Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AO0043

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/352 ABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiseres meegedeeld dat geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) in verband met het feit dat zij beschikt over een vermogen ad € 35.800,00 (de waarde van een huis in Marokko). Daarnaast is meegedeeld dat een boete ad € 45,00 wordt opgelegd omdat eiseres het bezit van de woning niet heeft gemeld. Kon eiseres beschikken over de woning?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 03/352 ABW

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiseres,

wonende te [woonplaats]

eiseres,

gemachtigde: mr. L.E. Nijk, Bureau voor Rechtshulp Zwolle

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zwolle, gevestigd te Zwolle, verweerder,

gemachtigde: A. van der Brug.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 25 maart 2003

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit d.d. 2 september 2002 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij ingaande 1 september 2002 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) in verband met het feit dat zij beschikt over een vermogen ad € 35.800,00 (de waarde van een huis in Marokko), zij het dat haar uitkering wordt voortgezet tot zij over dit vermogen kan beschikken doch uiterlijk tot 1 december 2002, waarna het bedrag van de voortgezette uitkering zal worden teruggevorderd. Daarnaast is meegedeeld dat een boete ad € 45,00 wordt opgelegd omdat eiseres het bezit van de woning niet heeft gemeld.

Namens eiseres is op 10 september 2002 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden zijn bij schrijven d.d. 25 oktober 2002 aan verweerder kenbaar gemaakt.

Op 26 september 2002 heeft een hoorzitting naar aanleiding van het bezwaar plaatsgevonden, alwaar onder meer eiseres, haar gemachtigde en haar dochter mw. [dochter] is verschenen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder besloten om aan eiseres de uitkering in de vorm van leenbijstand vanaf 1 september 2002 voort te zetten tot uiterlijk 3 maanden na het bestreden besluit.

Tegen dit besluit is op 21 maart 2003 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft op 23 april 2003 een verweerschrift ingezonden.

Bij faxbericht d.d. 22 mei 2003 heeft de gemachtigde van eiseres nog een aantal stukken betreffende de gezondheidstoestand van eiseres, een verzoek tot onder bewindstelling en de verblijfsstatus van mw. [dochter] alsmede een (vertaling van een) E-mailbericht van een der in Marokko wonende zonen van eiseres d.d. 3 maart 2003 ingezonden.

Op 26 mei 2003 is een namens eiseres gedaan verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ter zitting behandeld door de voorzieningenrechter. Diezelfde dag is mondeling uitspraak gedaan, welke uitspraak toewijzing van het verzoek behelst in die zin dat is bepaald dat aan verzoekster de leenbijstand dient te worden gecontinueerd tot de datum waarop in de bodemprocedure uitspraak zal zijn gedaan. Als motivering is overwogen dat verzoekster –thans eiseres- op dat moment niet over het vermogen kon beschikken en twijfel/onduidelijkheid bestond inzake de rechtmatigheid van het besluit.

Bij schrijven d.d. 17 september 2003 heeft verweerder een brief van Bureau Buitenland d.d. 15 september 2003 met als bijlage een schrijven d.d. 28 augustus 2003 van de attaché voor sociale zaken van de ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden in Rabat ingezonden, alsmede enige in het Frans gestelde stukken, die door de gemachtigde van eiseres aan verweerder ter hand zijn gesteld.

Bij schrijven d.d. 14 november 2003 heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank nog kopieën doen toekomen van een tweetal beschikkingen d.dis 4 augustus 2003 van de rechtbank te Zwolle, sector kanton, betreffende verzoeken tot benoeming van mw. [dochter] als mentor respectievelijk bewindvoerder.

Vervolgens is het geschil behandeld ter zitting van de rechtbank op 27 november 2003.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mw. [dochter] en een tolk mw. M. Lakhloufi.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. van der Brug.

3. Motivering

Reeds in bezwaar is niet geprotesteerd tegen de aan eiseres opgelegde boete.

Het geschil beperkt zich dan ook tot de vraag of verweerder terecht de uitkering van eiseres heeft beëindigd per 1 september 2002 en of verweerder terecht het verstrekken van leenbijstand heeft beperkt tot de periode welke uiterlijk zou eindigen op 11 mei 2003 (zijnde 3 maanden na de datum waarop het bestreden besluit is genomen).

Bij de beantwoording van deze vragen gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden

Eiseres, geboren in 1928, ontvangt bijstand sedert 15 september 1992 naar de norm van een alleenstaande, sedert 1 januari 1993 onder aftrek van haar AOW-uitkering ad € 70,00 netto per maand. Zij heeft in 2000 een (tweede) CVA doorgemaakt, als gevolg waarvan zij zelf niet voldoende in staat is om haar zaken te regelen. Haar dochter mw. [dochter] is in verband met haar moeders ziekte overgekomen uit Marokko en verzorgt haar moeder sedertdien.

