Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO6018

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
22-03-2004
Datum publicatie
22-03-2004
Zaaknummer
94435 KG ZA 04-112
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Recht op inzage op grond van Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Weigering inzage onrechtmatig? Nasleep MKZ-crisis. Eiser wil inzage in MKZ-dossier bij gedaagden omdat twijfel is gerezen of zijn bedrijf daadwerkelijk besmet is geweest met mond- en klauwzeer. Aangezien eiser geen recht en/of belang heeft bij het gevorderde wordt de vordering afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WBP 2009/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

k.g. nr. 94435 KG ZA 04-112

uitspraak : 22 maart 2004

DE VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. G.J. Dommerholt,

advocaat mr. W. Sleijfer te Leeuwarden,

en

1 de besloten vennootschap ID LELYSTAD INSTITUUT VOOR DIERHOUDERIJ B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Lelystad,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

advocaat mr. M.J.M. Groen te Almere, en

2 de STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit),

zetelende te Den Haag,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

advocaat mr. A.Th. Meijer te Den Haag.

PROCESGANG

[eiser] heeft ID c.s. doen dagvaarden in kort geding.

De ter zitting toegelichte vorderingen van [eiser] strekken er toe

1 ID te bevelen aan hem inzage te verlenen van de zich onder ID bevindende dossiers met betrekking tot het bedrijf van [eiser] te [plaats bedrijf eiser] en hem in de gelegenheid te stellen kopieën van die stukken te maken;

2 de Staat te bevelen om ID te berichten dat wordt ingestemd met het ter inzage geven van de onder 1 bedoelde dossiers alsmede van het maken van kopieën daaruit;

3 ID c.s. te veroordelen in de proceskosten.

ID en de Staat hebben ieder zelfstandig verweer tegen de vorderingen gevoerd met conclusie tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

Ten slotte hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

MOTIVERING

Het geschil en de beoordeling daarvan

1 Voor de beoordeling van de vorderingen is van belang dat bij brief van 26 maart 2001 de Directeur van de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees (RVV) aan [eiser] heeft meegedeeld dat zijn bedrijf te [plaats bedrijf eiser] op grond van zeer ernstige klinische verschijnselen van mond- en klauwzeer verdacht is verklaard en dat de desbetreffende dieren daarom preventief moeten worden gedood. Bij brief van 29 maart 2001 heeft de Directeur van de RVV aan [eiser] bevestigd dat de dieren op zijn bedrijf met mond- en klauwzeer waren besmet. De verdenking en de bevestiging van de besmetting zijn gebaseerd op de resultaten van door (de niet aan de Staat verbonden) ID verrichte testen van monsters van de dieren. Voor het verwerken van deze specifieke monsters in het kader van door de Staat te nemen MKZ bestrijdingsmaatregelen had de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een civielrechtelijke overeenkomst tot opdracht gesloten met ID.

2 Bij [eiser] is na inzage van het op zijn bedrijf betrekking hebbende dossier bij de RVV twijfel gerezen of het onderzoek op zijn voormalig bedrijf wel zorgvuldig is uitgevoerd en of zijn dieren wel daadwerkelijk besmet zijn geweest met mond- en klauwzeer, omdat de inhoud van dat dossier afwijkt van hetgeen door ID c.s. ter zake de diagonoseprocedure is gesteld. Ter verkrijging van de door hem gewenste duidelijkheid heeft de Staat hem het MKZ-dossier bij de RVV ter zake zijn bedrijf reeds laten inzien. ID heeft geweigerd [eiser] het thans gevorderde, zich onder haar bevindende MKZ-dossier betreffende zijn bedrijf ook ter inzage beschikbaar te stellen, omdat volgens haar de daarin opgenomen gegevens vanwege hun aard zonder specifieke kennis van zaken gemakkelijk verkeerd kunnen worden geïnterpreteerd.

3 Vanwege dat laatste is kern van het geschil met ID of in voldoende mate is gebleken dat [eiser] recht op en belang bij heeft bij inzage van bedoeld dossier dat zich onder ID bevindt. Indien dat niet het geval is en de vordering tegen ID daarom moet worden afgewezen, volgt daaruit dat de vordering tegen de Staat bij gebrek aan belang ook moet worden afgewezen.

