Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AL7483

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
06-10-2003
Datum publicatie
06-10-2003
Zaaknummer
AWB 03/432 en AWB 03/1177
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

wigering gedoogbeschikking af te geven voor vestiging coffeeshop door voorzieningenrechter in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

De Voorzieningenrechter

Reg.nr.: AWB 03/432 en AWB 03/1177

UITSPRAAK

betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

A,

wonende te Almere,

verzoeker,

gemachtigde: mr. E.C. Hingst, advocaat te Amsterdam,

en

de burgemeester van de gemeente Almere,

verweerder.

1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Besluit van verweerder van 3 februari 2003 (verzonden op 26 februari 2003).

2. Ontstaan en loop van de procedure

Op 26 april 2002 is namens verzoeker bij verweerder een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een gedoogbesluit voor de exploitatie van een verkooppunt voor softdrugs in het pand gelegen aan de Middenhof 56-B te Almere-Haven.

Bij besluit van 4 oktober 2002 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Namens verzoeker is tegen dit besluit op 29 oktober 2002 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Namens verzoeker is op 7 april 2003 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld, welk beroep is geregistreerd onder nummer AWB 03/432.

Desgevraagd heeft verweerder op 18 juni 2003 een verweerschrift ingediend.

Op 11 september 2003 is namens verzoeker aan de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, welk verzoek bij de rechtbank is geregistreerd onder nummer AWB 03/1177.

Behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van de voorzieningenrechter op 29 september 2003, alwaar verzoeker met zijn gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.J. Posthumus en mw. M.T. Hoogendorp, ambtenaren in dienst van de gemeente Almere.

3. Motivering

3.1 Toetsing

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de z itting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

3.2 Spoedeisend belang

Ter onderbouwing van het verzoek om een voorlopige voorziening is namens verzoeker aangevoerd dat de verhuurder van het perceel, waarin verzoeker voornemens is een coffeeshop (met verkoop van softdrugs) te vestigen, heeft aangegeven de huurovereenkomst niet verder te willen verlengen wegens de lange duur van de bodemprocedure. De voorzieningenrechter acht daarmee genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

3.3 Beoordeling

Ingevolge artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Verweerder is dan ook bevoegd om op te treden tegen verkooppunten van softdrugs, ook wel genoemd coffeeshops. Aan artikel 13b ontleent verweerder de bevoegdheid om coffeeshops al dan niet te gedogen en om een coffeeshopbeleid vast te stelen.

Verweerder heeft op 22 maart 2000 - nadat een uitgebreide voorbereidings-procedure was gevolgd de "Nota Koffieshopbeleid Almere " (verder: de Nota) vastgesteld. Als doelstelling is daarin opgenomen: het bevorderen van de scheiding van markten van soft- en harddrugs op grond van een evenwichtig (op grond van het volksgezondheidsmotief) en beheersbaar aantal (op grond van het openbare orde motief) gecontroleerde verkooppunten.

Gezien deze doelstelling heeft verweerder voor Almere een maximum van drie te gedogen coffeeshops, verdeeld over de stadskernen Almere-Stad, Almere-Haven en Almere-Buiten, bepaald. Voorts heeft verweerder een aantal vestigingscriteria vastgesteld, te weten:

a. de inrichting moet zijn gelegen binnen het centrum van de desbetreffende stadskern, zoals aangegeven op de in de Nota onder bijlage 1.j opgenomen kaarten;

b. de inrichting mag niet gevestigd zijn in de directe nabijheid van een instelling voor basis- of voortgezet onderwijs, jongerencentrum dan wel een instelling voor opvang of behandeling van jongeren;

c. de inrichting mag niet gevestigd zijn in de onmiddellijke nabijheid van andersoortige horecabedrijven met dusdanige andere bezoekersgroepen dat de ontmoeting van de betrokken bezoekersgroepen openbare orde problemen tot gevolg geeft of dreigt te hebben;

d. de inrichting dient te voldoen aan de vereisten van het bestemmingsplan.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn weigering om verzoeker een gedoogbeschikking af te geven gehandhaafd, in essentie omdat de door verzoeker beoogde locatie voor de vestiging van een coffeeshop buiten het stadscentrum van Almere-Haven in een woonwijk ligt. Daarnaast ligt de door verzoeker beoogde locatie volgens verweerder in de directe nabijheid (binnen een straal van 125 meter) van de Openbare Scholengemeenschap De Meergronden, een instelling voor voortgezet onderwijs, hetgeen verweerder niet acceptabel acht.

Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden stelt de voorzieningenrechter voorop dat, juist waar het hier om het gedogen van coffeeshops gaat, verweerder een hoge mate van beleidsvrijheid toekomt en de rechterlijke toets daarom zeer terughoudend moet zijn.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet worden gezegd dat het in de Nota neergelegde, uitgebreid gemotiveerde gedoogbeleid van verweerder kennelijk onredelijk is. Verzoeker heeft zijn pijlen met name gericht op de door verweerder gehanteerde begrenzing van het stadscentrum van Almere-Haven, waarbinnen een coffeeshop mag worden gevestigd. Uit de Nota blijkt dat voor die centrumbegrenzing aansluiting is gezocht bij de in de gemeentelijke organisatie - voor verschillende doeleinden - in gebruik zijnde kaarten. De voorzieningenrechter acht dit een redelijk uitgangspunt voor verweerders beleid om onderscheid te maken ten opzichte van woonwijken waar geen coffeeshops worden gedoogd. Opgemerkt zij overigens dat iedere vaststelling van grenzen een arbitrair karakter in zich draagt. Voorts is gesteld noch gebleken dat verweerder het gedoogbeleid niet consequent zou toepassen.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door verzoeker beoogde locatie voor de vestiging van een coffeeshop buiten de begrenzing van het stadscentrum van Almere-Haven is gesitueerd. Ter zitting hebben de gemachtigden van verweerder aan de hand van de als bijlage 1.j bij de Nota opgenomen kaart van het stadscentrum Almere-Haven en een kaart met de aanduiding van postadressen aangetoond dat het adres Middenhof 56-B buiten de vastgestelde begrenzing ligt. Of - zoals verzoeker stelt - de zijde van de weg de Middenhof waaraan de door hem beoogde locatie is gelegen niet toont als een woonwijk is daarbij niet van belang.

Nu hieruit volgt dat verzoeker niet voldoet aan één van de vestigingscriteria volgens verweerders gedoogbeleid, heeft verweerder reeds op grond hiervan in redelijkheid tot zijn besluit kunnen komen verzoeker geen gedoogbeschikking te verlenen. Hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd over het al dan niet voldoen aan de overige criteria van de Nota kan niet tot een ander oordeel leiden.

Een ander oordeel zou wel op zijn plaats zijn, indien bijzondere omstandigheden verweerder ertoe hadden moeten brengen van zijn beleid af te wijken. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de vraag of zich in dit geval zodanige omstandigheden hebben voorgedaan het volgende.

Namens verzoeker is aangevoerd dat het door verweerder gevoerde beleid het vrijwel onmogelijk maakt een coffeeshop te vestigen in Almere-Haven, nu alle binnen het stadscentrum gelegen panden toebehoren aan ofwel de gemeente Almere, ofwel woningbouwcorporaties die absoluut geen houder van een coffeeshop als huurder wensen te accepteren. Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd meegedeeld dat hij ten aanzien van negen panden van woningbouwcorporaties en particuliere verhuurders de mogelijkheid van vestiging van een coffeeshop heeft onderzocht. Panden van de gemeente Almere waren naar zijn zeggen niet bij zijn onderzoek betrokken.

Hoewel - kennelijk ook bij verweerder - het besef bestaat dat het vinden van een geschikt huurpand voor de vestiging van een coffeeshop geen sinecure is, is de voorzieningenrechter van een feitelijke onmogelijkheid om een coffeeshop te vestigen in Almere-Haven onvoldoende gebleken. In ieder geval is niet gebleken dat de gemeente Almere voor wat betreft aan haar toebehorende panden de vestiging van een coffeeshop uitsluit. Verder wordt opgemerkt dat verzoeker geen verklaringen van woningbouwverenigingen dan wel particuliere verhuurders heeft overgelegd, waaruit expliciet blijkt dat geen verhuur plaatsvindt aan huurders die een coffeeshop wensen te vestigen. Het standpunt van verzoeker is dan ook onvoldoende feitelijk onderbouwd. De voorzieningen-rechter acht het daarbij niet uitgesloten dat - zelfs al zal een gedeelte van het stadscentrum van Almere-Haven vanwege de directe nabijheid van de school De Meergronden niet voor vestiging van een coffeeshop in aanmerking komen - in genoemd stadsdeel toch een geschikte locatie voor de vestiging van een coffeeshop bestaat. De gemachtigden van verweerder hebben ter zitting verklaard dat er een onderzoek is gestart of er binnen het stadsdeel Almere-Haven geschikte panden aanwezig zijn voor de vestiging van een coffeeshop. Een onderzoeksrapport is echter nog niet uitgebracht. Als uit dit onderzoek blijkt van de feitelijke onmogelijkheid een coffeeshop te vestigen in Almere-Haven, leidt dit mogelijk - maar eerst alsdan - tot aanpassing van verweerders beleid.

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter niet tot het oordeel gekomen dat bijzondere omstandigheden verweerder hadden moeten doen besluiten van zijn beleid af te wijken door verzoeker een gedoogbeschikking te verlenen. Dit brengt mee dat het bestreden besluit in rechte stand houdt.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. Nu partijen in de uitnodiging voor de zitting zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb, bestaat er geen beletsel voor toepassing van dat artikel.

Het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard.

Nu het geschil in de hoofdzaak hiermee is beslist, is er voor een voorlopige voorziening geen plaats meer.

Er bestaat geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep of het verzoek heeft moeten maken.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank

-verklaart het beroep tegen het besluit van 3 februari 2003 ongegrond;

-wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Gewezen door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2003 in tegenwoordigheid van C. Kuiper als griffier.

Tegen deze uitspraak staat, voor zover het betreft de beslssing in de hoofdzaak, voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden op 6 oktober 2003.