Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AO2163

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
28-11-2003
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/1278
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder besloten dat de door de Hervormde Stichting Uitvaartverzorging Olst ingeschakelde koffiedames verplicht verzekerd zijn voor de sociale verzekerings-wetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 02/1278

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

Hervormde Stichting Uitvaartverzorging Olst, gevestigd te Olst, eiseres,

gemachtigde: J. ter Welle, fiscaal juridisch adviseur te Zwolle,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam (uitvoeringsinstelling: UWV Cadans), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 23 oktober 2002.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 15 januari 2001 heeft verweerder besloten dat de door eiseres ingeschakelde koffiedames verplicht verzekerd zijn voor de sociale verzekerings-wetten.

Tegen dit besluit is op 20 februari 2001 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Op 26 november 2002 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 24 januari 2003 een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 30 oktober 2003 ter zitting behandeld.

Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde, voornoemd.

Verweerder heeft zich, hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen, niet doen vertegenwoordigen.

3. Motivering

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder op goede gronden tot het besluit is gekomen dat de door eiseres ingeschakelde koffiedames verplicht verzekerd zijn in de zin van artikel 3 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Werkloosheidswet (WW), de Ziektewet (ZW) en de Ziekenfondswet (Zfw).

De rechtbank gaat bij de beantwoording van deze vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Naar aanleiding van een op 5 november 1997 bij eiseres gehouden looncontrole over de jaren 1992 tot en met 1996 heeft verweerder bij besluit van 25 november 1997 eiseres meegedeeld dat ten aanzien van de boekjaren 1992, 1993, 1994 en 1996 correcties dienen te worden toegepast aangezien in die jaren een aantal koffiedames in dienstbetrekking zijn geweest.

Namens eiseres is tegen dit besluit bezwaar aangetekend.

Op 27 januari 1998 heeft de belastingdienst een rapport uitgebracht waarin de belastingdienst tot de conclusie is gekomen dat het looncontrolerapport van verweerder geen aanleiding geeft tot correcties.

Bij besluit van 9 juni 1998 heeft verweerder het besluit van 25 november 1997 ingetrokken onder de overweging dat dit besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Verweerder achtte een nader onderzoek noodzakelijk.

Bij schrijven van 10 september 1999 heeft de toenmalige gemachtigde van eiseres verweerder verzocht de over de jaren 1997 en 1998 afgedragen premies te corrigeren.

Op 16 augustus 2000 is rapport uitgebracht door H. Kerseboom, intermediair. In dit rapport is, naar aanleiding van een gevoerd gesprek met de secretaris van eiseres, geconcludeerd dat er verzekeringsplicht bestaat ten aanzien van de koffiedames.

Dit is eiseres bij besluit van 15 januari 2001 meegedeeld.

In verband met de intrekking van het besluit van 25 november 1997 is, gelet op de vijfjaars-termijn, in het bestreden besluit bepaald dat de premienota’s over de jaren 1992, 1993 en 1994 gecrediteerd worden en is verzekeringsplicht aangenomen vanaf het jaar 1996.

Artikel 3, lid 1 van de WAO, de WW en de ZW bepaalt dat de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat, werknemer is in de zin van deze wetten.

Wil van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn dan dient aan de volgende voorwaarden te worden voldaan:

- er moet persoonlijke arbeid worden verricht,

- er moet loon worden betaald, en

- er moet een gezagsverhouding bestaan.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is het ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep niet zozeer beslissend hoe een arbeidsverhouding door de betrokkenen wordt gekwalificeerd, doch onder welke omstandigheden de werkzaamheden in feite worden verricht.

Blijkens de oprichtingsakte is eiseres opgericht met inachtneming van de Generale Regeling voor stichtingen als bedoeld in ordinantie 1-27-9 van de kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk, en heeft zij ten doel het verzorgen van uitvaarten in de ruimste zin.

Hiervoor maakt eiseres onder andere gebruik van koffiedames die tijdens condoleances koffie en thee serveren.

Verweerder is blijkens het bestreden besluit van oordeel dat er sprake is van het persoonlijk verrichten van de arbeid, omdat, indien één van de dames niet aanwezig kan zijn, dit tijdig aan eiseres gemeld dient te worden zodat een ander gevraagd kan worden of zij beschikbaar is. Het feit dat de uitvaartleider de mogelijkheid heeft om aanwijzingen te geven met betrekking tot de algemene gang van zaken, het aantal broodjes, de hoeveelheid koffie, en hoe en wanneer er geserveerd wordt, duidt volgens verweerder op de aanwezigheid van een gezagsverhouding.

In het verweerschrift is nog aangegeven dat de koffiedames voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen van € 6,81 of ƒ 15,-- per uur, hetgeen dient te worden beschouwd als loonbetaling.

De rechtbank is evenwel op basis van de feiten en omstandigheden welke uit de gedingstukken blijken tot de conclusie gekomen dat de arbeidsverhouding tussen eiseres enerzijds en de koffiedames anderzijds kan worden gekenschetst als een in essentie overwegend op het lidmaatschap van de Nederlandse Hervormde Kerk berustende en door gevoel voor gemeenschapszin bepaalde samenwerking, waaraan enig element van gezag ontbreekt.

De rechtbank heeft hierbij in het bijzonder van betekenis geacht dat de werkzaamheden van zeer eenvoudige aard zijn, zodat de koffiedames met betrekking tot de inhoud van de werkzaamheden vooraf niet geïnstrueerd behoeven te worden. De aanwijzingen beperken zich tot de mededeling omtrent plaats en tijdstip van de condoleance. De werkzaamheden zijn inhoudelijk vanzelfsprekend en vereisen geen enkele deskundigheid dan wel specifieke vaardigheid.

De rechtbank is eveneens van oordeel dat er, mede gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden, geen sprake is van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van deze werkzaamheden. Ook komt het de rechtbank alleszins aannemelijk voor dat het binnen een kerkelijke gemeenschap in een betrekkelijk kleine gemeente als Olst niet ongebruikelijk is dat voor het schenken van koffie en presenteren van broodjes bij condoleances en begrafenissen niet alleen leden van de kerk, die daartoe bereid zijn, maar bijvoorbeeld ook familie, vrienden en/of buren ingezet kunnen worden en, bij een plotseling tekort aan helpende handen, ook daadwerkelijk ingezet worden.

De rechtbank wijst ten slotte nog op enkele uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in kwesties welke een zekere gelijkenis vertonen met de onderhavige. Genoemd worden RSV 1994/170 en 171, RSV 1991/53, RSV 2001/67.

Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een gezagsverhouding en een verplichting tot het persoonlijk verrichten van de werkzaamheden dient de in de aanhef van deze rubriek opgeworpen vraag ontkennend beantwoord te worden. Het beroep van eiseres dient derhalve gegrond te worden verklaard, onder vernietiging van het bestreden besluit.

De rechtbank acht voldoende termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de kosten te veroordelen die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 218,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 644;

- wijst het UW aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt, te betalen aan eiseres.

Gewezen door mw. mr. J.J. Szauer-Bos en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2003 in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op