4 Voorop staat dat het spoedeisend belang van [eiser] bij de vordering jegens ID in voldoende mate gesteld en gebleken is. De daartegen door ID aangevoerde omstandigheid dat het bedrijf van [eiser] reeds drie jaar geleden besmet is verklaard en dat er geen procedure aanhangig is gemaakt tussen partijen maakt dat niet anders.

5 Het door ID gestelde rauwelijks dagvaarden van haar is niet aan de orde. Voldoende is gebleken dat naar aanleiding van een bespreking van [eiser] met dr. ir. [medewerker RW] van de RVV op 10 november 2003, ID afwist van de ontevredenheid van [eiser] met de tot dan toe door de RVV gegeven antwoorden respectievelijk reacties op diens vragen over het MKZ-onderzoek van zijn bedrijf en ook overigens wist dat het [eiser] er veel aan gelegen was om alle relevante dossiers in te zien.

6 Voor de vordering jegens ID zijn drie grondslagen aangevoerd.

7.1 De eerste grondslag betreft de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp). [eiser] heeft daartoe aangevoerd dat bij brieven van 29 januari en 4 juli 2003 de minister van LNV aan hem heeft meegedeeld dat hij op grond van de Wbp recht heeft op inzage van het dossier dat op zijn bedrijf betrekking heeft. Volgens [eiser] valt niet in te zien waarom de Wbp niet ook van toepassing is op het dossier bij ID, aangezien dat is gevormd als resultante van een opdracht van de minister aan ID.

Onweersproken is dat de gevorderde inzage alleen betrekking heeft op de zogenaamde ruwe datagegevens c.q. formulieren van bij ID werkzame laboranten waarop hun (subjectieve) waarnemingen staan vermeld van door hen onderzochte monsters van dieren van het bedrijf van [eiser].

7.2 De vraag is of de Wbp hier van toepassing is. Ingevolge het bepaalde van artikel 1 sub a Wbp wordt persoonsgegeven gedefinieerd als elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Gezien deze definitie van persoonsgegeven kunnen bedoelde ruwe datagegevens (van ID) niet worden aangemerkt als persoongegevens, nu deze data betrekking hebben op de dieren van het bedrijf van [eiser], en derhalve bedrijfsgegevens zijn, zodat die wet in deze zaak toepassing mist.

Verder zijn er omstandigheden gesteld noch gebleken dat het standpunt van de minister van LNV over de toepasselijkheid van de WBP ID bindt.

8 De tweede en derde grondslag betreft onrechtmatig handelen van ID respectievelijk strijd met de goede trouw. Volgens [eiser] is de weigering van ID om inzage van haar dossier te geven als zodanig te kwalificeren, omdat hij voor het kunnen aantonen - zonodig in een bodemprocedure tegen de Staat tot verhaal van de door hem geleden schade als gevolg van de (onrechtmatige) ruiming - van de onjuistheid van de MKZ-vaststelling op zijn bedrijf over alle relevante dossiers dient te beschikken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan deze grondslag de vordering evenmin dragen.

9.1 Voor zover [eiser] bedoelt dat ID inbreuk maakt op zijn recht gebaseerd op het Wbp kan geconcludeerd worden dat op grond van het hierboven overwogene geen inbreuk is gemaakt, omdat hij geen rechten kan ontlenen aan de Wbp. Verder is gesteld noch gebleken is dat hij aan enig andere wet rechten ter inzage van het dossier kan ontlenen. In het licht van de gestelde onrechtmatigheid is ook van een doen of nalaten door ID in strijd met een wettelijke plicht geen sprake.

