Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AO1065

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
31-12-2003
Datum publicatie
31-12-2003
Zaaknummer
75088 / HA ZA 02-384
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 217-218 Rv. Incidentele vordering tot tussenkomst. Hoewel reeds de conclusie van repliek is genomen, is de incidentele vordering niet tardief aangezien schriftelijk debat tussen partijen nog niet is geëindigd. Voorts oordeelt de rechtbank dat de partij die tussenkomst vordert, daar voldoende belang bij heeft. In navolging van HR 14 maart 2003, NJ 2003, 313, moet immers worden aangenomen dat van voldoende belang (ook) sprake is wanneer degene, die volgens de tussenkomst verzoekende partij zijn schuldenaar is, door een derde wordt aangesproken tot voldoening van de desbetreffende vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector civiel

Enkelvoudige handelskamer

Zaaknr/rolnr: 75088 / HA ZA 02-384

Uitspraak: 31 december 2003

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

de besloten vennootschap INTERPARTS MACHINES CORPORATION INVESTMENTS B.V. (IMC INVESTMENTS B.V.)

gevestigd te Ommen,

eiseres in het incident,

procureur mr. M.G.I.W. Teunis,

advocaat mr. M.G.F.A. Janssen te Assen,

en

[verweerder sub 1], h.o.d.n. [handelsnaam verweerder sub 1],

wonende te Emmen,

verweerder sub 1 in het incident. eiser in de hoofdzaak,

procureur mr. M.G.I.W. Teunis,

advocaat mr. M.G.F.A. Janssen te Assen,

1. [curator], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van INTERPARTS MACHINES CORPORATION B.V.,

wonende te Zwolle,

verweerder sub 2 in het incident, gedaagde sub 1 in de hoofdzaak,

procureur mr. W.F. van Zant,

advocaat mr. A.A.M. Spliet te Zutphen,

2. de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster sub 3 in het incident, gedaagde sub 2 in de hoofdzaak,

procureur mr. C. Borstlap,

advocaat mr. J.W. van Rijswijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als "IMC Investments BV" "[verweerder sub 1]", "de curator" en "de bank".

PROCESGANG

In deze zaak heeft de rechtbank laatstelijk op 20 augustus 2003 vonnis gewezen. Vervolgens zijn de volgende processtukken gewisseld:

- een incidentele conclusie tot tussenkomst van de zijde van IMC Investments BV;

- een conclusie van antwoord in het incident van de zijde van de bank

- een conclusie van antwoord in het incident van de zijde van de curator;

- een conclusie van antwoord in het incident van de zijde van [verweerder sub 1].

Partijen hebben vervolgens de rechtbank verzocht vonnis te wijzen in het incident.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

De vordering van IMC Investments BV strekt ertoe dat de rechtbank zal toestaan haar in de procedure met zaak-/rolnummer 75088/HA ZA 02-384 tussen te laten komen, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het incident.

Daartegen is door de bank verweer gevoerd met de conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van IMC Investments BV in haar incidentele vordering, althans tot afwijzing ervan, met verwijzing van IMC Investments BV in de kosten van deze procedure.

Door de curator is verweer gevoerd met de conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van IMC Investments BV in de incidentele vordering dan wel afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van IMC Investments BV in de kosten van het incident.

Door [verweerder sub 1] is verweer gevoerd met de conclusie tot referte.

MOTIVERING

1 In de hoofdzaak vordert [verweerder sub 1] - samengevat - schadevergoeding op de grond dat de curator en de bank ten onrechte een aantal goederen hebben verkocht waarvan [verweerder sub 1] rechthebbende was (en niet, zoals de bank en de curator veronderstelden, dat deze goederen in de boedel van het faillissement van Interparts Machines Corporation BV (verder IMC BV) vielen).

2 Aan de vordering tot tussenkomst heeft IMC Investments BV het navolgende ten grondslag gelegd:

1. bij conclusie van dupliek in de hoofdzaak heeft de bank zich onder andere verweerd met de stelling dat, zo al uit moet worden gegaan van de omstandigheid dat IMC BV geen rechthebbende was op deze goederen, dan IMC Investments BV en niet [verweerder sub 1] rechthebbende was op deze goederen, zodat [verweerder sub 1] geen schade heeft geleden;

2. de rechtbank heeft bij vonnis van 20 augustus 2003 [verweerder sub 1] in de gelegenheid gesteld, zich bij akte uit te laten over - samengevat - de rol die IMC Investments BV heeft gespeeld terzake de beweerdelijk ten onrechte verkochte goederen;

3. het moet bij deze stand van zaken voor mogelijk worden gehouden dat niet [verweerder sub 1] maar IMC Investments BV rechthebbende op de goederen is. Zij heeft dan ook "recht op de vordering dan wel een deel van de vordering" die [verweerder sub 1] in de hoofdzaak heeft ingesteld.

3 Samengevat hebben de bank en de curator zich op het navolgende standpunt gesteld.

1. De incidentele vordering is tardief ingesteld. Immers artikel 218 Rv bepaalt dat de vordering tot tussenkomst moet worden ingesteld vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in de hoofdzaak wordt genomen (in deze zaak derhalve laatstelijk op de roldatum waarop van dupliek is gediend).

