Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AN8476

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
19-11-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
07.630014-03
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2004:AS8558
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar aanleiding van een fatale schietpartij op de Nieuwe Markt te Zwolle op 29 januari 2003 is door de officier van justitie gevorderd dat de verdachte terzake doodslag wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 jaar.

De rechtbank is tot een bewezenverklaring van moord en verwerping van het beroep op psychische overmacht en putatief noodweer gekomen en heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 14 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Meervoudige strafkamer

Parketnummer:

07.630014-03

Uitspraak: 19 november 2003

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

naam verdachte,

geboren op,

thans verblijvende (naam huis van bewaring).

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 en 6 november 2003. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.H. Doedens, advocaat te Utrecht.

De officier van justitie, mr. M.S. Kappeyne van de Coppello heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder subsidiair ten laste gelegde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij (naam benadeelde partij) tot een bedrag van € 1.616,00 met oplegging daarnaast van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, subsidiair 30 dagen hechtenis;

- niet-ontvankelijk verklaring van diens vordering voor wat betreft het meer of anders gevorderde;

- verwijzing in de kosten van rechtsbijstand tot op heden begroot op € 64.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De rechtbank acht gelet op het hierna volgende wettig en overtuigen bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank overweegt het volgende:

Uit de inhoud van het onderliggende dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte, vanuit Kampen is vertrokken naar de Nieuwe Markt in Zwolle met de bedoeling om, naar verdachte zelf zegt, (naam slachtoffer) te spreken. Daarbij heeft verdachte, blijkens zijn eigen verklaring, een reeds geladen vuurwapen, een Glock 9 mm meegenomen. Verdachte was met deze (naam slachtoffer), naar verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, op voet van oorlog. Naar zijn eigen zeggen was verdachte op de hoogte van de mogelijke verblijfplaatsen van (naam slachtoffer), namelijk in bepaalde cafés in de omgeving van de Nieuwe Markt te Zwolle en is verdachte hem op de avond van 29 januari 2003 daar ook gaan opzoeken.

Nadat verdachte zijn auto had geparkeerd op een aan de Nieuwe Markt gelegen parkeerplaats en - met het vuurwapen aan de voorzijde achter zijn broeksband gestopt - was uitgestapt, is het op enig moment tot een confrontatie met (naam slachtoffer) gekomen. Verdachte stelt dat er vervolgens een woordenwisseling is ontstaan met (naam slachtoffer) waarbij, zo is voorts gebleken, verdachte en (naam slachtoffer) op een korte afstand van elkaar stonden. Uit de inhoud van het dossier, waaronder met name diverse getuigenverklaringen en het verhandelde ter terechtzitting, is komen vast te staan dat verdachte meerdere malen gericht en van een korte afstand met voornoemd vuurwapen op het slachtoffer heeft geschoten. De bewering van verdachte dat het slachtoffer een beweging zou hebben gemaakt alsof hij een (vuur)wapen wilde trekken is naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele wijze op basis van de stukken en de getuigenverklaringen aannemelijk geworden. Wel is komen vast te staan dat het slachtoffer op dat moment niet over een vuurwapen, dan wel enig ander wapen beschikte.

Uit het technisch onderzoek is gebleken dat het wegdek onder en naast het slachtoffer verse beschadigingen vertoonde welke waarschijnlijk het gevolg waren van afgeschoten kogels uit het vuurwapen van verdachte. Voorts is uit verschillende getuigenverklaringen gebleken dat verdachte gericht naar beneden heeft geschoten in de richting van het slachtoffer alsmede dat verdachte heeft geschoten ook nadat het slachtoffer reeds op de grond was gevallen. Uit de verklaring zoals deze ter terechtzitting is afgelegd door wapendeskundige (naam wapendeskundige) is gebleken dat, teneinde een semi-automatisch wapen meerdere malen te kunnen afvuren, daartoe ook evenzoveel malen de trekker moet worden overgehaald door de schutter. Ten aanzien van de werking van het door de verdachte gehanteerde vuurwapen acht de rechtbank het van betekenis dat, zoals voornoemde deskundige ter terechtzitting heeft verklaard en gedemonstreerd, het bij dit merk en type vuurwapen (semi-automatisch vuurwapen, merk Glock) gaat om een bijzonder vuurwapen waarbij achtereenvolgens een aantal specifieke handelingen dient te worden verricht om daarmee daadwerkelijk te kunnen schieten.

