Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AL6237

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
02-10-2003
Zaaknummer
72506 / HA ZA 02-73
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschadezaak. Auto-ongeval. Whiplash-trauma. Eisen die aan bewijs van causale verband tussen ongeval en gestelde klachten mogen worden gesteld. Relevantie van richtlijn omtrent whiplash van Nederlandse Vereniging voor Neurologie voor een zaak als de onderhavige. Vraag of overgewicht, "life events" en psychische problemen dienen te leiden conclusie dat causaal verband tussen ongeval en klachten niet is komen vast te staan. Beoordeling van verschillende posten: verlies verdienvermogen, huishoudelijke hulp, verlies zelfredzaamheid, smartengeld, buitengerechtelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2004, 87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector civiel

Meervoudige handelskamer

Zaaknr/rolnr: 72506 / HA ZA 02-73

Uitspraak: 20 augustus 2003

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. P.B. Bodamèr te Hengelo,

en

de naamloze vennootschap AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

advocaat mr. W.J. Hengeveld te Den Haag.

PROCESGANG

In deze zaak is op 16 november 2002 een tussenvonnis gewezen, waarbij een comparitie van partijen is gelast. De comparitie heeft op 14 januari 2003 plaatsgevonden. Nadien hebben partijen nog de volgende processtukken gewisseld:

- een akte van de zijde van [eiseres];

- een antwoordakte van de zijde van Aegon.

Vervolgens is op verzoek van partijen vonnis bepaald.

MOTIVERING

1 Vaststaande feiten

1.1 Op 19 november 1994 is [eiseres], die toen ruim 46 jaar oud was, als inzittende van een auto betrokken geraakt bij een botsing met een andere auto. De bestuurder van die auto was bij Aegon verzekerd. Aegon heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

1.2 [eiseres] heeft zich met nek-, hoofd- en schouder(pijn)klachten onder behandeling van haar huisarts gesteld. Ook heeft zij zich onder behandeling gesteld van een neuroloog en een revalidatie-arts.

1.3 Op 24 januari 1997 heeft een neurologische expertise plaatsgevonden door dr. Boone in opdracht van [eiseres] en Aegon. Dr. Boone heeft op 14 maart 1997 gerapporteerd. De conclusie van dr. Boone luidde aldus:

Op 19 november 1994 is betrokkene een verkeersongeval overkomen. Gezien de toedracht van het ongeval kan gesproken worden van een whiplash trauma.

Betrokkene heeft hierna klachten van de nek en hoofdpijn ontwikkeld.

De klachten die betrokkene in de eerste paar maanden na het ongeval heeft gehad zijn als matig ernstig te graderen.(...)

Bij het onderzoek worden behoudens een lichte verminderde rotatie van de cervicale wervelkolom naar links geen afwijkingen vastgesteld.

Dr. Boone beantwoordde de hem voorgelegde vragen als volgt:

Vraag 1. Welk letsel liep betrokkene bij het ongeval van 19 november 1994 op?

Bij het ongeval van 19 november 1994 liep betrokkene een whiplash trauma op.

Vraag 2. Welke restverschijnselen zijn thans nog aanwezig?

De subjectieve restklachten die betrokkene als gevolg van dit ongeval nog heeft zijn de volgende:

* Een zeurend gevoel in de nek, toenemend bij bepaalde houdingen.

* Een zeurende pijn langs de trapeziusranden en op de schouders.

* Occipitale hoofdpijn als betrokkene teveel doet.

* In de loop van de dag optredende moeheid.

Als objectieve afwijking als ongevalsgevolg blijkt bij het onderzoek een licht verminderde rotatie van de cervicale wervelkolom naar links. Deze is 20° beperkt.

Vraag 3. Spelen nog andere factoren dan het ongeval een rol? Zouden de huidige klachten en beperkingen ook ontstaan zijn indien de betrokkene het ongeval niet overkomen was?

Er spelen geen andere factoren dan het ongeval een rol.

Er zijn geen aanwijzingen dat betrokkene huidige klachten en beperkingen ook zou hebben ontwikkeld indien haar het ongeval niet was overkomen.

Vraag 4. Acht u een eindtoestand bereikt?

Er kan thans, ruim 2 jaar na het ongeval, wel gesproken worden van een medische eindtoestand t.a.v. de ongevalsgevolgen.

Vraag 5. Heeft u nog therapeutische suggesties?

Therapeutische suggesties heb ik niet.

Vraag 6. Hoe ziet u de prognose?

T.a.v. de prognose kan worden gesteld dat in de komende ongeveer 2 jaar nog wel een lichte verbetering t.a.v. de nog bestaande subjectieve klachten kan worden verwacht. Een verslechtering wordt niet verwacht.

Het valt niet te verwachten dat een nog optredende lichte verbetering een wijziging zal inhouden van het hieronder bij vraag 8 genoemde percentage validiteitsvermindering.

Vraag 7. Welke beperkingen bestaan hier door de ongevalsgevolgen voor:

a. het dagelijks leven (ADL);

b. hobby's, sport en recreatie;

c. het verrichten van arbeid?

Betrokkene geeft zelf de volgende beperkingen aan:

ADL functies:

Geen beperkingen.

Huishoudelijke werkzaamheden:

Betrokkene kan door haar klachten niet meer stofzuigen, ramen zemen, soppen en lang strijken.

Sporten:

Betrokkene deed niet aan sport.

Hobby's:

Kantklossen lukt niet meer.

Breien, naaien en borduren kan betrokkene niet zolang meer achtereen.

