Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO5539

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
30-01-2004
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
R.99.514
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging looptijd in verband met aanzienlijke schadeuitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Insolventienummer: R.99.514

Uitspraakdatum: 30 januari 2004

ENKELVOUDIGE KAMER

VONNIS

In de schuldsaneringsregeling van

[Ten K.],

geboren op 6 februari 1959 te Amsterdam,

wonende aan het adres Acaciapad 14 te (6921 XB) Duiven,

verder te noemen: [Ten K.],

PROCESGANG

Bij vonnis van deze rechtbank van 7 december 1999 is ten aanzien van [Ten K.] de voorlopige toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis van deze rechtbank van 5 januari 2000 is ten aanzien van [Ten K.] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

Hierbij is mr. G.J. Koers tot bewindvoerder benoemd.

Op 28 juni 2000 heeft [Ten K.] een ontwerp-saneringsplan bij de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft dit saneringsplan bij vonnis van 27 juli 2000 goedgekeurd en vastgesteld. Bij beslissingen van 10 december 2002 en 29 april 2003 is het saneringsplan gewijzigd.

De rechter-commissaris heeft bij voordracht van 22 januari 2004 voorgesteld om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen tot 7 december 2004.

[Ten K.], zijn raadsman mr. M. Velsink en de bewindvoerder zijn opgeroepen ten einde door deze rechtbank te worden gehoord ter terechtzitting van 23 januari 2004 inzake de wijziging van het saneringsplan in dier voege dat de looptijd, gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, opnieuw verlengd dient te worden.

Ter terechtzitting zijn [Ten K.], zijn raadsman mr. Velsink en de bewindvoerder verschenen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder:

- de brief van mr. Velsink aan de rechter-commissaris van 12 januari 2004;

- de brief van [Ten K.] aan de rechter-commissaris van 21 januari 2004;

- de voordracht van de rechter-commissaris van 22 januari 2004.

MOTIVERING

De voordracht

De rechter-commissaris stelt dat verwacht mag worden dat aan de boedel nog een belangwekkend actief zal toevloeien inzake de door [Ten K.] geleden schade veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van zijn voormalige curator. Er is overleg gevoerd met de raadsman van de aansprakelijkheidsverzekeraar. Dat heeft tot op heden niet geleid tot een minnelijke regeling over de hoogte van de te betalen schadevergoeding die recht doet aan alle gerechtvaardigde belangen in deze. Thans wordt getracht de wederpartij bereid te vinden een zodanig deel van de geleden schade te vergoeden dat rekening houdend met de gerechtvaardigde belangen van de schuldeisers tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling kan worden gekomen zonder dat mogelijke rechten van [Ten K.] op een hogere schadevergoeding moeten worden prijs gegeven. De ontwikkelingen in deze procedure moeten afgewacht worden, voordat de beëindiging van de schuldsaneringsregeling in gang gezet kan worden.

De rechter-commissaris stelt voorts wederom voor, het nominale bedrag ex artikel 295 Fw. vast te stellen op de inkomsten van [Ten K.], verminderd met de geldende maandelijkse afdrachtverplichting voor het salaris van de bewindvoerder, nu de schuldsaneringsregeling van [Ten K.] reeds ruim vier jaar heeft gelopen en overigens [Ten K.] in de periode voorafgaand aan de invoering van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen ook al meerdere jaren ter zake van vrijwel dezelfde schulden failliet is geweest.

[Ten K.] heeft aangevoerd niet in te kunnen stemmen met een verlenging zonder meer. De reden daarvoor is dat, aldus [Ten K.], de inspanningen om tot een schaderegeling te komen, zijdens de bewindvoerder niet optimaal zijn geweest. [Ten K.] vreest dat een verlenging tot 7 december 2004 opnieuw leidt tot een te passieve houding van de bewindvoerder. Hij bepleit om die reden een verlenging tot uiterlijk maart of april 2004, waarna opnieuw door de rechtbank kan worden beoordeeld of verdere verlenging wenselijk is.