Blijkens de inhoud van het dossier hebben diverse getuigen verklaard dat zij meerdere (ongeveer vijf tot acht) afzonderlijke knallen hebben gehoord, gevolgd door een korte interval, waarna minimaal nog een tweetal schoten is gehoord.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verdachte op de Nieuwe Markt direct is bedreigd door het slachtoffer. Voorts is komen vast te staan dat verdachte op korte afstand meerdere malen en gericht heeft geschoten op (naam slachtoffer) en na een korte interval opnieuw een aantal schoten heeft gelost nadat het slachtoffer reeds op de grond lag. Hoewel, zoals gezegd, het slachtoffer op enig moment weerloos op de grond lag, heeft dit verdachte er niet van weerhouden om nogmaals gericht meerdere keren te schieten op (naam slachtoffer). Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat er een moment is geweest van kalm beraad en rustig overleg waarin verdachte de gelegenheid heeft gehad zich rekenschap te geven van de gevolgen van zijn voorgenomen handelen.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Moord,

strafbaar gesteld bij 289 van het Wetboek van Strafrecht.

STRAFBAARHEID DADER

Zijdens de verdediging is onder meer aangevoerd dat verdachte zou hebben gehandeld in een situatie van psychische overmacht dan wel putatief noodweer en dientengevolge moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat verdachte in de jaren voorafgaand aan het plaatsvinden van het onderhavige strafbare feit in toenemende mate te maken heeft gekregen met bedreigingen afkomstig van het slachtoffer en kringen rondom hem. Dientengevolge zou verdachte geen andere uitweg hebben gezien dan op de bewuste avond, bewapend met een vuurwapen, de confrontatie met het slachtoffer aan te gaan. Verdachte zou voornemens zijn geweest om de tussen hen ontstane problemen uit te praten om vervolgens bij de confrontatie met het slachtoffer - nadat volgens verdachte het slachtoffer een onverhoedse beweging maakte alsof hij een wapen wilde pakken - zijn vuurwapen te pakken en te schieten.

Naar geldend recht kan van psychische overmacht slechts sprake zijn als op basis van feiten en omstandigheden aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een zodanige psychische dwang dat verdachte daaraan redelijkerwijs geen weerstand heeft kunnen bieden. Voorop staat dat naar het oordeel van de rechtbank de waardering van deze feiten en omstandigheden en derhalve ook de beoordeling of sprake is van psychische overmacht dan wel putatief noodweer aan de rechtbank toekomt.

De rechtbank heeft in het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen een aantal aanknopingspunten kunnen vinden voor de juistheid van de verklaring van verdachte en personen uit zijn familiekring dat er een aantal momenten is aan te wijzen waarop (overigens steeds op indirecte wijze) gedragingen hebben plaatsgevonden en uitlatingen zijn gedaan die als dreigend zullen zijn overgekomen, doch zeker niet in die zin dat zou moeten worden geconcludeerd dat op basis daarvan aannemelijk is geworden dat verdachte zich daardoor zodanig gedwongen voelde te handelen zoals hij heeft gedaan en aan welk handelen hij redelijkerwijs geen weerstand heeft kunnen bieden. Ook in de hierna te noemen rapportages van de gedragsdeskundigen heeft de rechtbank daarvoor geen aanknopingspunten kunnen vinden.