9.2 Verder is onweersproken dat [eiser] door inzage van de dossiers van de RVV reeds inzicht heeft verkregen in de wijze waarop ID de aan haar verstrekte opdrachten c.q. de testen van monsters van [eiser]s dieren, ten tijde van de MKZ-crisis heeft uitgevoerd, zodat hij op de hoogte is van de door ID gehanteerde methodieken en procedures. Eveneens is onweersproken dat de verrichte onderzoeken van ID door verschillende instanties zijn gecontroleerd; in dat kader heeft nader DNA-onderzoek van de dieren plaatsgevonden door een onafhankelijk instituut, is door de normautoriteit DNV onderzocht of ID gewerkt heeft conform alle voorgeschreven procedures, en heeft een onderzoek van het Openbaar Ministerie plaatsgevonden. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken dat [eiser] een rechtens te respecteren belang heeft bij inzage van de ruwe datagegevens van ID, nu onvoldoende is gemotiveerd dat die gegevens nog enig toegevoegde waarde voor hem hebben om zijn (pré-)processuele positie te bepalen. ID's weigering om de verzochte inzage te verlenen kan dan ook niet worden aangemerkt als een onrechtmatige handelwijze c.q. als een doen of nalaten in strijd met hetgeen haar volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

9.3 De stelling van [eiser] dat de minister van LNV herhaaldelijk heeft toegezegd om openheid van zaken te geven, maakt het oordeel niet anders. Immers ID heeft gemotiveerd aangevoerd dat die toezeggingen alleen betrekking hebben op de relevante dossiers die zich onder de Staat bevinden, en heeft bovendien uitdrukkelijk weersproken dat die toezeggingen mede namens haar zijn gedaan. Voorts heeft ID aangevoerd dat de minister met die toezeggingen haar kan binden, aangezien zij een zelfstandige niet aan de minister verbonden rechtspersoon is.

9.4 Evenmin doet aan het onder 7 gegeven oordeel af de stelling van [eiser] dat in een eventuele bodemprocedure tegen de Staat en/of ID de minister van LNV de MKZ-besmetting zal moeten bewijzen, waartoe volgens hem ook de stukken van ID ter beschikking moeten worden gesteld. Met de hier bedoelde omkering van bewijslast loopt [eiser] in dit geding te ver vooruit op een bodemprocedure. Daarbij is tevens relevant dat de minister van LNV op basis van diens vergaande bevoegdheden bevoegd was om [eiser]s bedrijf te doen ontruimen op grond van enkel de verdenking van MKZ-besmetting, die toen zeer concreet was en die [eiser] bovendien zelf ook had.

9.5 Ten slotte is in het kader van de onrechtmatige handelwijze van ID aangevoerd dat het besluit tot ruiming van zijn bedrijf op 26 maart 2001 is genomen op grond van slechts een positieve uitslag in de RT PCR test, en niet, zoals hem bij de onder 1 genoemde brief van die datum was meegedeeld, op basis van zeer ernstige klinische verschijnselen van mond- en klauwzeer. Bovendien was volgens [eiser] de RT PCR test ten tijde van de MKZ-crisis niet eens gevalideerd en geaccrediteerd en waren naar zijn zeggen op 26 maart 2001 slechts 2 tegenstrijdige RT PCR testuitslagen bekend waarvan de controles niet klopten. Wat van al deze omstandigheden ook zij, ID heeft gemotiveerd en onweersproken aangevoerd dat na 26 maart 2001 daadwerkelijke besmetting is vastgesteld op basis van een andere, wél gevalideerde en geaccrediteerde test. Ook vanwege deze omstandigheid kan in dit geding niet worden geoordeeld dat de weigering van ID om inzage te verlenen onrechtmatig of in strijd met de goede trouw is.

10 Op grond van het vorenoverwogene dient geconcludeerd te worden dat het belang van [eiser] bij inzage niet dient te prevaleren boven het belang van ID tot geheimhouding van de ruwe datagegevens. Andere belangen van [eiser] die nopen tot inzage zijn gesteld noch gebleken.

11 De vordering tegen ID is derhalve niet toewijsbaar. Hieruit vloeit voort dat de vordering tegen de Staat bij gebrek aan belang daarbij ook moet worden afgewezen.

12 [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van ID en de Staat worden veroordeeld.

BESLISSING

De voorzieningenrechter in kort geding:

I wijst de vorderingen af;

II veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, welke kosten, voor zover tot op heden

aan de zijde van ID en de Staat gevallen, worden bepaald op ? 205,- voor griffierechten en

? 703,- voor salaris procureur.

Gewezen door mr. Y. Telenga, voorzieningenrechter in kort geding, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.