Na een anonieme melding is een onderzoek verricht door de sociale recherche, hetgeen heeft geresulteerd in een rapport d.d. 19 augustus 2002. Uit dit rapport blijkt dat in maart 2002 een omgevingsonderzoek via de Nederlandse Ambassade in Rabat heeft plaatsgevonden rondom het adres [adres] in het stadsdeel […] in Sale alsmede, samen met de Marokkaanse autoriteiten, een bezoek is gebracht aan het plaatselijke kadaster en conservation foncière. Vastgesteld is dat het pand op genoemd adres eigendom is van eiseres. Daarnaast heeft een taxatie van de waarde van het pand plaatsgevonden door de door de Marokkaanse autoriteiten erkende onroerend goeddeskundige en taxateur Mohammed Maarrouf, welke taxatie is uitgekomen op een waarde van 358.000,00 Dirham, het equivalent van ongeveer € 35.800,00.

Het voor eiseres vrij te laten vermogen bedroeg destijds € 4820,00.

De kinderen van eiseres in Marokko hebben in maart 2003 te kennen gegeven dat zij niet instemmen met de benoeming van hun in Nederland verblijvende zuster als bewindvoerder voor haar moeder omdat zij niet de oudste is.

De kinderen wijzen zowel verkoop als het aangaan van een hypothecaire lening af.

Nader contact tussen de gemachtigde van eiseres en haar oudste zoon, heeft geleerd dat het huis wordt bewoond door één van de zoons van eiseres en dat, hoewel het huis op naam van eiseres staat, de familie het huis beschouwt als eigendom van de hele familie. De zoon betaalt geen huur.

De rechtbank, sector kanton, te Zwolle heeft bij beschikking d.d. 4 augustus 2003 mw. [dochter] benoemd als mentor voor haar moeder, doch bij beschikking van dezelfde datum is het op 25 november 2002 gedane verzoek tot benoeming als bewindvoerder van genoemde dochter afgewezen en is overwogen dat benoeming als zodanig van één der in Marokko wonende kinderen is aangewezen.

Beoordeling

In het beroepschrift is in de eerste plaats gesteld, dat geen sprake is van vermogen in de zin van artikel 51 Abw aangezien eiseres niet over de waarde van de woning beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Subsidiair is gesteld dat tegeldemaking van de woning niet binnen de door verweerder gestelde termijn mogelijk is.

Verweerder heeft in het verweerschrift daar tegenover gesteld, dat in het algemeen kan worden gesteld dat de eigenaar van een huis het in zijn macht heeft het huis te gelde te maken. In verband met de gezondheidstoestand van eiseres is verweerder van oordeel dat dit niet kon in de in eerste instantie gegeven termijn van 3 maanden, maar dat dit wel mogelijk zou moeten zijn in de termijn van 7,5 maand sedert de beëindiging van haar uitkering (ingevolge artikel 7 Abw), die aan eiseres is gegund bij het bestreden besluit. Verweerder is van oordeel dat niet voortvarend te werk is gegaan, nu pas op 22 november 2002 een verzoek om onder bewindstelling is gedaan.

Voor de beoordeling zijn de volgende bepalingen van belang.

Artikel 7, eerste lid van de Abw bepaalt dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te raken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Artikel 51 Abw luidt: “Onder vermogen wordt verstaan: de waarde van bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandsverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden”.

Artikel 42 Abw luidt, voorzover van belang: “Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken”.

Artikel 24 Abw bepaalt dat bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

De rechtbank stelt vast dat niet is weersproken dat eiseres de juridische eigenaar is van het hiervoor genoemde pand in Marokko. Dat betekent dat zij, juridisch gezien, in elk geval redelijkerwijs over dat huis kan beschikken. Een eventueel medisch onvermogen aan de kant van eiseres om het huis te verkopen of te verhypothekeren of een gebrek aan medewerking van potentiële bewindvoerders om dat te doen, maakt dat niet anders.

Nu de waarde van dat huis het vrij te laten vermogen verre overschrijdt, heeft verweerder terecht op grond van het bepaalde in artikel 7 juncto artikel 51 Abw geconcludeerd dat eiseres geen recht heeft op bijstand.

Door de gezondheidstoestand van eiseres en de onwilligheid van haar zoons tot dusverre, heeft zij echter het geld nog niet feitelijk in handen gekregen.

Voor de feitelijke beschikking is nodig dat het huis in Marokko zo niet verkocht dan toch in elk geval verhypothekeerd wordt (of, indien dat voldoende zou zijn, van de zoon die daar woont, verlangd wordt dat hij huur gaat betalen aan zijn moeder).

Voor situaties, waarin is te voorzien dat op korte termijn de middelen ook feitelijk beschikbaar komen, biedt artikel 24 Abw de mogelijkheid om leenbijstand te verstrekken.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat op 11 mei 2003 niet (meer) kon worden aangenomen dat eiseres door verkoping of bezwaring van de woning op korte termijn over het daarin vervatte vermogen zou kunnen beschikken.

Dit betekent dat verweerder terecht het verstrekken van uitkering in de vorm van leenbijstand heeft beperkt tot een periode tot uiterlijk deze datum.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Er is voorts geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mw. mr. M.I. Lammertsma-van der Heij, voorzitter, en mr H.C. Moorman en mw. mr. J.J. Szauer-Bos, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2003 in tegenwoordigheid van H.C. Koopmans als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op: