Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AO0995

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
23-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
219149 VV 03-102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

kantonzaak, huurrecht, ontruiming wegens overlast in kort geding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E

sector kanton - locatie Zwolle

Zaaknr.: 219149 VV 03-102

Datum : 23 december 2003

Vonnis van de kantonrechter te Zwolle in kort geding tussen

de stichting WONINGSTICHTING SWZ,

gevestigd te Zwolle,

eiser, verder te noemen: "SWZ",

gemachtigde mr. Y.K. van Dijk, advocaat te Zwolle,

tegen

de heer [GEDAAGDE],

wonende te [WOONPLAATS],

gedaagde, verder te noemen: "[gedaagde]",

gemachtigde mr. J.F. Smallenbroek, advocaat te Zwolle.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het exploot d.d. 9 december 2003 inhoudende een vordering tot een voorziening bij voorraad met aangehechte producties;

- de bij exploot van 9 december 2003 betekende brief van SWZ aan [gedaagde];

- de van de zijde van SWZ ter zitting overgelegde productie.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 december 2003.

Verschenen zijn namens SWZ, de heer [X], medewerker Sociaal Beheer, bijgestaan door mr. Van Dijk en [gedaagde], bijgestaan door mr. Smallenbroek.

Verschenen zijn voorts negen bewoners van de Xstraat, de wijkagent H. Bakker en de ouders van [gedaagde].

Het geschil

De vordering van SWZ strekt er toe dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de woning aan de Xstraat te [Woonplaats] te verlaten met de zijnen en al het zijne en al hetgeen daartoe behoort met afgifte der sleutels, met machtiging aan SWZ om die ontruiming, zo [gedaagde] daarmee in gebreke mocht zijn, te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

[gedaagde] heeft de vordering doen bestrijden en de afwijzing daarvan doen bepleiten.

Vaststaande feiten

In deze procedure zijn de volgende feiten voldoende komen vast te staan:

a. [gedaagde] huurt vanaf 4 maart 1994 van SWZ de woonruimte aan de Xstraat te [Woonplaats]. Het betreft een flat in een flatcomplex met zes flats per portiek/trappenhuis.

b. Artikel 14 van de tussen partijen geldende huurvoorwaarden verbiedt - samengevat - de huurder overlast of hinder te veroorzaken voor omwonenden.

c. [gedaagde] kampt met irreparabele geestelijke klachten, bij tijd en wijle leidende tot psychoses.

d. Over het gedrag van [gedaagde] zijn vanaf mei 1997 klachten van omwonenden bij de politie binnengekomen.

e. Op de avond van 16 juni 2003 is de politie op klachten van omwonenden, ter zake van het van de waslijn trekken van wasgoed van buren, schreeuwen en het vernielen van inboedel, bij de woning van [gedaagde] aangekomen. [gedaagde] heeft daarop naar terpentine/spiritus ruikende vloeistof in de woning verspreid en een aansteker getoond. Na komst van de brandweer heeft de politie [gedaagde] aangehouden. Na nader onderzoek is gebleken dat de verspreide vloeistof motorolie betrof die als zodanig niet direct ontvlambaar is.

f. Bij brief van 30 juni 2003 heeft SWZ [gedaagde] op zijn gedrag aangesproken, daarbij refererend aan een mislukte poging om met hem op 25 juni 2003 in persoonlijk gesprek te raken, en hem meegedeeld geen verder overlast te tolereren met het verzoek om contact met SWZ op te nemen.

g. Op 19 november 2003 is de politie op een melding dat [gedaagde] "door het lint ging en met een honkbalknuppel alles kort en klein sloeg" bij diens woning aangekomen. Ter plaatse hebben zij een kapotgeslagen honkbalknuppel aangetroffen en een buurtbewoner die aangaf door [gedaagde] bedreigd te zijn. De politie heeft daarop [gedaagde] in zijn woning aangehouden en daarbij geconstateerd dat er een gaslucht in de woning hing, dat alle gaspitjes open stonden, waarvan één brandend en dat de gaskachel tevens vol opengedraaid stond. De brandweer is ter plaatste gekomen die de hoofdkraan heeft dichtgedraaid en metingen heeft gedaan. [gedaagde] is vervolgens met een machtiging van de burgemeester in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis "Zwolsche Poort", waaruit hij eind november 2003 is ontslagen.

