Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO5085

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
04-03-2004
Datum publicatie
05-03-2004
Zaaknummer
07.230192-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft gisteren vier mannen veroordeeld voor hun rol in het grootste transport van cocaïne naar Nederland tot nu toe. De partij (4.050 kg.) werd op 20 augustus vorig jaar op de uit Venezuela afkomstige zeesleepboot 'Otton' in de haven van Vlissingen in beslag genomen.

In deze zogeheten 'Amalthea-zaak', die behandeld werd in de extra beveiligde rechtbank in Osdorp in Amsterdam, werden drie mannen ( twee afkomstig uit Amsterdam en Lelystad en een uit Zuid-Amerika) veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf; een vierde, eveneens uit Zuid-Amerika afkomstige, man kreeg 6 jaar gevangenisstraf opgelegd.

De mannen werden allen veroordeeld voor de invoer van de cocaïne, het voorbereiden en bevorderen van die invoer en het deelnemen aan een criminele organisatie.

De rechtbank sprak een vijfde verdachte, een Nederlandse vrouw uit Lelystad, wegens gebrek aan bewijs vrij.

In de zaak tegen twee andere mede -verdachten zal de rechtbank op 16 maart a.s. uitspraak doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Meervoudige strafkamer Lelystad

Parketnummer: 07.230192-03

Uitspraak: 4 maart 2004

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

…,

wonende te Lelystad.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2003, 17 februari 2004, 19 februari 2004 en 20 februari 2004. De verdachte is - behoudens op 19 februari 2004 - telkens verschenen. De verdachte is bijgestaan door mr. K.D. Regter, advocaat te Lelystad.

De officier van justitie, mr. … , heeft ter terechtzitting van 19 februari 2004 gevorderd:

· verdachte vrij te spreken van het onder 1. primair ten laste gelegde;

· verdachte te veroordelen ter zake het onder 1. subsidiair en 2. ten laste gelegde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 291 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis;

- opheffing van het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.

· ter zake de op de "Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen" vermelde voorwerpen:

- teruggave aan de verdachte van de onder 1, 2 en 3 vermelde voorwerpen.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING

De raadsman heeft twee verweren gevoerd met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman heeft ter zake het onder 1. ten laste gelegde betoogd dat rechtsgevolgen dienen te worden verbonden aan het gebruik van de samenstelling "en/of". De raadsman vat de tenlastelegging onder 1. op als een zogenaamde alternatieve tenlastelegging, waarbij de betrokkenheid bij de invoer van cocaïne en bij de voorbereidingshandelingen daartoe in alternatieve vorm ten laste zijn gelegd. Voor zover het onder 1. ten laste gelegde zal worden opgevat als een tenlastelegging in cumulatieve vorm, is de raadsman van oordeel dat deze onvoldoende duidelijk is, aangezien alsdan de mogelijkheid bestaat dat verdachte voor zowel het gronddelict als voor de voorbereidingshandelingen wordt vervolgd.

De rechtbank verwerpt dit verweer, nu de opvatting van de raadsman geen grond vindt in het recht. Met betrekking tot de wijze waarop de onder 1. aan verdachte ten laste gelegde gedragingen zijn omschreven, meer in het bijzonder het gebruik van de samenstelling "en/of", is de rechtbank van oordeel dat de steller van de tenlastelegging kennelijk heeft beoogd de gedragingen als bedoeld in de artikelen 2 en 10a van de Opiumwet in cumulatieve, dan wel alternatieve vorm ten laste te leggen, naar keuze van de rechtbank. De rechtbank leest derhalve het onder 1. ten laste gelegde aldus.

De raadsman heeft voorts betoogd dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard voor wat betreft het onder 2. ten laste gelegde plegen van "andere misdrijven", aangezien de dagvaarding op dit punt onvoldoende duidelijk is.

De rechtbank deelt de opvatting van de raadsman en zal de dagvaarding partieel nietig verklaren voor zover dit betreft de tekst opgenomen na het laatste opsommingsteken van het onder 2. ten laste gelegde. Nu het ten laste gelegde plegen van "andere misdrijven" niet nader is omschreven, kan niet worden vastgesteld op welke feiten of gedragingen uit het onderliggende dossier de steller van de tenlastelegging het oog heeft gehad.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie met betrekking tot het onder 2. ten laste gelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging. De raadsman beroept zich op misbruik van recht van de zijde van het openbaar ministerie met als rechtsgrond de omstandigheid dat aan dezelfde feitelijke gedragingen welke onder 1. (zelfstandig) ten laste zijn gelegd - te weten betrokkenheid bij de invoer van cocaïne en bij de voorbereidingshandelingen daartoe - het verwijt wordt ontleend ter zake deelname aan een criminele organisatie.

De rechtbank kan het verweer niet anders verstaan dan een beroep op eendaadse samenloop. De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman aan de orde gestelde rechtsvraag op geen enkele wijze de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie regardeert en ook overigens geen schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde oplevert.

De rechtbank verwerpt het verweer en verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn strafvervolging.

BEWIJS

De rechtbank is van oordeel dat noch op grond van het strafdossier noch op grond van de behandeling ter terechtzitting van wettig en overtuigend bewijs is gebleken voor een der ten laste gelegde feiten. Derhalve dient verdachte van het haar onder 1. en 2. ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

De rechtbank zal - behoudens de onder de verdachte inbeslaggenomen gelden die toebehoren aan … - de teruggave gelasten aan de verdachte van de haar toebehorende, op de (in fotokopie aan dit vonnis gehechte) "Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen" d.d. 18 februari 2004 onder 1, 2 en 3 vermelde voorwerpen, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

BESLISSING

Het onder 1. en 2. ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank gelast de teruggave aan de verdachte van de op de "Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen" d.d. 18 februari 2004 onder 1, 2 en 3 vermelde voorwerpen.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mrs. S.E. Bins-van Waegeningh en L.T. Wemes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2004.