Boetseren lukt niet meer.

Tuinieren lukt helemaal niet meer.

T.a.v. het verrichten van arbeid:

Het werken als huishoudelijk werkster en als kinderoppas lukt betrokkene niet meer.

Objectief gezien kan gesteld worden dat betrokkene op grond van de subjectieve restklachten en objectieve restverschijnselen na het whiplash trauma beperkt is te achten voor de cervicale wervelkolom meer dan licht belastende werkzaamheden.

Vraag 8. Hoe hoog schat u de blijvende functionele invaliditeit van de gehele mens, ongeacht het beroep, volgens de AMA-guides (4e editie) desgewenst aangevuld met de richtlijnen van de NVvN? Wij verzoeken u zowel het huidige percentage, één en ander met inachtneming van uw antwoord op vraag 6, te vermelden.

Op grond van de als licht te graderen subjectieve restklachten en de objectieve onderzoeks bevindingen in de vorm van een licht beperkte rotatie naar links van de cervicale wervelkolom als gevolg van het whiplash trauma is er sprake van een functionele validiteitsvermindering van 4% van de gehele persoon.

Hierbij wordt uitgegaan van de AMA-guides (4e-editie) en de in 1995 aangepaste richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie.

Zoals hierboven onder punt 6 vermeld zal een lichte verbetering t.a.v. de subjectieve klachten geen wijziging betekenen van het hier genoemde percentage.

Vraag 9. Heeft u verder nog op- of aanmerkingen die voor de beoordeling van de ongevalsgevolgen van belang kunnen zijn?

Verdere op- of aanmerkingen bij de beoordeling van deze casus heb ik thans niet.

1.4 Eind november 1997 is [eiseres] door dr. Emmelot, de revalidatie-arts, verwezen naar klinisch psycholoog Erftemeijer. In een brief van 25 november 1997 aan Emmelot schrijft Erftemeijer onder meer dat de vader van [eiseres] recent is overleden, waarover [eiseres] nog veel verdriet heeft, dat de relatie tussen [eiseres] en haar moeder te wensen over laat en dat de zorgen rond haar echtgenoot -bij wie sprake is van een recidief tumor en die egocentrisch en passief/agressief zou reageren- drukken op [eiseres]. Erftemeijer stelt dat spanningsklachten, labiliteit en onmacht overheersen. Verder maakt Erftemeijer melding van nek- en schouderklachten bij [eiseres], die leiden tot een beperking in de huishoudelijke activiteiten. Specifieke geheugen- of aandachtsklachten zijn er volgens Erftemeijer niet. Erftemeijer stelt vast dat uit de testafname blijkt dat [eiseres] de neiging heeft te vluchten in insufficiënties en lichamelijke tekorten als zij onder druk staat. De conclusie van Erftemeijer is dat de klachten van [eiseres] een uiting van overbelasting zijn. [eiseres] heeft zijns inziens steun nodig om daar structurele verandering in te brengen. Verdeling en begrenzing van de zorgactiviteiten van [eiseres] is noodzakelijk, stelt Erftemeijer.

1.5 Voor het ongeval was [eiseres] werkzaam als hulp in de huishouding en verrichtte zij oppaswerkzaamheden. In maart 1995 is [eiseres] gestopt met haar werk als huishoudelijke hulp, in maart 1997 heeft zij haar oppaswerkzaamheden gestaakt.

1.6 Op verzoek van de raadsvrouwe van [eiseres] heeft mevrouw Bos-Misker van Roesingh Diensten Groep onderzoek gedaan naar de noodzaak van huishoudelijke hulp voor [eiseres]. Mevrouw Bos heeft een rapport opgesteld dat op 16 december 2002 is verstuurd naar de raadsvrouwe van [eiseres]. Conclusie en advies van het rapport luiden als volgt:

Zonder rekening te houden met mantelzorg:

De benodigde hoeveelheid huishoudelijke hulp, die een oplossing biedt voor de belemmeringen die cliënte ondervindt bij het uitvoeren van huishoudelijke taken, voortkomend uit beperkingen ten gevolge van het whiplashsyndroom, is totaal 6 uur per week. Bij een thuiszorgorganisatie zou deskundigheid "thuishulp A" ingezet worden. Dit advies kan niet gezien worden als een indicatiebesluit in het kader van de AWBZ, daar er geen rekening mee is gehouden met mantelzorg (echtgenoot en kinderen).

Rekening houdend met mantelzorg:

Indien wel rekening gehouden zou worden met mantelzorg, zou de indicatie in principe negatief zijn, mits de partner gezond zou zijn. Er wordt in het kader van een AWBZ-indicatie uitgegaan van een gezamenlijke verantwoordelijkheid ten opzichte van het huishouden. Bij uitval wordt gestreefd naar een herverdeling van taken waarbij dit, afhankelijk van de omstandigheden, leidt tot een gedeeltelijke c.q. volledige overname van taken. Dhr is hele dagen bij huis en fysiek in staat om alle huishoudelijke taken uit te voeren. Neemt niet weg dat hij zwaar belast zou zijn, met name in periodes dat de tuin veel onderhoud vergt. Dhr geeft aan dat het dan een "mannenhuishouding" zou worden. In het kader van een AWBZ-indicatie wordt echter geen onderscheid gemaakt op basis van sekse. Dhr is begin en midden jaren negentig behandeld aan een ernstige ziekte en is sindsdien sneller moe, hij heeft soms pijn op de borst en is bekend met diabetes. Omdat de beperkingen van cliënte een langdurig karakter hebben, kan vanuit preventief oogpunt hulp geïndiceerd worden, te denken valt aan 3 uur per week voor de wekelijkse en periodieke taken. Dit om overbelasting van de echtgenoot te voorkomen.

