Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO5847

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
11-02-2004
Datum publicatie
18-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/1431
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AU3528
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder in verband met verwijtbare werkloosheid terecht een maatregel heeft opgelegd van 35% gedurende 26 weken.

Uitspraak in hoger beroep vernietigd; LJN AU3528.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 03/1431

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. A.G. Sol,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam (kantoor Zwolle), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 17 oktober 2003, met als kenmerk 93700714 195144909.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 18 augustus 2003 heeft verweerder geweigerd eiser een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) uit te betalen omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden.

Tegen dit besluit is op 25 augustus 2003 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit is de primaire beslissing niet gehandhaafd en is eiser in verband met verwijtbare werkloosheid een maatregel opgelegd van 35% gedurende 26 weken.

Op 14 november 2003 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 3 december 2003 een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 27 januari 2004 ter zitting behandeld.

Eiser is daar verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde, voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling.

3. Motivering

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder in verband met verwijtbare werkloosheid terecht een maatregel heeft opgelegd van 35% gedurende 26 weken.

De rechtbank gaat bij de beantwoording van deze vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is op 7 januari 2003 in dienst getreden bij X Uitzend BV (hierna: werkgever) in de functie van vestigingsmanager. Eiser is op 15 april 2003 op staande voet ontslagen omdat eiser in strijd met de overeengekomen e-mail en internetovereenkomst heeft gehandeld. De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 15 mei 2003 het voorlopig oordeel uitgesproken dat het door de werkgever gegeven ontslag op staande voet geen stand houdt. In een beschikking van diezelfde datum heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst, vanwege het onherstelbaar verstoord zijn van de verhoudingen tussen partijen, met ingang van 1 juni 2003 ontbonden. Hierbij heeft de kantonrechter aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding gekoppeld van twee bruto maandsalarissen, vermeerderd met 8% vakantiegeld. De kantonrechter is tot deze vergoeding gekomen omdat naar zijn oordeel de verstoring van de arbeidsrelatie in overwegende mate dient te worden geweten aan een overreactie van de werkgever op een misstap van de werknemer.

Verweerder meent dat eiser, door zijn e-mailaccount te gebruiken zoals hij dit heeft gedaan, zelf het risico op maatregelen van de kant van de werkgever gecreëerd heeft. Omdat aan de werkgever ook andere maatregelen dan ontslag ten dienste stonden in verband met eisers e-mail en internetgebruik kon eiser niet in volledige mate voorzien dat zijn gedrag beëindiging van zijn dienstverband tot gevolg zou hebben. Hierom heeft verweerder aanleiding gezien voor het opleggen van een maatregel van 35% gedurende 26 weken in plaats van een blijvend gehele weigering.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet redelijkerwijs hoefde te begrijpen dat zijn gedrag beëindiging van zijn dienstverband tot gevolg zou kunnen hebben. Hierbij is van belang dat uit de beschikking van de kantonrechter blijkt dat de verstoring van de arbeidsrelatie in overwegende mate moet worden geweten aan een overreactie van de werkgever.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op het bepaalde in artikel 24, tweede lid en onder a, WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou hebben.

Uit het vonnis van de kantonrechter in kort geding van 15 mei 2003 blijkt dat tussen eiser en zijn werkgever op 11 december 2002 een e-mail en internetovereenkomst is getekend. In deze overeenkomst is onder meer bepaald dat wanneer eiser zich niet houdt aan de regels van deze overeenkomst de werkgever van eiser zich het recht voorbehoudt hem met directe ingang te ontslaan. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat eiser het e-mail account op zijn werk heeft gebruikt voor het verzenden en ontvangen van mailtjes van en naar zijn vriendin en het verzenden en ontvangen van mailtjes van en naar kennissen buiten het werk. Een aantal van deze mails waren voorzien van bestanden met min of meer grappig bedoelde, doch aanstootgevende, inhoud. Daarnaast heeft eiser een maal via zijn emailaccount, waarbij de naam van de werkgever duidelijk naar voren komt, een UNO-petitie betreffende de oorlog in Irak aan verscheidene mensen doorgestuurd.

De rechtbank kan zich vinden in het oordeel van de kantonrechter dat het e-mail gedrag van eiser niet door de beugel kan maar dat een ontslag op staande voet een buitenproportionele reactie is. Voorts kan de rechtbank zich vinden in het oordeel van de kantonrechter dat de uiteindelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten gevolge van een verstoorde arbeidsrelatie in overwegende mate dient te worden geweten aan een overreactie van de werkgever op een misstap van de werknemer.

De rechtbank is van oordeel dat niet elke misstap van een werknemer leidt tot verwijtbare werkloosheid. De rechtbank gaat er vanuit dat normaal gesproken opname van de mogelijkheid van ontslag bij overtreding van een aangegane overeenkomst inzake e-mail en internetgebruik, met name bedoeld is om de werkgever een handvat te geven bij ernstige overtreding van een dergelijke overeenkomst tot ontslag over te gaan. In casu heeft het ontvangen en versturen van e-mailberichten en (aanstootgevende) bestanden van respectievelijk aan de kennissenkring van eiser niet op een wijze of in een mate plaatsgevonden die het bedrijf, of daar werkzame personen, schade heeft berokkend. Onder die omstandigheden moet het er, ondanks het bestaan van een overeenkomst die qua bewoordingen duidelijk is, voor worden gehouden dat een werknemer, zonder een daaraan voorafgaande waarschuwing, niet redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag tot beëindiging van het dienstverband kon leiden. In dit geval is weliswaar de misstap van eiser de eerste gedraging in de keten van gebeurtenissen die tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft geleid, doch het zwaartepunt in deze ‘keten’ is zozeer gelegen in de, voor eiser redelijkerwijs niet te voorziene, buitenproportionele reactie van de werkgever, dat het ontslag evenmin kan worden aangemerkt als het voor eiser voorzienbare gevolg van zijn handelen.

Hoewel eiser derhalve wel degelijk een verwijt treft heeft verweerder gelet op het ontbreken van de voorzienbaarheid ten onrechte besloten de uitkering van eiser (gedeeltelijk) te weigeren wegens verwijtbare werkloosheid.

Gelet op het voorgaande kan verweerders besluit niet in stand worden gelaten en zal het beroep gegrond worden verklaard.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- gelast dat het UWV aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 31,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 644,-- en wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt.

Gewezen door mr. H.C. Moorman en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2004

in tegenwoordigheid van mw. Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op