Vordering

SWZ legt aan haar vordering tot ontruiming ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van de op hem rustende verplichting uit de huurovereenkomst nu hij ernstige overlast en hinder (heeft) veroorzaakt en dat hij daarin ook na waarschuwing en dreiging met ontruiming geen verandering brengt. Nu [gedaagde] contact met SWZ uit de weg gaat, geen hulpverlening van Zwolsche Poort accepteert en hij kennelijk geen medicatie wenst te nemen, is er sprake van een uitzichtloze en escalerende situatie, zodat niet van SWZ, mede gelet op de klachten van omwonenden en de angst waarin zij verkeren, kan worden gevergd de bewoning door [gedaagde] te laten voortzetten.

Verweer

[gedaagde] betwist dat hij overlast veroorzaakt die zodanig ernstig is dat dit een ontruiming zou rechtvaardigen. Hetgeen in 1997 is voorgevallen mag niet gekoppeld worden met de incidenten in juni en november 2003 die overigens niet werkelijk gevaarzettend waren. Het feit dat de opname in de Zwolsche Poort zo snel is beëindigd, bevestigt dat. [gedaagde] wijst er daarbij op dat hij thans onder behandeling staat van mw. De Koning, psychiater, en dat zij hem medicatie voorschrijft, die hij ook inneemt. Nu de ernst van de verwijten niet vast staan en SWZ hem heeft overvallen met een dagvaarding tot ontruiming en hem niet eerder ernstig heeft gewaarschuwd, dient de vordering te worden afgewezen, aldus [gedaagde].

De beoordeling

1.

De spoedeisendheid van de zaak is, mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, in voldoende mate komen vast te staan.

2.

Vooropgesteld wordt dat voldoende is komen vast te staan dat [gedaagde] - in ieder geval - op 16 juni en op 19 november 2003 ernstige overlast voor zijn omwonenden heeft veroorzaakt, die, gelet op het verspreiden van een naar vluchtige brandstof ruikende vloeistof en het openzetten van gaskranen en het daarbij maken van open vuur, bezwaarlijk anders dan gevaarzettend en angstaanjagend kan worden geschetst. Dat er niet daadwerkelijk (uiteindelijk) sprake is geweest van brand en/of ontploffing maakt dat niet anders.

3.

Het voorgaande levert (ten minste) overlast op waarmee vast staat dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn contractuele verplichting om dit na te laten. Dit betekent dat [gedaagde] niet heeft gehandeld als een goed huurder betaamt en dat hij is tekort geschoten in de op hem rustende verplichtingen uit de huurovereenkomst. Het gegeven dat die overlast een gevolg moet worden geacht van de geestelijke problemen waarmee [gedaagde] kampt, brengt daarin geen verandering. Daaraan dient te worden toegevoegd dat, voor zover [gedaagde] met een beroep op zijn geestelijke gesteldheid betoogt dat overlast/tekortkomingen aan zijn kant niet toerekenbaar zijn, de vereiste van toerekenbaarheid van een tekortkoming niet geldt voor een ontbinding en zo evenmin voor een ontruiming.

4.

Bij de vraag of op grond van voormelde toerekenbare tekortkoming, bij wege van voorlopige voorziening in kort geding, een vordering tot een zeer ingrijpende maatregel als ontruiming kan worden toegewezen, dient - gelet op de waarborgen waarmee de wet de rechten van huurders van woonruimte bekleedt - grote terughoudendheid te worden betracht. Voor toewijzing van een dergelijke vordering zal dan ook slechts plaats zijn indien deze vooruit loopt op een vonnis in een bodemprocedure waarbij met grote mate van waarschijnlijkheid eveneens de ontruiming zal worden bevolen, terwijl bovendien sprake moet zijn van een zodanig ernstige tekortkoming dat de beslissing in de bodemzaak niet kan worden afgewacht.

5.

Allereerst is van belang dat de kantonrechter onvoldoende reden heeft om aan te nemen dat thans feitelijk sprake is van een behandeling van [gedaagde] door een psychiater, nu hij ter zitting heeft erkend dat er na beëindiging van de gedwongen opname per 19 november 2003 geen contact meer is geweest met een/zijn psychiater en hij evenmin een vervolgafspraak heeft. Dat [gedaagde] thans - ter regulering van zijn geestelijke gesteldheid en zijn gedrag - weer medicatie neemt, zoals [gedaagde] aanvoert, is door SWZ, met een beroep op door haar van de Zwolsche Poort verkregen informatie, gemotiveerd bestreden. [gedaagde] heeft het nemen van medicatie verder niet onderbouwd. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter onvoldoende vertrouwen dat incidenten als hiervoor genoemd verder uitgesloten kunnen worden geacht.

