Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO5220

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
19-02-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
Reg. nr.: 03/591
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geding is de vraag of verweerder eiser bij het bestreden besluit terecht de Bsc-graad heeft ontzegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Meervoudige Kamer

Reg. nr.: 03/591

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mevr. prof. mr. E. Steyger, advocaat te ’s-Gravenhage,

en

het College van bestuur van de Internationale Agrarische Hogeschool Larenstein, zetelend te Velp, verweerder,

gemachtigde: mevr. mr. dr. M.F. Andriessen, waarnemend voorzitter van voornoemd college.

1. Aanduiding bestreden besluit

Verweerders besluit van 10 april 2003.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Eiser is in september 1997 gestart met zijn studie tropische landbouw aan de Internationale Agrarische Hogeschool Larenstein. Op 30 oktober 2002 heeft eiser verweerder schriftelijk aangegeven zich bij afstuderen niet te kunnen verenigen met het toekennen van de graad Bachelor (verder te noemen: B-graad), in plaats van de graad Bachelor of Science (verder te noemen: Bsc-graad). Eiser is inmiddels afgestudeerd.

Verweerder heeft het schrijven van 30 oktober 2002 aangemerkt als een verzoek om hem bij afstuderen de Bsc-graad te verlenen. Bij schrijven van 21 november 2002 heeft verweerder dat verzoek afgewezen.

Eiser heeft tegen het schrijven van 21 november 2002 bij verweerder op 28 november 2002 bezwaar gemaakt.

Op 5 december 2002 heeft eiser aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht verweerder op te dragen een besluit te nemen waarin het niet toekennen van de Bsc-graad wordt heroverwogen zodanig dat de Bsc-graad wordt toegekend, dan wel verweerders afwijzing op te schorten tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Bij uitspraak van 20 januari 2003 is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Eiser is op 20 februari 2003 door het College van Beroep over zijn bezwaar gehoord. Voornoemd college heeft verweerder op 7 april 2003 geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren.

Bij besluit van 10 april 2003 heeft verweerder, onder voorbijgaan aan dit advies het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dat besluit op 6 mei 2003 bij de rechtbank beroep ingesteld. Op 26 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Het beroep is – gevoegd met de zaak van eisers voormalige medestudent [student] – onderzocht ter openbare zitting van de rechtbank d.d. 3 december 2003, alwaar zijn verschenen:

- eiser, bij zijn voornoemde gemachtigde;

- verweerder, bij diens voornoemde gemachtigde en mevr. mr. C. Voorsmit-van Bracht, secretaris van verweerder.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

3. Motivering

In geding is de vraag of verweerder eiser bij het bestreden besluit terecht de Bsc-graad heeft ontzegd.

3.1 Ontvankelijkheid bezwaar

Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling te kunnen komen dient de rechtbank zich uit te spreken over de vraag of verweerders schrijven van 21 november 2002 kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) waartegen voor eiser bezwaar open stond.

Blijkens artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publieksrechtelijke rechtshandeling.

Met een publiekrechtelijke rechtshandeling wordt bedoeld een handeling gericht op rechtsgevolg.

De brief van verweerder van 21 november 2002 is een antwoord op een door eiser op 30 oktober 2002 gedaan verzoek om hem bij zijn afstuderen aan de Hogeschool de Bsc-graad te verlenen. Verweerder heeft daarop geantwoord dat op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (verder te noemen: WHW) zoals die wet na de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs per 1 september 2002 luidt, slechts de graad van bachelor kan worden verleend. Door het ontbreken van overgangsrecht is het vanaf 1 september 2002 niet meer mogelijk om aan degene die aan de Hogeschool Larenstein het afsluitend examen aflegt, de titel (graad) Bsc te verlenen.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier om een standpuntbepaling van verweerder over de toepassing van de WHW en over de vraag welke gevolgen het ontbreken van relevante overgangsrechtelijke bepalingen heeft voor studenten van de Hogeschool die vanaf 1 september 2002 afstuderen. Die standpuntbepaling mondt uit in de conclusie dat het verzoek van eiser om bij zijn afstuderen de titel Bsc te krijgen, moet worden afgewezen.

