Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AM2913

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
23-10-2003
Datum publicatie
23-10-2003
Zaaknummer
07.410144-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een arrestant, verkerend in kennelijke staat van dronkenschap, wordt ingesloten in een politiecel van het politiebureau Kampen. Gelet op de facilitaire omstandigheden aldaar wordt besloten hem z.s.m. naar het politiebureau Zwolle te vervoeren. Vlak voordat zulks zou gaan gebeuren worden de politieambtenaren die de arrestant hadden ingesloten en naar Zwolle zouden overbrengen, weggeroepen voor een spoedgeval. Bij terugkomst bleek de arrestant te zijn overleden.

Na beklag door de nabestaanden bij het Hof is de chef van dienst gedagvaard terzake verlating van een hulpbehoevende.

De rechtbank spreekt hem daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 07.410144-03

Uitspraak: 23 oktober 2003

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

naam ,

geboren op ,

wonende te .

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2003. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.F. Van Zant, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. D. Ten Boer, heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte zal worden vrijgesproken terzake het hem ten laste gelegde.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De verdachte dient van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende:

Uit de inhoud van het dossier is, naar het oordeel van de rechtbank, komen vast te staan dat verbalisanten X en Y een dronken man, slachtoffer S om ongeveer 17.20 uur, naar het politiebureau in Kampen hebben gebracht. Het slachtoffer bleek onsamenhangend te spreken, maar was wel in staat om zelfstandig te lopen en in de auto plaats te nemen en weer uit te stappen. Verdachte vernam van verbalisanten X en Y dat zij een dronken man, zijnde het slachtoffer, in cel 1 hadden geplaatst. Toen verdachte constateerde dat de monitor van bedoelde cel niet functioneerde, heeft verdachte besloten dat het slachtoffer naar het politiebureau in Zwolle moest worden overgebracht. Duidelijk is geworden dat verdachte het slachtoffer zelf niet heeft gezien, zijn achtergrond niet kende en ten aanzien van de gezondheidstoestand van het slachtoffer alleen over de informatie beschikte die zijn collega's hem hadden medegedeeld. Er is vervolgens contact opgenomen met de wachtcommandant in Zwolle, waarna, volgens gemaakte afspraken, in Zwolle bepaald zou worden of er een GGD-arts gewaarschuwd zou worden. Vervolgens is er vrijwel meteen een aanvang gemaakt met de voorbereidingen van het vervoer door verbalisanten X en Y, van het slachtoffer naar Zwolle, maar er volgde een melding van een ernstig ongeval waarvoor de assistentie van verbalisanten X en Y noodzakelijk was. De verbalisanten zijn vertrokken en tussentijds zijn door verdachte diverse werkzaamheden op het politiebureau verricht. Om ongeveer 19.00 is geconstateerd dat het slachtoffer in zijn cel was overleden.

Voor zover relevant is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte zelf het slachtoffer niet heeft gezien en slechts beperkt op de hoogte was van de gezondheidstoestand van het slachtoffer zodat niet gesteld kan worden dat verdachte wist dat het slachtoffer medische bijstand dan wel extra aandacht behoefde. Voorts zou eerst in Zwolle worden bepaald of er een GGD-arts zou worden ingeschakeld en niet in Kampen.

Hoewel hoogstwaarschijnlijk was dat Zwolle de GGD-arts zou inschakelen, was de arts nog niet ingeschakeld en evenmin was gebleken van een zodanige toestand van S dat dat wel meteen in Kampen had moeten gebeuren.

Anders dan het Hof in zijn beschikking van 23 juni 2003 heeft overwogen, kan niet gesteld worden dat, zoals is bepaald in artikel 34 lid 1 onder a van de Ambtsinstructie, de ingeslotene tenminste ieder kwartier in de cel dient te worden gadegeslagen, nu hiervan slechts sprake zou zijn als er een arts was gewaarschuwd.

De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt af te leiden dat de taakafbakening op diverse punten onduidelijk is geweest en dat dit gegeven op zijn minst gezegd niet de schoonheidsprijs verdient, maar dat dit niet betekent, mede bezien in het licht van de bovenstaande overwegingen, dat bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer willens en wetens in hulpeloze toestand heeft gelaten. Ook acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer in een hulpeloze toestand is gelaten. Niet is komen vast te staan dat verdachte zich de mogelijkheid van het intreden van het gevolg bewust is geweest.

Benadeelde partij:

De vordering van de benadeelde partij, dient, gelet op de omstandigheid dat verdachte terzake het hem ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, te worden afgewezen.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij af.

Aldus gewezen door mr. Ch.A.M. Heeregrave, voorzitter, mrs. M. Zomer en C.W. van Kooten rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G.C. Polman als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 oktober 2003.