Zorgverlening door de externe mantelzorg heeft een vrijwillig karakter. Op dit moment ontvangt mevr geen mantelzorg van buiten het gezin.

1.7 Aegon heeft [eiseres] een bedrag van fl. 100.000,00, € 45.378,02 ten titel van schadevergoeding betaald.

2 Standpunten van partijen

2.1 [eiseres] stelt dat zij ten gevolge van het ongeval een post whiplash-syndroom heeft opgelopen. Zij heeft, stelt ze, als gevolg van het ongeval pijn in haar nek, schouders en hoofd, is snel vermoeid en heeft aandachtsklachten (minder alert, moeite met inprenting en planning van taken, minder drukte aankunnen). Daarnaast is sprake van bewegingsbeperkingen, kan zij niet zwaar tillen en is zij beperkt in haar mobiliteit.

[eiseres] stelt verder dat zij ten gevolge van deze klachten haar werk als hulp in de huishouding en als oppas heeft moeten opgeven, dat zij aangewezen is op particuliere huishoudelijke hulp gedurende 5 uur per week en dat zij aangewezen is op hulp van derden bij werkzaamheden in de tuin, terwijl zij niet meer in staat is zelf haar kleding te naaien. [eiseres] stelt dat zij schade uit hoofde van verlies verdienvermogen en verlies zelfwerkzaamheid en kosten van huishoudelijke hulp heeft geleden. Zij maakt aanspraak op vergoeding van deze schadeposten en op vergoeding van smartengeld, kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand en wettelijke rente. Na aftrek van de door Aegon betaalde schadebedragen zou nog een schadebedrag van fl. 273.077,06 resteren.

[eiseres] betwist de stelling van Aegon dat de door haar aangegeven klachten geen ongevalsgevolg zijn, maar het gevolg zijn van privé-problemen.

2.2 Aegon betwist dat [eiseres] door het ongeval een post whiplash-syndroom heeft opgelopen. Zij betwist ook dat de door [eiseres] aangegeven klachten en beperkingen volledig in causal verband staan met het ongeval. De klachten van [eiseres] moeten, volgens Aegon, worden toegeschreven aan persoonlijke factoren dan wel predispositionele klachten. Aegon wijst in dat kader op de "life events" die [eiseres] heeft doorgemaakt en op het overgewicht dat [eiseres] zou hebben. Bovendien heeft Aegon bezwaar tegen de omvang van de door [eiseres] gestelde schadeposten.

3 Beoordeling van het geschil

de betekenis van de medische expertise

3.1 [eiseres] heeft, onbetwist door Aegon, gesteld dat partijen een medische expertise door dr. Boone zijn overeengekomen. De rechtbank gaat er, nu uit de stellingen van partijen niet anders is gebleken, van uit dat overeenkomstig de gangbare praktijk beide partijen invloed hebben kunnen uitoefenen op de aan dr. Boone voor te leggen vragen. Nu gesteld noch gebleken is dat dr. Boone niet als medisch deskundige op het terrein van de door [eiseres] gestelde klachten en beperkingen kan worden aangemerkt en evenmin gesteld noch gebleken is dat dr. Boone bij zijn onderzoek fouten zou hebben gemaakt, die de kwaliteit en daarmee de waarde van zijn onderzoek negatief zouden kunnen beïnvloeden, overweegt de rechtbank dat aan het oordeel van dr. Boone betreffende het bestaan en de oorzaak van de klachten en beperkingen bij [eiseres] ten tijde van het onderzoek door dr. Boone veel betekenis toekomt.

aard en omvang van het letsel

3.2 De rechtbank stelt voorop dat bij het antwoord op de vraag welke klachten [eiseres] heeft en of deze klachten als ongevalsgevolg te beschouwen zijn doorslaggevend is of de door [eiseres] gestelde klachten reëel, niet voorgewend of overdreven zijn. Indien dat het geval is, kunnen -zoals in het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2001 (NJ 2001/433) is overwogen- in een geval als dit, waarin door overtreding van een verkeers- of veiligheidsnorm een ongeval heeft plaatsgevonden en het slachtoffer van het ongeval whiplash klachten heeft, aan het bewijs van het oorzakelijk verband tussen het ongeval en de door vastgestelde klachten niet al te hoge eisen worden gesteld. Het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten staat dan niet in de weg aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband met het ongeval geleverd is.

Dat, zoals Aegon heeft aangevoerd uit het genoemde arrest niet volgt dat de Hoge Raad het uitgangspunt huldigt dat niet al te hoge eisen mogen worden gesteld aan het bewijs van het oorzakelijk verband, maar dat dit het oordeel van het Hof was, waartegen in cassatie geen klacht was gericht, doet aan de juistheid van het oordeel van het Hof, waarmee de rechtbank zich verenigt, niet af.

3.3 Dr. Boone heeft vastgesteld dat [eiseres] bij het ongeval een whiplashtrauma heeft opgelopen. Aegon heeft, overigens zonder uitdrukkelijk in te gaan op het onderzoek van dr. Boone, met een beroep op Duitse literatuur en op de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie betoogd dat bij [eiseres] geen sprake is van een whiplash. De rechtbank verwerpt het betoog van Aegon.

