Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO2790

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
02-02-2004
Datum publicatie
02-02-2004
Zaaknummer
222626 vv 03-107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kantonzaak; kortgeding, Scania doorbetaling loon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E

sector kanton - locatie Zwolle

Zaaknr.: 222626 VV 03-107

Datum : 2 februari 2004

Vonnis van de kantonrechter te Zwolle in kort geding tussen:

de heer [X],

wonende te [woonplaats],

eisende partij, verder te noemen: "[X]",

gemachtigde mr. J.C. van der Horst, jurist bij FNV Ledenservice te Deventer,

tegen

de besloten vennootschap SCANIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te gevestigd te Zwolle,

gedaagde partij, verder te noemen: "Scania",

gemachtigde mw. mr. A.C. Beijderwellen-Wittekoek, advocaat te Zwolle.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het exploot d.d. 13 januari 2004 inhoudende een vordering tot een voorziening bij voorraad;

- de bij faxbericht van 13 januari 2004 door Scania toegezonden producties.

De mondelinge behandeling is gehouden op 19 januari 2004.

Verschenen zijn:

- namens Scania, mevrouw J. Kappers, adviseur personeelsdienst, vergezeld van mw. mr. Beijderwellen-Wittekoek voornoemd,

- [X], vergezeld van mr. Van der Horst voornoemd.

Het geschil

De vordering van [X] voor een voorlopige voorziening strekt - samengevat - tot wedertewerkstelling, een afgifte van een videoband, een en ander op straffe van een dwangsom, doorbetaling van salaris vanaf 18 november 2003 en betaling van wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten, onder veroordeling van Scania in de kosten van de procedure

Scania heeft de vorderingen bestreden en de afwijzing daarvan bepleit.

Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. [X], geboren op [datum], is op 7 maart 1988 bij Scania in dienst getreden. Zijn laatst uitgeoefende functie is "Allround monteur" tegen een salaris van € 1.745,74 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag.

b. Binnen Scania is in december 2001 gestart een traject "Respect voor elkaar" met als doel dat de medewerkers zich jegens elkaar en jegens Scania en vice versa respectvol gedragen. Over het verloop van dit traject zijn de medewerkers periodiek geïnformeerd door informatiebrochures en publicaties in de personeelskrant van Scania. Het traject is in augustus 2003 afgesloten door het aan alle medewerkers ter hand stellen van een gedragscode.

c. Binnen Scania worden met regelmaat video-opnamen gemaakt van het productieproces met als doel om, al dan niet behulp van derden/deskundigen, dat proces te optimaliseren / verbeteren.

d. Tijdens het maken van een video-opname medio oktober 2003 van de montage van een vrachtwagenbumper hebben een aantal medewerkers zogenaamde "gekke bekken getrokken". [X] heeft in de nabijheid van de videocamera zijn geslachtsdeel (deels) uit de broek gehaald en getoond, waarop de videocamera in zijn richting is gezwenkt en van [X] opnamen zijn gemaakt, waarbij is ingezoomd op zijn ontblote geslachtsdeel. De betreffende medewerkers hebben direct na de opname de beelden teruggezien.

e. Op 18 november 2003 heeft Scania, ter illustratie van het verloop van haar productieproces, de videoband getoond aan een groep bezoekers, waaronder een vertegenwoordiger van een Zweedse toeleverancier, die daarop onder meer [X] en zijn ontblote geslachtsdeel hebben waargenomen.

f. [X] heeft op 18 november 2003 jegens Scania erkend dat hij tijdens een video-opname zijn geslachtsdeel heeft ontbloot, waarna hij met onmiddellijke ingang is ontslagen.

g. [X] heeft bij brief van 21 november 2003 tegen dit ontslag geprotesteerd, de nietigheid daarvan ingeroepen, zich beschikbaar gesteld voor de bedongen arbeid en de doorbetaling van loon gevorderd.

Vordering

[X] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat het ontslag op staande voet nietig is omdat zich geen dringende reden heeft voorgedaan en omdat Scania niet beschikt over een geldige ontslagvergunning. Er is weliswaar sprake geweest van het op de werkvloer ontbloten van zijn geslachtsdeel doch dit levert gezien de omstandigheden waaronder hij dit heeft gedaan en gezien zijn vlekkeloze staat van dienst gedurende zestien jaar geen grond op voor een ontslag op staande voet. Daarbij dient bedacht te worden dat andere werknemers er met een waarschuwing vanaf gekomen zijn. Een eerdere waarschuwing is hem niet bekend.

Verweer

Scania heeft ten verwere gesteld dat zich wel een dringende reden heeft voorgedaan omdat [X], ondanks haar uitdrukkelijke en kenbare beleid om ongewenst gedrag tegen te gaan en eerdere waarschuwing, zich respectloos en onsmakelijk heeft gedragen. [X] is derhalve terecht op staande voet ontslagen.

De beoordeling

1.

De spoedeisendheid van de zaak is in voldoende mate komen vast te staan.

2.

Beoordeeld dient te worden of aannemelijk is te achten dat de dringende reden, die Scania aan het ontslag op 18 november 2003 aan [X] ten grondslag heeft gelegd, in een eventueel aan te spannen bodemprocedure stand zal houden. Die vraag beantwoordt de kantonrechter voorshands ontkennend.

