Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AN9625

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
08-12-2003
Zaaknummer
195507 CV 03-1832
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kantonzaak, arbeidszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E

sector kanton - locatie Lelystad

Zaaknr.: 195507 CV 03-1832

datum : 3 december 2003

Vonnis in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: mr. K.D. Regter, advocaat te Lelystad,

tegen

[gedaagde],

gevestigd te Lelystad,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P. de Haan, advocaat te Almere.

Partijen worden verder [eiser] en het [gedaagde] genoemd.

De procedure

In deze zaak is op 3 september 2003 een tussenvonnis uitgesproken. Ingevolge dit tussenvonnis heeft op 4 november 2003 een comparitie van partijen plaatsgevonden voor het geven van nadere inlichtingen alsmede voor het onderzoeken van een minnelijke regeling. Partijen zijn verschenen. Het treffen van een minnelijke regeling is niet mogelijk gebleken. De zaak is verwezen naar de rol voor vonnis.

De verdere beoordeling van het geschil

1

De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 3 september 2003.

2

Tijdens de plaatsgevonden comparitie is komen vast te staan dat [eiser] direct voorafgaand aan haar indiensttreding bij het [gedaagde] zowel bij Randstad Uitzendbureau als bij het Allochtonen Steunpunt Flevoland (ASF) werkzaam is geweest. Voorts is komen vast te staan dat [eiser] in de periode 1993 tot 1995 bij diverse basisscholen waaronder de basisschool Maharishi te Lelystad, heeft gewerkt als invalkracht. Tenslotte is komen vast te staan dat zij geruime tijd als stewardess heeft gewerkt. Het [gedaagde] heeft bij de inschaling van [eiser] het salaris dat zij als invalkracht bij de basisschool Maharishi heeft verdiend als uitgangspunt genomen en haar overeenkomstig het gestelde in artikel I-13 e.v. van de CAO-BVE 1996-1998, hierna te noemen de CAO, ingeschaald. [eiser] heeft gesteld dat haar inschaling per de datum van indiensttreding aan de hand van haar salaris bij ASF had moeten plaatsvinden, dat wil zeggen uitgaande van artikel I-25 van de CAO.

3

De artikelen I-13 tot en met artikel I-18 van de CAO geven aan op welke wijze vaststelling van het maandsalaris dient plaats te vinden bij een indiensttreding bij het [gedaagde] na voorafgaande onderwijsfunctie(s). Artikel I-13 bepaalt dat voor de werknemer die reeds in een periode van een jaar vanaf het moment van benoeming in één of meer onderwijsfuncties gedurende 60 werkdagen danwel gedurende tenminste 40 weken benoemd is geweest, de vaststelling van het maandsalaris in een nieuwe functie plaatsvindt op de wijze als is aangegeven in de artikelen I-14 tot en met I-18 van de CAO. Dit betekent dat het salaris in de vorige onderwijsfunctie uitgangspunt is. Uit deze artikelen volgt voorts dat de voorafgaande onderwijsfunctie niet direct voorafgaand aan de indiensttreding bij het [gedaagde] behoeft te zijn vervuld. In artikel I-25 van de CAO wordt de wijze van vaststelling van het maandsalaris aangegeven bij een indiensttreding in aansluiting op een betrekking buiten het onderwijs. Dit artikel bepaalt dat het maandsalaris van de werknemer die een inkomen geniet of heeft genoten voor werkzaamheden buiten het onderwijs, al dan niet in een dienstbetrekking, wordt vastgesteld op een bedrag dat ten hoogste één periodieke verhoging hoger is dan het laatstgenoten salaris indien voor de onderwijsfunctie relevante ervaring is opgedaan.

4

In de CAO wordt niet aangegeven op welke wijze inschaling moet plaatsvinden indien een werknemer, zoals in het geval van [eiser], zowel een voorafgaande onderwijsfunctie als een betrekking buiten het onderwijs heeft vervuld. De kantonrechter maakt hieruit op dat in dat geval de wijze van inschaling aan de beoordelingsvrijheid van het [gedaagde] is overgelaten mits daarbij de door de CAO gegeven grenzen in acht worden genomen. Tijdens de comparitie is door het [gedaagde] toegelicht dat zij artikel I-25 van de CAO uitsluitend toepast indien sprake is van een zogenaamde zij-instromer, dat wil zeggen een werknemer die specifieke beroepservaring heeft die is opgedaan buiten de onderwijssector. Het [gedaagde] heeft daarbij een kapper die in dienst treedt ten behoeve van de door het [gedaagde] gegeven kappersopleiding, als voorbeeld genoemd. Indien deze zij-instromer naar het oordeel van het [gedaagde], tevens in relevante mate beschikt over onderwijservaring, wordt er ingevolge het gestelde in artikel I-25 van de CAO één extra periodieke verhoging toegekend. Uit deze door het [gedaagde] gegeven toelichting maakt de kantonrechter op dat met het criterium "laatstgenoten salaris" in artikel I-25 van de CAO is beoogd om personeel uit andere bedrijfstakken dan het onderwijs te rekruteren alwaar de salariëring op een hoger niveau is gelegen dan in het onderwijs. Algemeen bekend is immers dat de behoefte in de onderwijssector aan personeel uit de beroepspraktijk groot is maar dat de salariëring in deze sector vaak een struikelblok vormt om de overstap naar het onderwijs te maken. Zou derhalve geen rekening worden gehouden met het laatstgenoten salaris dan zou moeten worden gevreesd dat bepaalde geschikte werknemers niet bereid zouden zijn vanuit een vorige functie over te stappen naar het onderwijs. In het geval van [eiser] is daarvan geenszins sprake geweest. De kantonrechter is gebleken dat de door [eiser] buiten het onderwijs opgedane ervaring bij ASF geen relatie had met een bepaald beroep waarin door het [gedaagde] opleidingen worden verzorgd. Dit laatste geldt eveneens voor de door haar opgedane ervaring als stewardess. [eiser] heeft overigens zelf aangegeven dat zij enkel om reden dat zij meer uren wilde gaan werken, heeft gesolliciteerd bij het [gedaagde]. Naar het oordeel van de kantonrechter betekent het voorgaande dat het [gedaagde] met inachtneming van de grenzen van de CAO en in alle redelijkheid, het besluit heeft kunnen nemen om [eiser] in te schalen aan de hand van haar salaris dat zij in een voorafgaande onderwijsfunctie bij de basisschool Maharishi had genoten. De slotsom is dan ook dat de vordering van [eiser] dient te worden afgewezen.

5

[eiser] dient als de overwegend in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding. Deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van het [gedaagde] gevallen, bepaald op € 975,-- voor salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter, en uitgesproken in het openbaar op woensdag 3 december 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.