Verder wordt door zowel [Ten K.] als de bewindvoerder uitgebreid argumenten gegeven voor het antwoord op de vraag of de schaderegeling partieel dan wel integraal dient te zijn.

De bewindvoerder wijst de stellingen van [Ten K.] van de hand. Volgens de bewindvoerder is er wel degelijk sprake geweest van inspanningen zijnerzijds. In de afgelopen periode is er veel overleg geweest met de advocaat van de aansprakelijkheidverzekeraar. Een nadere verlenging van de schuldsaneringsregeling is, aldus de bewindvoerder, gewenst. Daarbij stelt de bewindvoerder zich op het standpunt partieel te willen afwikkelen, te weten voor een bedrag tot de hoogte van het deficiet in de schuldsaneringsregeling.

[Ten K.] geeft de voorkeur aan een integrale afwikkeling.

De beoordeling van de voordracht

Gezien hetgeen door [Ten K.], zijn raadsman en de bewindvoerder ter terechtzitting van 23 januari 2004 naar voren is gebracht, is aannemelijk geworden dat de bewindvoerder het afgelopen jaar voldoende inspanningen heeft verricht om tot een minnelijke regeling met de aansprakelijkheidsverzekeraar te komen. Tussen [Ten K.] en de bewindvoerder is nog geen consensus tot stand gekomen omtrent de vraag of er een schikking voor het gehele schadebedrag getroffen moet worden of dat er een deelschikking getroffen moet worden waarbij [Ten K.] zich het recht voorbehoudt om zelf voor een restant vordering door te procederen. Mede hierdoor verlopen de onderhandelingen met de aansprakelijkheidsverzekeraar traag, hetgeen niet alleen aan de bewindvoerder te wijten is.

Het voorstel van [Ten K.] om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen tot 1 april 2004 acht de rechtbank onvoldoende rechtdoen aan de belangen van alle bij de schuldsaneringsregeling betrokkenen. De aansprakelijkheidsverzekeraar is sedert november 2003 bereid om mee te werken aan een deelschikking. De onderhandelingen zullen naar verwachting – mede gezien de voortgang in het afgelopen jaar – niet voor 1 april 2003 volledig zijn afgerond. Het stellen van een te korte termijn zou leiden tot een beknotting van de mogelijkheden van de bewindvoerder door een te hoge tijdsdruk De rechtbank ziet derhalve aanleiding om de looptijd opnieuw te verlengen met de periode van opnieuw een jaar tot 7 december 2004, waarbij de maximale periode van vijf jaar niet dient te worden overschreden. Mocht overigens blijken, dat ruim vóór 7 december 2004 een en ander volledig afgerond zal zijn, dan staat niets aan een eerdere beëindiging van de schuldsaneringsregeling in de weg.

Het is in het belang van de boedel om de verwachte baten te realiseren. De rechtbank is wel met [Ten K.] van mening dat de bewindvoerder hierbij voortvarend te werk zal dienen te gaan. De vraag of er integraal of partieel afgewikkeld dient te worden, is geen vraag die door de rechtbank beoordeeld dient te worden, doch dient aan de rechter-commissaris voorgelegd te worden.

Doordat de onderhandelingen, die gaande zijn nadat het Hof Arnhem zijn eindarrest op 19 februari 2003 heeft gewezen, langer lopen dan voorzien, kan de rechtbank zich, nu sprake is van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het reeds vastgestelde schuldsaneringsplan niet ongewijzigd in stand kan blijven, met het voorstel van de rechter-commissaris verenigen.

Gelet op het bepaalde in de artikelen 289, tweede lid, 343 en 345 van de Faillissementswet, dient derhalve als volgt te worden beslist.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijzigt het vastgestelde saneringsplan aldus dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt verlengd tot 7 december 2004;

- handhaaft de eerdere beslissing dat het nominale bedrag ex artikel 295 Fw. wordt vastgesteld op het inkomen van [Ten K.], verminderd met de geldende maandelijkse afdrachtverplichting voor het salaris van de bewindvoerder.

Gewezen door mr. G. van Rijssen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.