Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO3975

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
10-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
201846 cv 03-1840
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak; vordering van werknemer tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht wegens onvoorziene omstandigheden, zulks i.v.m. gevaar voor verlies van vutrechten, wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E

sector kanton - locatie Zwolle

zaaknr.: 201846 CV EXPL 03-1840

datum : 10 februari 2004

Vonnis in de zaak van:

[EISERES],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

verder ook te noemen "[eiseres]",

gemachtigde mr. H.G.J. Jacobs, advocaat te 5580 AC Waalre, postbus 103,

tegen

de besloten vennootschap HEMMINK ELEKTRO B.V,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde partij,

verder ook te noemen "Hemmink",

gemachtigde mr. L.R.G. Uneken, advocaat te 8000 AH Zwolle, postbus 349.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding

- het antwoord van de gedaagde partij

- de nadere toelichtingen van partijen.

Het geschil

[eiseres] vordert met terugwerkende kracht tot 30 juni 2000 de ontbinding van de op die datum tussen partijen gesloten overeenkomst, de verklaring voor recht dat het tussen partijen bestaande dienstverband niet op 30 april 2001 is beëindigd en sedertdien voortduurt en voorts dat [eiseres] recht heeft op de opbouw van pensioenrechten met ingang van maart 1986 en tot slot de veroorde-ling van Hemmink aan haar € 1.250,31 te betalen ter zake van kosten juridische bijstand.

Hemmink heeft deze vorderingen bestreden.

De beoordeling

1.

Als erkend of niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken staat tussen partijen het volgende vast.

[eiseres], geboren 7 april 1943, is op 10 maart 1986 in loondienst getreden van Ananta B.V. die destijds kantoor hield te Nederwetten. Zij was aldaar gedurende twintig uren per week in een administratieve functie werkzaam. Daarnaast is [eiseres] in dienst van Jennissen Son Aan-neming B.V. te Son.

In april 2000 heeft Hemmink (een technische groothandel) Ananta B.V. overgenomen en zijn de activiteiten van Ananta B.V. naar Zwolle verplaatst.

Op 30 juni 2000 is tussen [eiseres], Hemmink en Stratics@Wissel B.V. (hierna: S@W) een overeenkomst tot stand gekomen. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

"1. Mevrouw [eiseres] blijft tot 1 mei 2001 in dienst bij Hemmink…maar zal per 12 juni 2000 worden gedetacheerd bij S@W, zulks voor de periode tot 1 mei 2001, al-waar zij voor 20 uren per week werkzaam zal zijn…

2. …

3. S@W sluiten middels ondertekening van deze overeenkomst een arbeidsovereen-komst met mevrouw [eiseres] voor onbepaalde tijd, ingaande 1 mei 2001, zulks voor 20 uur per week…

4. De arbeidsovereenkomst tussen Hemmink en mevrouw [eiseres] zal per 1 mei 2001 worden voortgezet, en wel tot 1 mei 2004, doch gedurende deze periode zal mevrouw [eiseres] geen werkzaamheden voor Hemmink verrichten en is Hemmink geen salaris of andere bedragen verschuldigd, met uitzondering van de in artikel 7 van deze over-eenkomst genoemde bedragen…

5. De arbeidsovereenkomst tussen Hemmink en mevrouw [eiseres] zal per 1 mei 2004 met wederzijds goedvinden eindigen…

6. …

7. Hemmink verplicht zich om ook na 1 mei 2001, en wel tot en met april 2004, de maand waarin mevrouw [eiseres] 61 jaar zal worden, zijnde de zogenaamde preVUT-periode, de door de werkgever te betalen VUTECH-bijdrage/VP-TECH-premie te voldoen, rechtsreeks aan de betreffende instantie, indien door mevrouw [eiseres] een preVUT overeenkomst is gesloten met de Stichting PVF Pensioenen.