Wat er ook zij van de door Aegon aangevoerde argumenten en daargelaten dat de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie ook binnen de beroepsgroep van de neurologen niet onomstreden zijn, zodat de rechtbank alleen om die reden al geen doorslaggevende betekenis toekent aan deze richtlijnen, voor de beoordeling van de vordering van [eiseres] is niet doorslaggevend of de door [eiseres] gepretendeerde klachten nu wel of niet kunnen worden gediagnosticeerd als whiplashtrauma of post whiplash-syndroom overeenkomstig de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie. Aan het verweer van Aegon, voor zover gebaseerd op het niet voldoen aan alle van de bij de richtlijnen geformuleerde voorwaarden voor het aannemen van een whiplashtrauma of post whiplash-syndroom, kan dan ook in zoverre worden voorbij gegaan. Voor het verweer van Aegon dat het gezien de aard van de botsing (een frontale botsing) en de snelheid van de betrokken voertuigen niet mogelijk zou zijn dat [eiseres] een whiplashtrauma heeft opgelopen, geldt hetzelfde.

3.4 Dr. Boone heeft, in zijn antwoord op vraag 2, aangegeven welke klachten [eiseres] nog heeft als gevolg van het ongeval. Het betreft een zeurend gevoel in de nek, toenemend bij bepaalde houdingen, een zeurende pijn langs de trapeziusranden en op de schouders, occipitale hoofdpijn en in de loop van de dag optredende moeheid. Deze klachten worden ook door de behandelend artsen van [eiseres] genoemd in de van deze artsen afkomstige medische informatie uit 1995 en 1996. Dat de klachten voorgewend, overdreven of niet reëel zouden zijn, heeft dr. Boone niet vastgesteld. Dat is door Aegon ook niet -in ieder geval niet expliciet- gesteld. Aegon heeft slechts benadrukt dat de klachten niet door het ongeval veroorzaakt kunnen zijn en dat er andere oorzaken aan ten grondslag liggen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om in afwijking van het rapport van dr. Boone, dat in overleg tussen partijen tot stand is gekomen, tot het oordeel te komen dat de door dr. Boone vastgestelde klachten voorgewend, overdreven of niet reëel zijn.

In zijn antwoord op vraag 6 geeft dr. Boone aan dat hij niet verwacht dat een substantiële verbetering van de klachten zal optreden. [eiseres] heeft gesteld dat de klachten zich nog steeds voordoen. De rechtbank acht deze stelling, gezien het antwoord van dr. Boone op vraag 8, alleszins aannemelijk.

3.5 Ten aanzien van de door dr. Boone vermelde klachten resteert de vraag of ze in causaal verband staan tot het ongeval. Dr. Boone heeft zich in zijn rapport over deze vraag uitgelaten, met zijn oordeel -antwoord op vraag 3- dat er geen aanwijzingen zijn dat de door hem genoemde klachten en beperkingen ook door [eiseres] zouden zijn ontwikkeld wanneer het ongeval zich niet zou hebben voorgedaan. Met dit deskundigenoordeel van dr. Boone is het door [eiseres] te leveren bewijs van causaal verband tussen deze klachten en het ongeval, waaraan geen al te hoge eisen mogen worden gesteld, in beginsel geleverd.

De rechtbank zal hierna bespreken of de door Aegon aangevoerde stellingen ten aanzien van het causaal verband tot een ander oordeel leiden.

3.6 Aegon heeft het causaal verband tussen de klachten en het ongeval allereerst betwist met de stelling dat [eiseres] zwaar overgewicht en een te hoge bloeddruk zou hebben. Het behoeft volgens Aegon geen betoog dat dit overgewicht [eiseres] in haar werkzaamheden beperkt, terwijl overgewicht en hoge bloeddruk allerlei lichamelijke klachten kan veroorzaken en overgewicht ook regelmatig tot psychische klachten zou leiden, voortvloeiend uit een minderwaardigheidscomplex.

De rechtbank verwerpt dit nogal speculatieve en waar het het overgewicht betreft ook hoogst diffamerende verweer. [eiseres] heeft gesteld dat zij voor het ongeval geen relevante gezondheidsklachten had. Deze stelling vindt steun in het feit dat [eiseres] voor het ongeval naast haar taken in de huishouding buitenshuis werkte. Dr. Boone, die [eiseres] heeft onderzocht en die ook heeft vastgesteld dat [eiseres] overgewicht had en hoge bloeddruk zou hebben (hetgeen [eiseres] overigens ontkent), heeft echter geen verband gezien tussen de hoge bloeddruk en het overgewicht en de door hem vastgelegde klachten van [eiseres]. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om [eiseres] alsnog te verzoeken om haar volledige medische dossier in het geding te brengen teneinde Aegon in de gelegenheid te stellen te beoordelen of [eiseres] voor het ongeval een te hoge bloeddruk had.

De opmerkingen van Aegon over het verband tussen overgewicht, minderwaardigheids- complexen en psychische klachten laat de rechtbank voor rekening van Aegon. Aegon heeft geen serieuze poging gedaan deze stelling, die op het eerste gezicht meer het karakter van een volkswijsheid dan van een wetenschappelijk verantwoorde these lijkt te hebben, te onderbouwen, zodat de rechtbank er alleen om die reden geen gewicht aan kan toekennen. De rechtbank acht, mede gezien het oordeel van dr. Boone, die zich van het overgewicht van [eiseres] heeft vergewist maar er geen consequenties aan verbindt bij de beantwoording van de vragen, op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat [eiseres] ook zonder ongeval als gevolg van haar overgewicht de door dr. Boone aangegeven klachten zou hebben ontwikkeld. Voorzover Aegon heeft willen betogen dat [eiseres] ten gevolge van overgewicht een verhoogd risico liep om bij een auto-ongeval de desbetreffende klachten (al dan niet vanwege psychologische factoren) te ontwikkelen, miskent Aegon dat dit (eventuele) verhoogde risico, nu sprake is van schending van een verkeers- en veiligheidsnorm, voor haar rekening komt.