2. IMC Investments BV heeft geen belang als bedoeld in artikel 217 Rv bij tussenkomst aangezien er geen benadeling of verlies van rechten of van een rechtspositie dreigt voor welk behoudt het nodig is dat IMC Investments BV in deze procedure tussenkomt. Ook indien van een ruimere opvatting van het begrip belang wordt uitgegaan, brengt dat niet mee dat IMC Investments BV toegestaan moet worden tussen te komen aangezien IMC Investments BV geen redelijk belang heeft bij tussenkomst de hoofdzaak. Daarbij komt dat de procedure door tussenkomst onnodig gecompliceerd zal worden en onnodige vertraging zal oplopen. Voorts heeft IMC Investments geen belang bij tussenkomst aangezien haar pretense vordering op de curator en de bank reeds verjaard is.

4 [verweerder sub 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tussenkomst niet te laat is ingesteld en dat IMC Investments BV voorts ook voldoende belang bij tussenkomst heeft.

5 De rechtbank oordeelt als volgt.

Ter zake het moment van instellen van de incidentele vordering

6 Artikel 218 Rv bepaalt dat een vordering tot tussenkomst dient te zijn ingesteld vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat bij de invoering van het nieuwe Burgerlijke rechtsvordering niet beoogd is de oude regeling te wijzigen. Onder vigeur van de oude regeling werd algemeen aangenomen dat een redelijke uitleg van artikel 285 Rv (oud) - waarbij de belangen van een goede procesvoering tot uitgangspunt worden genomen - meebrengt dat beslissend is de dienende dag waarop het schriftelijk debat tussen partijen is geëindigd (Rb. 's-Hertogenbosch 22 januari 1937, NJ 1938, 727 en ook Rb. Maastricht 14 januari 1932, NJ 1933, blz. 852). De rechtbank is van oordeel dat dit onder de nieuwe regeling niet anders dient te zijn.

Nu na het interlocutoire vonnis aan [verweerder sub 1] gelegenheid is gegeven een akte te nemen ter beantwoording van de in dat vonnis gestelde vragen en aan de bank en de curator voorts daarbij reeds gelegenheid is gegeven een antwoordakte te nemen, kan de conclusie niet anders zijn dan dat het schriftelijke debat tussen partijen ten tijde van het nemen van de incidentele conclusie (nog) niet was geëindigd, zodat deze incidentele conclusie niet te laat is ingediend. Het verweer van de bank en van de curator faalt derhalve.

Ter zake het belang van IMC Investments BV bij tussenkomst

7 Partijen zijn verdeeld over de vraag wat dient te worden verstaan onder het begrip "belang" zoals genoemd in artikel 217 Rv.

Bij de uitleg van het begrip "belang" neemt de Hoge Raad (laatstelijk HR 14 maart 2003, NJ 2003, 313) tot uitgangspunt dat de verzoekende partij een (voldoende) belang dient te hebben bij tussenkomst om benadeling of verlies van een hem toekomend recht te voorkomen. In overeenstemming met deze maatstaf moet - aldus bovengenoemd arrest - in de regel worden aangenomen dat een dergelijk belang óók aanwezig is wanneer degene, die volgens de tussenkomst vorderende partij zijn schuldenaar is, door een derde wordt aangesproken tot voldoening van de desbetreffende vordering.

Nu de curator en de bank door [verweerder sub 1] worden aangesproken ter voldoening van een vordering die IMC Investments BV op hen pretendeert te hebben, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken van een belang van IMC Investments BV bij tussenkomst. Omstandigheden die tot afwijking van deze maatstaf nopen zijn gesteld noch gebleken. Daarbij merkt de rechtbank op dat het verweer dat de vordering van IMC Investments BV verjaard zou zijn, een verweer betreft dat in de hoofdzaak aan de orde dient te komen.

Het verweer van de bank en de curator dat IMC Investments BV geen belang heeft bij haar incidentele vordering faalt derhalve.

Conclusie

8 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de incidentele vordering toewijzen. De beslissing omtrent de kosten zal worden aangehouden.

Verdere procedure

9 Het is van belang dat de procedure in de hoofdzaak en de procedure tussen IMC Investments BV en de curator en de bank synchroon verlopen. Om die reden zal de rechtbank de termijn voor het nemen van de aktes in de hoofdzaak en de conclusies van eis en antwoord betreffende de vordering van IMC Investments BV gelijk stellen. Nadat voor antwoord is geconcludeerd, zal een comparitie van partijen plaatsvinden waarin zowel de vordering van [verweerder sub 1] als die van IMC Investments BV besproken zal worden.

BESLISSING

De rechtbank:

In het incident

staat toe dat IMC Investments BV in de procedure met zaak-/rolnummer 75088/HA ZA 02-384 tussenkomt;

houdt een beslissing omtrent de kosten, gevallen op dit incident, aan tot de beslissing in de hoofdzaak;

In de hoofdzaak

De rechtbank verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 28 januari 2004 voor akte aan de zijde van [verweerder sub 1] en conclusie van eis van de zijde van IMC Investments BV, naar de rolzitting van woensdag 10 maart 2004 voor antwoordakte aan de zijde van de curator en de bank en conclusie van antwoord aan de zijde van [verweerder sub 1], de curator en de bank, en naar de rolzitting van woensdag 24 maart 2004 voor opgave verhinderdata door partijen. Deze termijnen kunnen zonodig op verzoek van partijen verlengd worden.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Hek en is uitgesproken op woensdag 31 december 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.