8. Eventuele geschillen…dienen bij uitsluiting te worden voorgelegd aan de Kanton-rechter te Zwolle, zulks ingevolge het bepaalde in artikel 43 Wet Rechterlijke Organi-satie…

9. Partijen doen afstand van de mogelijkheid om ontbinding van deze overeenkomst in te roepen…"

Op 13 december 2000 is S@W in staat van faillissement verklaard.

Op 15 februari 2001 heeft [eiseres] aan de Stichting VUTECH schriftelijk de vraag voorge-legd of het was toegestaan tussen 1 mei 2001 en 1 mei 2004 een nieuwe dienstbetrekking aan te gaan dan wel de bestaande parttime baan met 20 uren uit te breiden.

Bij brief van 19 maart 2001 is namens het bestuur van deze stichting bericht dat via een over-eenkomst een (aldus genaamde) non-activiteitsregeling met een werknemer wordt afgesproken en dat het uitbreiden van werkzaamheden daarmee in strijd is.

[eiseres] werd ten tijde van de totstandkoming van voornoemde drie-partijen-overeenkomst bijgestaan door de heer S. Koetloe, bestuurder van en werkzaam bij de "De Unie" vakbond voor industrie en dienstverlening te Eindhoven.

Ananta B.V. kende een eigen pensioenregeling.

2.

De vorderingen van [eiseres] strekken er allereerst toe dat de overeenkomst d.d. 30 juni 2000 wegens onvoorziene omstandigheden per die datum zal worden ontbonden. De gevorderde verklaring voor recht dat het dienstverband met Hemmink nog bestaat houdt hiermee verband.

Deze beide vorderingen zullen eerst worden besproken.

3.

De gevorderde ontbinding berust op het bepaalde in artikel 6:258 Burgerlijk Wetboek (BW), welk artikel op grond van artikel 250 BW dwingend recht bevat. De in de overeenkomst d.d. 30 juni 2000 in artikel 9 opgenomen afstand van recht de ontbinding van de overeenkomst in te roepen --waarop Hemmink een beroep heeft gedaan-- dient bij de beoordeling van de on-derhavige gevorderde ontbinding derhalve buiten toepassing te blijven.

De kantonrechter stelt voor de goede orde nog vast dat de onderhavige procedure niet de in artikel 8 van de overeenkomst bepaalde procedure ex artikel 43 Wet op de Rechterlijke Orga-nisatie (thans artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) is.

4.

[eiseres] legt aan haar beide vorderingen de stelling ten grondslag dat sprake is van onvoor-ziene omstandigheden omdat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet wist dat het niet was toegestaan het dienstverband met S@W aan te gaan en te zelfder tijd van de preVUT-regeling gebruik te maken. In verband hiermee was de overeenkomst --die volgens haar was gericht op het zekerstellen van de VUT-rechten middels de preVUT-regeling èn het kunnen verrichten van werkzaamheden in de buurt van haar woonplaats-- van meet af aan niet uit-voerbaar. [eiseres] stelt dat sprake is van een "ernstig verstoorde waardeverhouding" en dat haar schade "enorm" is, omdat de zekerstelling van de VUT-uitkering middels de overeen-komst illusoir bleek. De arbeidsovereenkomst met Hemmink dient op verzoek van [eiseres] middels een procedure ex artikel 7:685 BW te worden ontbonden zodat [eiseres] aanspraak kan maken op een vergoeding.

5.

Hemmink heeft onder meer aangevoerd --kort samengevat-- dat het geenszins de intentie van partijen was dat [eiseres] èn van de preVUT-regeling gebruik zou maken èn bij S@W in dienst zou treden. Volgens Hemmink had [eiseres] de keuze tussen het één of het ander.

6.

Geoordeeld wordt als volgt.

Uitgaande van de visie van [eiseres] dat ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst op 30 juni 2000 de bedoeling van partijen was dat [eiseres] zowel van de preVUT-regeling gebruik zou maken als bij S@W in dienst zou treden, is de vordering van [eiseres] ondanks dit uitgangspunt niet toewijsbaar.

