Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO2663

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
26-01-2004
Datum publicatie
29-01-2004
Zaaknummer
91840 JZ RK 03-563
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing machtiging plaatsing in een gesloten inrichting als volstaan kan worden met een machtiging plaatsing in een voorziening voor verzorging en opvoeding; toepassing proportionaliteitsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector civiel recht

Kinderrechter.

Zaaknummer : 91840 JZ RK 03-563

Datum : 26 januari 2004

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

BUREAU JEUGDZORG OVERIJSSEL,

Sector Jeugd en Gezin,

gevestigd 8000 AN Zwolle,

Postbus 568, Rechterland 1,

vertegenwoordigd door I.P. de Jong,

hierna als de gezinsvoogdij-instelling aangeduid,

verzoekster,

en

1. [vader],

wonende [woonplaats],

[adres vader],

hierna als de vader aangeduid,

2. [moeder],

wonende [woonplaats],

[adres moeder],

hierna als de moeder aangeduid,

belanghebbenden.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De gezinsvoogdij-instelling heeft op 21 november 2003 onder bovenvermeld zaaknummer een verzoekschrift ingediend tot verlenging ondertoezichtstelling en tot verlenging machtiging uithuisplaatsing.

De kinderrechter heeft in deze zaak op 9 januari 2004 reeds een beschikking gegeven. In die beschikking is het volgende, voor zover thans van belang, bepaald:

"Verlengt de termijn van de ondertoezichtstelling van de minderjarige voornoemd met ingang van 10 januari 2004 tot 10 januari 2005. Handhaaft BUREAU JEUGDZORG OVERIJSSEL, Sector Jeugd en Gezin als gezinsvoogdij-instelling. Verlengt de machtiging van de gezinsvoogdij-instelling de minderjarige voornoemd met ingang van 10 januari 2004 tot 28 januari 2004 uit huis te plaatsen in een gesloten inrichting. Houdt iedere verdere beslissing aan."

Omdat machtiging is verzocht tot plaatsing van de minderjarige in een gesloten inrichting is op 18 december 2003 aan het bureau rechtsbijstandvoorziening bevolen een raadsman aan de minderjarige toe te voegen.

De kinderrechter heeft kennis genomen van:

- een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing;

- het hulpverleningsplan;

- een psychologisch onderzoek met de onderzoeksdata juli, september en oktober 2002;

- een observatieverslag van de Justitiële Jeugdinrichting Het Poortje d.d. 12 december 2003;

- enige door de vader op 8 januari 2004 overgelegde correspondentie tussen hem, de gezinsvoogdij-instelling en de minderjarige;

- een toevoeging en aanvulling op voornoemd verzoekschrift van de gezinsvoogdij-instelling opgesteld ten behoeve van de zitting van 26 januari 2004;

- een brief van Rijksinrichtingen voor Jongens Den Engh d.d. 22 januari 2004;

- een bijlage behorend bij voornoemde brief d.d. 23 januari 2004.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren op 26 januari 2004.

Verschenen zijn:

- de vader;

- de moeder;

- I.P. de Jong namens de gezinsvoogdij-instelling.

De hierna vermelde minderjarige, bijgestaan door mr. C.S.P.M. de Kock, raadsman te Zwolle, heeft gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid te worden gehoord.

Tevens heeft de heer van Doorn, maatschappelijk werker bij Den Engh, een verklaring afgelegd.

VASTSTAANDE FEITEN

Het minderjarig kind van de moeder en de vader is:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1988 in de gemeente [geboorteplaats].

De vader en de moeder zijn belast met het gezag.

De minderjarige verblijft elders.

Bij beschikking van 19 december 2002 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de minderjarige tot 10 januari 2004 onder toezicht gesteld van de gezinsvoogdij-instelling.

Tevens is bij die beschikking de gezinsvoogdij-instelling gemachtigd de minderjarige tot 10 januari 2004 uit huis te plaatsen in een voorziening voor crisisopvang gevolgd door een voorziening voor verzorging en opvoeding (trajectmachtiging).

Bij beschikking van 30 juni 2003 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de gezinsvoogdij-instelling gemachtigd de minderjarige tot 10 januari 2004 uit huis te plaatsen in een gesloten inrichting.

BEOORDELING VAN DE ZAAK

Thans dient nog beslist te worden op het verzoek van de gezinsvoogdij-instelling haar te machtigen [minderjarige] met ingang van 28 januari 2004 uit huis te plaatsen in een gesloten inrichting.

Tijdens de zitting voornoemd heeft de gezinsvoogdij-instelling subsidiair verzocht haar te machtigen [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor verzorging en opvoeding respectievelijke een trajectmachtiging aan haar af te geven.

Ter onderbouwing van haar verzoek verwijst de gezinsvoogdij-instelling naar de hiervoor genoemde stukken.

De raadsman van [minderjarige] voert aan dat uit de overgelegde stukken niet blijkt van ernstige gedragsproblemen, nog daargelaten dat niet gebleken is waarom niet met een machtiging voor een voorziening voor verzorging en opvoeding volstaan kan worden. Overigens heeft [minderjarige] moeite met de dagelijkse gang van zake in de locatie Ossendrecht.

