in matige gezondheidstoestand waarbij de chirurg haar om zijn eigen gerief met een geopende thorax van de operatiekamer heeft gestuurd. Welke ingreep kan dit herstellen? (...) In feite neemt dit probleem ook het grootste deel van haar verhaal in." Ook drs. G. Veen van het NPI te Amsterdam heeft bij brief van 4 oktober 2002 aan [eiseres] bericht dat de gebeurtenissen ernstige schade bij haar hebben veroorzaakt en dat de klachten van [eiseres] zoals nachtmerries niet alleen zijn teruggekomen maar ook zijn verergerd. De conclusie van Veen is dat [eiseres] voor deze traumatische ervaring een vervolgbehandeling nodig heeft, waarbij weinig te zeggen valt over de duur daarvan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter lijdt het dan ook geen twijfel dat ten gevolge van [gedaagde]s grensoverschrijdend gedrag [eiseres] psychische schade heeft ondervonden en nog steeds ondervindt en dat de gewraakte gebeurtenissen haar extra kwetsbaar hebben gemaakt en haar mogelijkheden tot genezing of zelfs maar behandeling nadelig hebben beïnvloed. [gedaagde] is daarvoor verantwoordelijk.

4.3 Gelet op het vorenoverwogene valt met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te verwachten dat de bodemrechter, later oordelende, tot de slotsom komt dat [gedaagde] jegens [eiseres] gehouden is tot betaling van (im)materiële schadevergoeding. Nu het in dit geding slechts gaat om een voorschot daarop terwijl de opgevoerde schadeposten gemotiveerd zijn bestreden, zal in dit geding de hoogte van het voorschot schattenderwijs moeten worden bepaald. Tegen die achtergrond is in voldoende mate waarschijnlijk dat de immateriële schadevergoeding in een bodemprocedure niet op een lager bedrag zal worden begroot dan € 10.000,-, mede gelet op de (vergaande) aard van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde], de duur ervan, de afhankelijkheidsverhouding waarin [eiseres] zich bevond en de vastgestelde en/of aan te nemen gevolgen voortkomende uit die handelingen. Derhalve kan het voorschot op de immateriële schadevergoeding in redelijkheid op dat bedrag worden bepaald.

4.4 Ook is in dit geding voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiseres] materiële schade heeft geleden onder meer doordat zij bij de verwerking van haar door de gebeurtenissen veroorzaakte problemen professionele hulp heeft moeten zoeken voor bijvoorbeeld de gestelde herstelanalyse en doordat haar raadsvrouw redelijke kosten ter vaststelling van de omvang van haar schade heeft moeten maken. Als voorschot op vergoeding van de materiële schade acht de voorzieningenrechter een bedrag van eveneens € 10.000,- gerechtvaardigd.

5 Het door [gedaagde] gedane beroep op schuldeisersverzuim van [eiseres] moet worden afgewezen. [eiseres] heeft het door [gedaagde] gedane aanbod afgewezen en kunnen afwijzen, omdat dat geenszins een redelijk aanbod was. Er is derhalve geen sprake van een situatie waarin [eiseres] de nakoming verhindert van de naar zeggen van [gedaagde] op hem rustende verbintenis tot bevrijdende betaling van € 7.500,-.

6 De over het toe te wijzen voorschot gevorderde wettelijke rente dient desalniettemin te worden afgewezen. Dit geding is niet de aangewezen weg voor een dergelijke vordering, nu het hier, zoals onder 4.3 reeds overwogen, slechts een schattenderwijs te bepalen voorschot op de geleden schade betreft.

7 [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

I veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 20.000,- aan [eiseres] bij wege van voorschot op de door [eiseres] geleden materiële en immateriële schade;

II veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die, voor zover tot op heden aan de zijde van [eiseres] gevallen, worden bepaald op € 853,78 voor verschotten en € 703,- voor salaris procureur;

III verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

IV wijst af het meer of anders gevorderde.

Gewezen door mr. W.N. Everts, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.