Volgens [eiseres] bestaat de in artikel 6:258 BW bedoelde onvoorziene omstandigheid hierin, dat de preVUT-regeling (en de daarvan onderdeel uitmakende non-activiteitsregeling) de in-diensttreding van [eiseres] bij S&W per 1 mei 2001 uitsloot, hetgeen haar eerst in maart 2001 bekend werd door de brief van de Stichting VUTECH.

Van een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW kan alleen sprake zijn voor zover het betreft een omstandigheid die op het ogenblik van het tot stand komen van de overeenkomst nog in de toekomst lag (HR 20 februari 1998 NJ 1998-493). De door [eiseres] bedoelde, hiervoor beschreven als onvoorzien aangeduide omstandigheid lag echter niet in de toekomst maar bestond reeds ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst d.d. 30 juni 2000. Immers op grond van de preVUT-regels was, nu niet is gesteld of gebleken dat deze regels afweken van de regels zoals die ten tijde van de totstandkoming van de overeen-komst tussen partijen golden, hetgeen [eiseres] beoogde ook toen al niet toegestaan. Anders gezegd: hetgeen in de overeenkomst stilzwijgend is verdisconteerd (het tegelijkertijd hebben van een dienstverband met S@W en het gebruik maken van de preVUT-regeling is toege-staan) bleek achteraf niet juist te zijn.

De door [eiseres] aangevoerde feiten en omstandigheden zouden tot een beroep op dwaling hebben kunnen leiden maar niet tot een te honoreren beroep op onvoorziene omstandigheden. Partijen hebben klaarblijkelijk --daargelaten de stellingen van Hemmink-- gedwaald met be-trekking tot de bestaande preVUT-regels. [eiseres] heeft echter geen beroep op dwaling ge-daan en evenmin een daarmee verband houdende vordering tot vernietiging van de overeen-komst ingesteld, zodat de kantonrechter aan een bespreking op dit punt niet toekomt.

Op deze gronden dienen de beide vorderingen van [eiseres] te worden afgewezen en behoeft het verweer van Hemmink geen bespreking meer.

Overigens vraagt de kantonrechter zich wel af of het inderdaad niet was toegestaan een dienstverband aan te gaan met een werkgever die niet behoort tot de bedrijfstak waarvoor de preVUT-regeling gold (zoals S@W), nu het blijkens de brief van de stichting wel wat toege-staan --ondanks de non-activiteitsregeling-- het dienstverband met het aannemingsbedrijf te continueren. Nu partijen die regeling niet hebben overgelegd noch aan deze vraag aandacht hebben besteed, zal de kantonrechter het bij deze vraagstelling laten.

6.

De gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot de opbouw van pensioenrechten zal eveneens worden afgewezen.

Vaststaat dat van een collectieve pensioenregeling geen sprake was en dat het pensioenregle-ment van Ananta B.V. alleen van toepassing was op de functie van technisch verkoopadviseur in welke functie [eiseres] blijkens haar eigen functiebeschrijving, kenbaar uit het door haar bij de processtukken gevoegde curriculum vitae, niet werkzaam was. Haar stelling dat zij wel als technisch verkoopadviseur werkzaam was is op geen enkele wijze onderbouwd en zal om die reden worden gepasseerd.

Dat sprake was van discriminatie in de door [eiseres] bedoelde zin --omdat zij op parttime basis werkzaam was-- is op geen enkele wijze onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Ook die stelling wordt gepasseerd.

7.

De gevorderde schadevergoeding wegens kosten van juridische bijstand zal eveneens worden afgewezen, nu de door [eiseres] ingestelde vordering tot ontbinding van de overeenkomst en de gevorderde verklaringen voor recht zullen worden afgewezen en niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een tekortkoming dan wel onrechtmatig handelen aan de zijde van Hemmink.

8.

[eiseres] zal als verliezende partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van Hemmink, welke kosten tot op heden worden begroot op € 650,00 voor salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 10 februari 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.