Voorts geldt dat [gedaagde] bij brief van 30 juni 2003 is gewaarschuwd voor de (mogelijke) gevolgen van de door zijn optreden veroorzaakte overlast. Tevens is voldoende aannemelijk dat [gedaagde] ieder overleg met SWZ en/of hulpverleners uit de weg gaat en hij niet, althans te weinig, onderkent welk effect zijn gedrag op zijn (woon)omgeving heeft. Daarmee moet worden aangenomen dat er geen normale communicatie tussen SWZ en [gedaagde] (meer) mogelijk is, zodat voorshands niet te verwachten is dat het (woon)gedrag van [gedaagde] nog door SWZ corrigeerbaar is.

6.

Het voorgaande maakt dat het door [gedaagde] aangehaalde belang bij voorzetting van de bewoning van onvoldoende gewicht is tegenover het gerechtvaardigde belang van SWZ om een in redelijkheid te vrezen aantasting van haar bezit, van de betreffende buurt en van het (door haar te verschaffen) woongenot van haar andere huurders tevens omwonenden van [gedaagde], tegen te gaan en daaraan in voorkomende gevallen consequenties te verbinden, ook indien dat ontruiming uit het door haar verhuurde zou inhouden.

7.

In dit geval is dan ook naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat in een bodemzaak (tevens) de ontruiming zal worden bevolen. Voorts kan, gezien het gebleken gevaarzettende gedrag van [gedaagde] en de risico's waaraan zijn omwonenden alsmede SWZ zijn blootgesteld, waarvan vooralsnog niet valt in te zien dat zij die risico's behoren te accepteren, niet worden gesteld dat een beslissing in de hoofdzaak kan worden afgewacht. Een vordering tot ontruiming komt onder die omstandigheden in beginsel dan ook voor toewijzing in aanmerking.

8.

De slotsom is dat thans (in voldoende mate) is komen vast te staan dat in een bodemprocedure zal standhouden de stelling van SWZ dat wegens huurderswangedrag van [gedaagde] aan de huurovereenkomst een einde dient te komen. Dit betekent dat, nu het voor een voorlopige voorziening als gevorderd noodzakelijke vooruitzicht bestaat op een voor SWZ positieve uitkomst van een procedure ten gronde, de gevorderde voorziening toewijsbaar is, met dien verstande dat SWZ laatstgenoemde procedure onverwijld dient aan te spannen.

9.

Gegeven de omstandigheden van het geval, met name de moeilijkheden die [gedaagde] naar het zich laat aanzien zal ondervinden bij het op korte termijn vinden van andere woonruimte, zal hem een ruimere tijd worden gegund dan gevorderd om het gehuurde te ontruimen. De verwachting van SWZ dat [gedaagde] wederom een brandgevaarlijke situatie zal creëren en aldus een ontruiming niet op een zodanige termijn kan worden afgewacht, maakt dat niet anders nu niet valt in te zien dat in een voorkomend geval tijdens bedoelde termijn niet zou kunnen worden ingegrepen op basis van de Bopz, waarop SWZ via bijvoorbeeld de politie de burgemeester en/of de officier van justitie opmerkzaam kan maken.

10.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft derhalve geen bespreking.

11.

[gedaagde] zal in de kosten van deze procedure worden verwezen.

De beslissing in voorlopige voorziening

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] om binnen drie weken na betekening van dit vonnis genoemde woonruimte aan de Xstraat te [woonplaats], te ontruimen en te verlaten en onder afgifte der sleutels ter vrije beschikking van SWZ te stellen;

- machtigt SWZ om, indien [gedaagde] met die bevolen ontruiming in gebreke zou blijven, deze zelf te doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm;

- gelast SWZ om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] aan hem uit te brengen een dagvaarding voor een procedure ten gronde omtrent een ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van SWZ begroot op:

· € 360,00 voor salaris gemachtigde

· € 81,16 voor explootkosten

· € 232,00 voor vastrecht;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 23 december 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.