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat verdachte terecht heeft menen te moeten schieten omdat het slachtoffer een beweging heeft gemaakt alsof hij een wapen wilde trekken, en er derhalve sprake zou zijn van putatief noodweer, oordeelt de rechtbank dat uit de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen onvoldoende aannemelijk is geworden dat het slachtoffer deze beweging ook daadwerkelijk heeft gemaakt. Voorts is komen vast te staan dat het slachtoffer op dat moment niet over een vuurwapen dan wel enig ander wapen beschikte. Naar het oordeel van de rechtbank zijn derhalve uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die maken dat verdachte verschoonbaar dwaalde omtrent de aanwezigheid van een vuurwapen dan wel enig ander wapen bij het slachtoffer (naam slachtoffer).

De rechtbank verwerpt op grond van bovengenoemde overwegingen het beroep op psychische overmacht en putatief noodweer. Gelet op het voorgaande is de verdachte strafbaar terzake moord, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die de strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 10 april 2003 uit het algemeen

documentatieregister van de justitiële documentatiedienst;

- een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 31 oktober 2003 uitgebracht door de Stichting CAD;

- een de verdachte betreffend psychologisch rapport d.d. 19 oktober 2003, uitgebracht door drs. (naam) klinisch psycholoog/psychotherapeut, vast gerechtelijk deskundige;

- een de verdachte betreffend psychiatrisch rapport d.d. 29 oktober 2003, uitgebracht door (naam), psychiater, vast gerechtelijk deskundige;

- een de verdachte betreffend psychiatrisch rapport d.d. 25 oktober 2003, uitgebracht door (naam), arts-gedragsdeskundige, vast gerechtelijk deskundige.

Voornoemde rapportages houden, kort en zakelijk weergegeven, als conclusies van de deskundigen, onder meer in dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit niet leed aan een geestesstoornis of een gebrekkige ontwikkeling daarvan. Het ten laste gelegde feit kan verdachte derhalve volledig worden toegerekend.

Wel is er sprake van een persoonlijkheidsproblematiek in die zin dat er narcistische en antisociale trekken in de persoonlijkheid van verdachte aanwezig zijn. Bovendien is een lacunaire gewetensfunctie en een beperkt empathisch vermogen geconstateerd.

De rechtbank neemt de conclusies op de in de rapportages genoemde gronden over en maakt het oordeel van de deskundigen tot het hare. Voor zover de gedragsdeskundigen zich hebben uitgelaten over de feiten en omstandigheden die specifiek aan de beoordeling van de rechtbank toekomen, zal de rechtbank deze conclusies niet overnemen.

De rechtbank vindt in dit geval een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte weloverwogen en op berekenende wijze een ander van het leven heeft beroofd terwijl daarvan meerdere personen, sommigen zelfs van zeer nabij, getuige zijn geweest. Het feit heeft plaatsgevonden in het uitgaanscentrum van Zwolle op een tijdstip dat nog veel mensen op straat waren en dientengevolge zijn grote gevoelens van onveiligheid ontstaan, hetgeen de verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, zwaar dient te worden aangerekend. Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen van hetgeen primair ten laste is gelegd en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is rechtbank van oordeel dat een hogere straf dan zoals is geëist door het openbaar ministerie dient te worden opgelegd.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10 en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (naam benadeelde partij), rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder primair ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is, gelet op "het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces" genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.616,00 vermeerderd met de kosten voor rechtsbijstand die - tot op heden - worden begroot op € 64,00.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij (naam benadeelde partij) is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer of anders gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts terzake van het primair ten last gelegde aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 1.616,00 ten behoeve van de benadeelde partij (naam benadeelde partij).

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (personalia benadeelde partij), van een bedrag van € 1.616,00 (zegge: zestienhonderdzestien Euro). De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten voor rechtsbijstand, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 64,00, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 1.616,00 ten behoeve van de benadeelde partij (naam benadeelde partij) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 32 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt daarbij dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan één van die onderscheiden verplichtingen tot schadevergoeding die andere (voor dat gedeelte) komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (naam benadeelde partij) in haar vordering voor wat betreft het meer of anders gevorderde niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mrs. Ch.A.M. Heeregrave en H. Heins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G.C. Polman als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2003.

Mr. H. Heins, voornoemd, was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.