Uit het gedetailleerde verslag voornoemd van de gezinsvoogdes blijkt dat het gedrag van [minderjarige] gedurende de eerste helft van 2003 steeds problematischer is geworden. De gezinsvoogdij-instelling is dan ook bij beschikking van 30 juni 2003 gemachtigd [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten inrichting. De gezinsvoogdij-instelling heeft van die machtiging gebruik gemaakt door [minderjarige] te plaatsen in het Poortje te Groningen. Uit het verslag van Het Poortje blijkt dat het gedrag van [minderjarige] tijdens zijn verblijf in Het Poortje is verbeterd. Tijdens deze periode is besloten [minderjarige] deel te laten nemen aan het zogenaamde Socio Groeps Strategie programma van Den Engh. Daarom is [minderjarige] op 13 januari jl. overgeplaatst van Het Poortje naar Den Engh, locatie Ossendrecht. In de brief van Den Engh voornoemd staat voor zover hier van belang het volgende vermeld:

"Gezien de voorgeschiedenis van [minderjarige] is de verwachting dat [minderjarige] op positieve wijze aansluiting zal vinden binnen het opvoedingstraject. [minderjarige] lijkt een groepsgerichte jongen die sportief is aangelegd en graag actief bezig wil zijn. [minderjarige] is in aanraking gekomen met een negatieve peergroup waar hij makkelijk door te beïnvloeden is. Middels het groepsgerichte programma zullen succeservaringen met leeftijdgenoten bijdragen aan het ontwikkelen van positieve beheersingspatronen en het creëren van meer eigenheid van [minderjarige]. Op deze wijze is de verwachting dat hij zich niet meer zo snel laat beïnvloeden op negatieve wijze. In dit kader adviseren wij dan ook [minderjarige] de machtiging gesloten uithuisplaatsing op te leggen/ te verlengen. Voor de locatie Ossendrecht zou een open machtiging uithuisplaatsing ook volstaan om het traject te kunnen volgen. Dit wordt door ons echter niet raadzaam geacht. Mocht [minderjarige] ooit nog ondersteuning nodig hebben op een andere locatie van Den Engh dan Ossendrecht, dan zijn de mogelijkheden hiervoor zeer beperkt, dan wel niet aanwezig als er geen sprake is van een machtiging gesloten uithuisplaatsing."

Naar het oordeel van de kinderrechter dient een op te leggen maatregel niet verder te strekken dan strikt noodzakelijk is (proportionaliteitsbeginsel). Een machtiging tot plaatsing van een minderjarige in een gesloten inrichting kan dan ook pas verleend worden als niet met een lichtere maatregel, zoals plaatsing in een voorziening voor verzorging en opvoeding, volstaan kan worden. Voor de locatie Ossendrecht is, zoals uit bovenvermelde brief van Den Engh kan worden afgeleid, een machtiging tot plaatsing in een gesloten inrichting niet vereist. Het verstrekken van een machtiging uithuisplaatsing in een gesloten inrichting, voor het geval zo'n machtiging vereist, respectievelijk gewenst is (stok achter de deur), is naar het oordeel van de kinderrechter geen wettelijk criterium om zo'n machtiging af te geven. Van de zijde van Den Engh is tijdens de zitting verklaard dat niet gebleken is dat [minderjarige] de neiging heeft getoond de locatie Ossendrecht te verlaten. Een en ander neemt niet weg dat de kinderrechter zich realiseert dat [minderjarige] thans moeite heeft met de dagelijkse gang van zake in de locatie Ossendrecht, hetgeen als risicofactor is aan te merken. Deze omstandigheid is naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende grond een machtiging tot plaatsing in een gesloten inrichting af te geven. Op grond van het vorenstaande en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, komt de kinderrechter tot de slotsom dat thans, mede gelet op het proportionaliteitsbeginsel, volstaan kan worden met een machtiging tot plaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor verzorging en opvoeding, zodat het primair door de gezinsvoogdij-instelling verzochte wordt afgewezen en het secundair verzochte voor toewijzing gereed ligt.

De kinderrechter wil betrokkenen er op wijzen dat, zodra daartoe aanleiding mocht zijn, op korte termijn een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing in een gesloten inrichting behandeld, en voor zover er voldaan is aan de wettelijke criteria, gehonoreerd kan worden.

Aan de plaatsing zijn kosten verbonden, in welke kosten de ouders dienen bij te dragen, conform het Besluit Justitiële Kinderbescherming en Vrijwillige Jeugdhulpverlening.

BESLISSING:

Verleent de gezinsvoogdij-instelling machtiging de minderjarige voornoemd uit huis te plaatsen in voorziening voor verzorging en opvoeding met ingang van 28 januari 2004 tot 10 januari 2005.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus gegeven door mr. W. Miltenburg, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

F.A. Paasman als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2004.

HOGER BEROEP

Mocht u, verzoeker of belanghebbende, zich niet met de beslissing van de kinderrechter kunnen verenigen, dan kunt u daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem. Hoger beroep dient binnen een bepaalde termijn te worden ingesteld, tenzij een ander dat al heeft gedaan. Die termijn is voor verzoeker en voor de belanghebbende, aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden, drie maanden na de datum van de uitspraak.

Voor het instellen van hoger beroep is tussenkomst van een procureur/advocaat verplicht.