3.1

Enerzijds staat vast dat [X] op de werkvloer zijn geslachtsdeel heeft getoond aan zijn collega's, waarvan één doende was met het maken van een video-opname met als doel - zo is onweersproken gesteld - om het verloop van het productieproces te kunnen laten bekijken door derden/deskundigen. Of het daarbij gaat om het tonen van zijn gehele geslachtsdeel of een deel daarvan, is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant.

3.2

Voorts is als onweersproken komen vast te staan dat dergelijke opnamen met regelmaat werden gemaakt. Gewettigd is dan ook de conclusie dat [X] wist althans behoorde te weten dat ook anderen dan hijzelf en zijn directe collega's kennis zouden kunnen nemen van de van hem opgenomen beelden. Bevestiging daarvoor kan overigens worden gevonden in de stelling van [X] zelve dat hij, direct na het terugzien van de juist gemaakte beelden, aan de collega die de opname had gemaakt, heeft gevraagd om die beelden te wissen. Daaruit kan tevens worden afgeleid dat [X] zich bewust was van de laakbaarheid van zijn handelen.

4.

Anderzijds geldt dat de door Scania aangevoerde, en door [X] bestreden, eerdere waarschuwing voor dergelijk gedrag voorshands niet aannemelijk is geworden. Indien juist is dat [X] eerder op de werkvloer zijn geslacht heeft getoond en/of in het bijzijn van anderen met zijn hand in zijn broek heeft gezeten en over zijn geslacht grappen heeft gemaakt, zoals Scania aanvoert, dan valt, gelet op het door haar gevoerde beleid, vooralsnog niet in te zien dat Scania daartegen niet fermer is opgetreden dan met een mondelinge reprimande, zoals zij stelt. Dit maakt dat het te maken verwijt op zichzelf moet worden beoordeeld.

5.1

Met betrekking tot het te maken verwijt geldt dat niet met voldoende zekerheid is komen vast te staan welke hiërarchische positie [[Y]] innam, waarvan [X] onweer-sproken heeft gesteld dat die bij het incident aanwezig was. Indien juist is dat [[Y]] als zijn leidinggevende moet worden aangemerkt, zoals [X] stelt, valt niet in te zien dat die niet direct heeft ingegrepen en [X] op zijn gedrag heeft aangesproken dan wel heeft doen aanspreken.

5.2

Voorts geldt dat de door [X] aangevoerde omstandigheid dat de bewuste video-band al vóór 18 november 2003 tijdens een interne werkbespreking aan andere werknemers is getoond niet al bij voorbaat onaannemelijk lijkt te zijn. Gelet op het doel waarvoor de bewuste opname is gemaakt, is het immers weinig aannemelijk dat de band in de periode van medio oktober 2003 tot 18 november 2003 niet al door anderen is bekeken.

5.3

Nu vast staat dat [X] eerst op 18 november 2003 is aangesproken, kan aldus niet met voldoende zekerheid worden bepaald dat Scania met de voor een dringende reden vereiste voortvarendheid heeft gehandeld.

6.

Nu derhalve voor het bestaan van een dringende reden nadere bewijslevering in de rede ligt, waarvoor in deze procedure, gelet op de aard daarvan, geen plaats is, en waarvoor de opdracht, naar moet worden ingeschat, bij Scania dient te worden gelegd, is het onvoldoende zeker dat de dringende reden in een bodemprocedure stand zal houden.

7.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de vordering tot doorbetaling van het loon zal worden toegewezen, alsmede de daarover gevorderde wettelijke rente. In de omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter voorshands geen aanleiding om een wettelijke verhoging toe te wijzen. Wellicht ten overvloede zij nog opgemerkt dat hetgeen wordt toegewezen tot voorschot strekt op hetgeen Scania in een eventuele hoofdzaak verschuldigd zal blijken.

8.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is toereikend komen vast te staan dat de verstandhouding tussen partijen zodanig ernstig en duurzaam is verstoord geraakt, dat een zinvolle en vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer tot de reële mogelijkheden moet worden geacht. De vordering tot tewerkstelling wordt daarom afgewezen.

Bovendien heeft de kantonrechter heden besloten dat de arbeidsovereenkomst op 15 februari 2004 zal eindigen indien Scania haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, voor het geval deze nog mocht blijken te bestaan, niet uiterlijk op 13 februari 2004 zal intrekken.

9.

De vordering tot het verstrekken van een videoband met daarop de volledige en authentieke opnamen van [X] als hiervoor bedoeld is niet toewijsbaar aangezien ter zitting is komen vast te staan dat Scania al een kopie van deze opnamen aan (de gemachtigde van) [X] heeft afgegeven.

10.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten is als onvoldoende weersproken toewijsbaar, met dien verstande dat het gevorderde bedrag van € 662,52 exclusief btw conform de door kantonrechter gehanteerde staffel voor dergelijke kosten dient te worden gematigd tot een bedrag van € 648,55. Dit bedrag is inclusief omzetbelasting.

11.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal Scania in de proceskosten te worden veroordeeld.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

- veroordeelt Scania tegen bewijs van kwijting aan [X] te betalen een bedrag van € 1.745,74 bruto per maand vanaf 18 november 2003 tot aan een rechtsgeldig einde van het dienstverband, te vermeerderen met de wettelijke rente over het respectieve verschuldigde maandelijkse bedrag vanaf de data van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt Scania tegen bewijs van kwijting aan [X] te betalen een bedrag van € 648,55 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 januari 2004 tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt Scania in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [X] vastgesteld op:

· € 360,00 voor salaris gemachtigde

· € 83,77 voor explootkosten

· € 162,00 voor vastrecht;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 2 februari 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.