3.7 Aegon heeft ook nog gewezen op de psychische problemen van [eiseres] vanwege de life events die zij heeft ondervonden. Aegon heeft zich in dat kader beroepen op het in rechtsoverweging 1.4 aangehaalde rapport van klinisch psycholoog Erftemeijer. Volgens Aegon zijn de klachten van [eiseres] (deels) terug te voeren op de privé omstandigheden van [eiseres], nu [eiseres] blijkens het rapport van Erftemeijer de neiging heeft te vluchten in lichamelijke tekorten als ze onder druk staat. Het is, meent Aegon, daarom aannemelijk dat [eiseres] ook zonder het ongeval psychische en lichamelijke klachten zou hebben ontwikkeld.

Dr. Boone heeft [eiseres] in januari 1997 gezien. Dat de door dr. Boone vastgestelde klachten toen (mede) veroorzaakt werden door eventuele psychische problemen van [eiseres] acht de rechtbank niet aannemelijk. Het rapport van dr. Boone biedt geen aanknopingspunt voor deze stelling. Bovendien komen, zoals hiervoor al is overwogen, de door dr. Boone vermelde klachten overeen met de klachten die in de rapporten van de behandelende specialisten, neuroloog en de revalidatie-arts, in de jaren 1995 en 1996 vermeld worden. De life events die de spanning bij [eiseres] zouden hebben veroorzaakt -hernieuwde ziekte van haar man, overlijden van haar vader en moeite in de verhouding met haar moeder- dateren van na die jaren.

Resteert de vraag of [eiseres] ook zonder het ongeval de door dr. Boone vastgestelde klachten zou hebben ontwikkeld, maar dan vanwege de spanningen in de privé sfeer. De rechtbank acht dat, gelet op de aard van de klachten, niet aannemelijk. Het feit dat [eiseres], zoals Erftemeijer schrijft en Aegon benadrukt, de neiging heeft om te vluchten in lichamelijke tekorten wanneer zij onder druk staat, betekent nog niet dat zij die lichamelijke tekorten ook zonder ongeval zou ontwikkelen. Zoals hiervoor is overwogen, is niet aannemelijk geworden dat [eiseres] andere lichamelijke tekorten dan de door dr. Boone vastgestelde klachten heeft. Zonder die -(zoals hiervoor is overwogen) op dat moment ongevalsgerelateerde- klachten zou zij derhalve geen lichamelijke tekorten hebben gehad om in te vluchten, als (de noodzaak tot) dat vluchtgedrag al een structureel karakter zou hebben, hetgeen [eiseres] gemotiveerd heeft betwist.

Dat de klachten van [eiseres] wellicht zijn verergerd door spanningen in de privé sfeer betekent niet dat tussen de (verergerde) klachten en het ongeval geen causaal verband meer zou bestaan. Zoals hiervoor is overwogen komt een verhoogde vatbaarheid van het slachtoffer op het ontstaan, voortbestaan of verergeren van klachten voor rekening van de veroorzaker. Dat is niet anders wanneer die verhoogde vatbaarheid gelegen is in omstandigheden in de privé sfeer.

3.8 [eiseres] heeft nog gesteld dat zij naast de door dr. Boone vastgestelde klachten ook klachten van cognitieve aard heeft. De rechtbank zal deze stelling van [eiseres] verwerpen. Noch in het rapport van dr. Boone noch in het rapport van psycholoog Erftemeijer is steun te vinden voor deze stelling. Erftemeijer stelt zelfs uitdrukkelijk vast dat er geen specifieke geheugen- of aandachtsklachten zijn. Ook in de inleidende dagvaarding en in de conclusie van repliek heeft [eiseres] niet gesteld dat zij lijdt aan cognitieve stoornissen als gevolg van het ongeval. Zij heeft dat eerst bij gelegenheid van de comparitie van partijen gesteld, met een beroep op het in rechtsoverweging 1.6 aangehaalde rapport van het Roesingh. Nu gesteld noch gebleken is dat dat rapport gebaseerd is op deugdelijk medisch onderzoek naar het bestaan van cognitieve stoornissen -een neuropsychologisch onderzoek zou voor de hand gelegen hebben- heeft [eiseres] haar stelling, mede in het licht van het feit dat zij deze stelling eerst ruim 8 jaar na het ongeval heeft ingenomen, onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank zal deze stelling dan ook passeren.

3.9 Aegon heeft nog gesteld dat [eiseres] niet voldoende heeft gedaan om haar klachten te beperken. De rechtbank verwerpt deze stelling. Allereerst heeft Aegon verzuimd concreet te maken wat [eiseres] had moeten doen, welke medische behandeling [eiseres] had moeten ondergaan, om de door dr. Boone vastgestelde klachten te doen verminderen. Bovendien valt zonder nadere toelichting niet in te zien dat [eiseres], zo een dergelijke behandeling al zou bestaan, er een verwijt van gemaakt kan worden dat zij deze behandeling niet ondergaan heeft. Dat [eiseres] van het bestaan van een dergelijke behandeling op de hoogte zou moeten zijn, is immers geenszins aannemelijk geworden. Dr. Boone heeft [eiseres] in zijn rapport niet op een dergelijke behandeling geattendeerd en ook uit de andere overgelegde stukken betreffende de medische behandeling van [eiseres] voor de door dr. Boone vastgestelde klachten blijkt niet van een niet door [eiseres] opgevolgd behandelingsadvies.