Dit oordeel van verweerder kan slechts als informatief worden aangemerkt en is niet gericht op rechtsgevolg. Immers uit het bepaalde in artikel 7:10a WHW volgt dat een graad eerst wordt verleend bij het uitreiken van een diploma na het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een bacheloropleiding. Pas vanaf dat moment is de betrokkene op grond van het bepaalde in artikel 7:19a van de WHW gerechtigd om de graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.

Vóór evengenoemd moment is er geen sprake van rechtsgevolg, tenzij –zoals in vaste rechtspraak is bepaald- het entameren van, of wachten op de rechtshandeling van het bestuursorgaan als onevenredig bezwarend moet worden aangemerkt. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake nu niet kan worden ingezien welke omstandigheid het voor eiser onredelijk of onevenredig bezwarend maakte om te wachten tot het moment van het verlenen van de graad na zijn afstuderen, alvorens tegen het verlenen van die – in zijn visie onjuiste – graad op te komen. Het enkele feit dat eiser het niet eens was met de door verweerder aangekondigde wijze van interpretatie en toepassing van de wet bij zijn afstuderen, wordt in dit verband onvoldoende geacht.

Derhalve moet worden geconcludeerd dat tegen het schrijven van 21 november 2002 geen bezwaar open stond.

Ondanks de door hem zelf in genoemd schrijven geboden mogelijkheid bezwaar te maken, had verweerder dit bezwaar dan ook niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

De rechtbank tekent daarbij aan dat eiser, anders dan het geval is in de zaak [student], eerst is afgestudeerd na 21 november 2002 en blijkens mededeling ter zitting zelfs na het nemen van de thans in beroep aangevochten beslissing op bezwaar van 10 april 2003.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep gegrond is en het besluit van 10 april 2003 dient te worden vernietigd.

De rechtbank zal onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb bepalen dat het bezwaar tegen verweerders schrijven van 21 november 2002 alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Ten overvloede en ter voorlichting van eiser overweegt de rechtbank nog het volgende.

Zoals ook ter zitting al namens eiser naar voren is gebracht, ligt er thans in het kader van de behandeling van de Aanpassingswetgeving invoering bachelor-masterstructuur een voorstel voor een amendement van het kamerlid Tichelaar. De meest recente versie van dit amendement (het nader gewijzigd voorstel van 17 december 2003) voorziet in een overgangsrecht voor studerenden aan initiële HBO-opleidingen, waardoor studenten die vóór het studiejaar 2002-2003 met hun studie zijn begonnen en deze studie vóór 1 september 2006 met goed gevolg afronden, gerechtigd zullen blijven tot het voeren van de B-graad met een toevoeging zoals die tot 1 september 2002 kon worden verleend. Nu blijkens de kamerstukken (TK 2002/2003, 28 925 nr.8) voor het alsnog creëren van overgangsrecht een zeer grote kamermeerderheid aanwezig lijkt te zijn, is er een aanzienlijke kans dat eiser door middel van genoemde aanpassingswetgeving uiteindelijk alsnog met terugwerkende kracht aanspraak krijgt op de Bsc-graad.

De rechtbank vindt in het voorgaande aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser op grondslag van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarbij wordt, nu de gemachtigde van eiser ook is opgetreden in de zaak Reemer, een factor 0,5 gehanteerd ten opzichte van het bedrag waarop eiser anders aanspraak zou hebben gehad, zodat verweerder wordt veroordeeld tot een bedrag van € 322,-- (2 punten x € 322,-- x 0,5).

Tevens zal de Hogeschool Larenstein het door eiser betaalde griffierecht dienen te vergoeden.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar tegen het schrijven van 21 november 2002 niet ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 10 april 2003;

- verstaat dat de Hogeschool Larenstein aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 116,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 322,-- en wijst de Hogeschool Larenstein aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt.

Gewezen door mr. J.H.M. Hesseling, voorzitter, mr. H.C. Moorman en mevr. mr. J.J. Szauer-Bos, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2004

in tegenwoordigheid van R.K. Witteveen als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden op 19 februari 2004.