3.10 De slotsom is dat de rechtbank bij de beoordeling van de diverse vorderingen van [eiseres] er van zal uitgaan dat [eiseres] ten gevolge van het ongeval de door dr. Boone vastgestelde klachten heeft en zal houden en dat die klachten zijn te beschouwen als ongevalsgevolg.

verlies verdienvermogen

3.11 Tussen partijen staat vast dat [eiseres] voor het ongeval inkomsten had als hulp in de huishouding en als kinderoppas. Dat [eiseres] als gevolg van haar klachten niet in staat is haar werkzaamheden als hulp in de huishouding te continueren, acht de rechtbank, gezien de aard van de klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen, aannemelijk. Door Aegon wordt de daartoe strekkende stelling van [eiseres] ook niet gemotiveerd betwist. Het inkomen na ongeval van [eiseres] uit hoofde van huishoudelijke hulp is derhalve nihil.

Partijen zijn het er over eens dat [eiseres] voor het ongeval in ieder geval fl. 40,00 per week verdiende als huishoudelijke hulp bij de families Zielman en Bruins. In de conclusie van antwoord heeft Aegon betwist dat [eiseres] daarnaast nog inkomsten van fl. 50,00 per week voor werkzaamheden bij de familie De Haan genoot. Nadat [eiseres] haar stellingen over deze inkomsten in de conclusie van repliek had toegelicht, is Aegon daar in de conclusie van dupliek niet meer op teruggekomen. Indien Aegon haar verweer in dezen al niet heeft prijsgegeven, heeft ze het in ieder geval niet voldoende gemotiveerd. De rechtbank zal derhalve uitgaan van inkomsten van fl. 90,00 per week uit hoofde van huishoudelijke hulp.

[eiseres] heeft gesteld dat zij zonder ongeval tot haar 65 ste levensjaar fl. 90,00 per week (en, blijkens de door [eiseres] in het geding gebrachte berekening, gedurende 52 weken per jaar) zou hebben verdiend. Aegon heeft dat betwist. Volgens Aegon zou [eiseres] hooguit tot haar 50 ste levensjaar gedurende 47 weken per jaar als huishoudelijke hulp gewerkt hebben. Daarna zou zij als gevolg van haar zwaarlijvigheid en psychische klachten deze werkzaamheden hebben opgegeven. Bovendien dient, stelt Aegon, rekening te worden gehouden met de 7 weken interne relatietherapie die [eiseres] en haar echtgenoot in 1998 hebben gevolgd.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat [eiseres] 52 weken per jaar werkte. [eiseres] heeft de stelling van Aegon dat moet worden uitgegaan van 47 weken per jaar ook niet weersproken. De rechtbank zal dan ook uitgaan van 47 weken per jaar. Vaststaat dat [eiseres] en haar echtgenoot in 1998 7 weken interne relatietherapie hebben gevolgd. De stelling van [eiseres] dat deze therapie het ongeval weggedacht niet zou hebben plaatsgevonden, is in zijn algemeenheid al onwaarschijnlijk maar is gelet op het rapport van klinisch psycholoog Erftemeijer, waarin melding wordt gemaakt van relatieproblemen tussen [eiseres] en haar echtgenoot, ook onjuist. Bovendien heeft [eiseres] in de conclusie van repliek gesteld dat de relatietherapie (en de daarop volgende behandeling van [eiseres]) niets met het ongeval te maken heeft.

Resteert de vraag of [eiseres], zoals zij stelt, tot haar 65 ste levensjaar als huishoudelijke hulp gewerkt zou hebben. De rechtbank acht het gezien het karakter van deze werkzaamheden en de andere taken en bezigheden van [eiseres] niet aannemelijk dat [eiseres] zonder ongeval tot haar 65 ste levensjaar als hulp in de huishouding gewerkt zou hebben. Bij de begroting van de schade dient voor deze werkzaamheden in redelijkheid te worden uitgegaan van een eindleeftijd van 60 jaar.

3.12 Ook ten aanzien van de inkomsten van [eiseres] als kinderoppas verschillen partijen van mening. Aegon heeft allereerst betwist dat [eiseres] niet in staat zou zijn oppaswerk te verrichten. [eiseres] heeft gesteld dat zij geen kinderen kan optillen en in verband met haar klachten ook de drukte die samenhangt met het oppassen op de kinderen niet meer aankan. De rechtbank acht aannemelijk dat de door dr. Boone vastgestelde klachten eraan in de weg staan dat [eiseres] werkzaamheden als kinderoppas kan verrichten. De rechtbank kent daarbij met name betekenis toe aan de hoofdpijn- en de moeheidsklachten, alsmede aan de pijn in nek- en schouders en de verminderde belastbaarheid van nek en schouders. Laatstgenoemde klachten staan er, naar het oordeel van de rechtbank, aan in de weg dat [eiseres] de (jonge) kinderen waarop zij past zou optillen. Het is een feit van algemene bekendheid (de stellingen van Aegon in dezen ten spijt) dat jonge kinderen geregeld opgetild moeten worden en de rechtbank acht aannemelijk dat het tillen van kinderen, ook van kleine kinderen, een aanzienlijke belasting voor rug, nek en schouders tengevolge heeft bij degene die die kinderen tillen mag. De rechtbank overweegt nog dat dr. Boone in zijn antwoord op vraag 7 ook heeft aangegeven dat het werken als kinderoppas [eiseres] niet meer lukt. De rechtbank gaat er dan ook, met [eiseres] vanuit, dat [eiseres] vanwege haar klachten niet in staat is werk als kinderoppas te verrichten.

3.13 Voor het ongeval verrichtte [eiseres] oppaswerkzaamheden bij de familie Wouters te Hasselt. Zij heeft gesteld dat zij daarmee fl. 230,00 per week verdiende en dat zij, zonder ongeval, vanaf oktober 1997 fl. 265,00 per week verdiend zou hebben vanwege een uitbreiding van de omvang van het oppaswerk in verband met de geboorte van een derde kind bij de familie Wouters. [eiseres] heeft ter adstructie van haar stelling verklaringen van mevrouw Wouters in het geding gebracht.

De rechtbank acht, mede gelet op de duidelijke verklaringen van mevrouw Wouters, die niet inhoudelijk door Aegon zijn betwist, aannemelijk dat [eiseres] zonder ongeval haar werkzaamheden bij de familie Wouters zou hebben voortgezet en vanaf medio oktober 1997 zou hebben uitgebreid. Nu [eiseres] zelf (conclusie van repliek onder 12) heeft aangegeven dat het oppaswerk betrekking heeft op kleine kinderen (zij heeft de schoolgaande leeftijd -vier maximaal vijf jaar- genoemd), kan er niet van worden uitgegaan dat [eiseres] zonder ongeval tot na 1 juli 2002 (ongeveer vijf jaar na de geboorte van het jongste kind bij de familie Wouters) bij de familie Wouters gewerkt zou hebben.

[eiseres] heeft echter gesteld dat er voldoende oppaswerk te vinden is en heeft ter adstructie van die stelling diverse advertenties in het geding gebracht. Dat er voldoende oppaswerk te vinden is, heeft Aegon niet betwist. Aegon heeft wel betwist dat [eiseres] na 2010 nog oppaswerk verricht zou hebben. Zij heeft bovendien betwist dat [eiseres] tot 2010 oppaswerkzaamheden in dezelfde omvang zou hebben verricht.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Vooropgesteld moet worden dat het bij het antwoord op de vraag welk inkomen [eiseres] uit oppaswerk gehad zou hebben in de hypothetische situatie zonder ongeval aankomt op de redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen, ontwikkelingen die zich niet hebben gerealiseerd juist vanwege het ongeval waarvoor (de verzekerde van) Aegon aansprakelijk is. Aan het, op [eiseres] rustende, bewijs van die hypothetische ontwikkelingen kunnen dan ook geen hoge eisen gesteld worden.

Daarvan uitgaande, rekening houdend met het bestaan van de vraag naar oppaswerk, met het feit dat [eiseres] geruime tijd oppaswerk verricht heeft, dat aannemelijk is geworden dat zij een actieve persoonlijkheid was en dat de financiële situatie van haar en haar echtgenoot zodanig was dat extra, door [eiseres] verworven, inkomsten wenselijk waren, acht de rechtbank het aannemelijk dat [eiseres] na het beëindigen van haar werk voor de familie Wouters werk gezocht en gevonden zou hebben bij een ander oppasgezin. Dat [eiseres] tot haar 65 ste jaar, derhalve tot april 2013, oppaswerk verricht zou hebben, acht de rechtbank echter niet aannemelijk. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat oppaswerk naar haar aard, zoals [eiseres] met een verwijzing naar de leeftijd van de oppaskinderen zelf ook erkend heeft, een tijdelijk karakter heeft, zodat er geregeld een moment komt waarop degene die oppaswerk verricht voor de keus staat om wel of niet met dat werk door te gaan. De rechtbank zal al met al uitgaan van 1 juli 2010 als einddatum voor het oppaswerk.

Voor wat betreft de verdiensten kan voor de periode tot 1 juli 2002 worden uitgegaan van de verdiensten bij de familie Wouters (fl. 230,00 per week tot 1 oktober 1997 en

fl. 265,00 per week vanaf die datum). De rechtbank ziet, mede gelet op de prijsstijging in de periode vanaf 1 oktober 1997 tot 1 juli 2002, geen aanleiding om voor de periode vanaf 1 juli 2002 rekening te houden met een lager bedrag dan het bedrag dat [eiseres] tot 1 juli 2002 verdiende. Wel dient bij de omvang van de verdiensten te worden uitgegaan van 47 weken inkomsten per jaar. Bovendien dient rekening te worden gehouden met de 7 weken interne relatietherapie in 1998.

3.14 De slotsom is dat de door [eiseres] in het geding gebrachte berekening van de schade wegens verlies verdienvermogen uitgaat van onjuiste (althans niet volledig juiste) uitgangspunten. De berekening dient derhalve te worden aangepast. [eiseres] dient een nieuwe schadeberekening in het geding te brengen, waarin de door de rechtbank hiervoor geformuleerde uitgangspunten worden gehanteerd.

huishoudelijke hulp

3.15 Ook over de huishoudelijke hulp verschillen van partijen op tal van punten van mening. Zo twisten zij over de omvang van de noodzakelijke huishoudelijke hulp, over de vraag of rekening gehouden moet worden met mantelzorg, over de in aanmerking te nemen eindleeftijd, over de kosten van de huishoudelijke hulp (in het bijzonder of [eiseres] geen beroep zou moeten doen op de Thuiszorg) en over de vraag of [eiseres] in aanmerking komt voor een Persoons Gebonden Budget (PGB) ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). De rechtbank zal deze vragen hierna bespreken.

3.16 [eiseres] stelt dat zij vanwege de door het ongeval veroorzaakte klachten gedurende 5 uur per week huishoudelijke hulp behoeft. Zij beroept zich daartoe op een indicatie van het Regionaal Indicatie Orgaan (RIO) uit september 1998 voor 5 uur per week en op de in rechtsoverweging 1.6 aangehaalde indicatie van het Roessingh uit december 2002 voor 6 uur per week. In geen van beide indicaties wordt rekening gehouden met mantelzorg.

De indicatiestelling van het RIO noemt slechts het aantal uren dat geïndiceerd zou zijn zonder dat dat aantal onderbouwd wordt, bijvoorbeeld doordat wordt aangegeven met welke klachten en beperkingen rekening wordt gehouden en op welke huishoudelijke taken de indicatie ziet. De rechtbank kent dan ook geen betekenis toe aan deze indicatiestelling.

De indicatiestelling van het Roessingh is wel uitvoerig gemotiveerd. In de indicatiestelling wordt aan de hand van de vastgestelde klachten en beperkingen van [eiseres] en de te verrichten taken op huishoudelijk gebied geconcludeerd tot een behoefte aan huishoudelijke hulp van 6 uren per week, te weten 3 uren voor de wekelijkse en periodieke schoonmaakwerkzaamheden (zoals stofzuigen, dweilen, bed verschonen), 1 uur voor de dagelijkse werkzaamheden (zoals afwassen, bed opmaken en opruimen), 1 uur voor de boodschappen en 1 uur voor het verzorgen van de was.

Aegon heeft de indicatiestelling door het Roesingh op dit punt niet inhoudelijk bestreden. De rechtbank zal de indicatiestelling, nu deze deugdelijk onderbouwd is, inzicht biedt in de uitgangspunten die gehanteerd zijn en deze uitgangspunten de rechtbank correct voorkomen, volgen voor het antwoord op de vraag wat de omvang van de behoefte aan huishoudelijke hulp is. De rechtbank merkt daarbij op dat in het rapport van het Roesingh weliswaar ook cognitieve klachten worden genoemd en dat deze klachten, zo zij zich al voordoen door haar niet als ongevalsgevolg beschouwd worden, maar dat uit het rapport niet blijkt dat deze cognitieve klachten ook een rol hebben gespeeld bij de bepaling van de omvang van de behoefte aan huishoudelijke hulp.

3.17 [eiseres] heeft gesteld dat geen rekening gehouden mag worden met de door haar echtgenoot te verrichten mantelzorg. Volgens [eiseres] dient mantelzorg in de letselschaderegeling buiten beschouwing te blijven en mag er zeker bij langdurige hulp geen rekening worden gehouden met het structureel inzetten van hulp van binnen het gezin.

De Hoge Raad heeft inzake de verzorging van een ziek kind in het arrest Johanna Kruidhof (NJ 1999, 564) en recentelijk, in een arrest van 6 juni 2003 (RvdW 2003, 105), inzake de verzorging van een ernstig zieke echtgenoot beslist dat voor toekenning van vergoeding voor deze verzorging geen plaats is indien het inschakelen van professionele hulp niet normaal en gebruikelijk is.

Het door de Hoge Raad voor de kosten van de verzorging van een ernstig zieke gehanteerde criterium kan, naar het oordeel van de rechtbank, ook worden toegepast op de kosten van huishoudelijke hulp en, derhalve, op de vraag of bij de bepaling van de omvang van de hulp rekening moet worden gehouden met mantelzorg. De stelling van [eiseres], dat nimmer rekening mag worden gehouden met mantelzorg, is in het licht van het hiervoor overwogene, in zijn algemeenheid onjuist. Bij de bepaling van de behoefte aan huishoudelijke hulp dient in het kader van de begroting van de schade geen rekening te worden gehouden met die huishoudelijke taken die door de partner kunnen worden overgenomen voorzover die over te nemen taken het normale en gangbare, waarbij rekening gehouden dient te worden met de concrete gezinssituatie, niet overstijgen.

De rechtbank beschouwt de dagelijkse werkzaamheden, het boodschappen doen en het verzorgen van de was in de situatie van [eiseres] als werkzaamheden die wanneer zij binnen het gezin van [eiseres] door haar echtgenoot worden overgenomen het normale en gangbare niet overstijgen. Voor de wekelijkse en periodieke werkzaamheden, als in het rapport van het Roesingh omschreven, is dat anders. Mede gezien de gezondheidssituatie van de echtgenoot van [eiseres] en de aard van deze werkzaamheden

-het betreft werkzaamheden waarvan normaal en gangbaar is dat er hulp voor wordt ingeschakeld- acht de rechtbank het redelijk dat deze werkzaamheden, neerkomend op 3 uur per week, niet door de echtgenoot van [eiseres] verricht worden, maar dat [eiseres] voor deze werkzaamheden professionele hulp inschakelt.

3.18 [eiseres] heeft gesteld dat een eindleeftijd van 70 jaar gehanteerd dient te worden. Aegon heeft deze stelling slechts weersproken met het argument dat [eiseres] vanwege haar overgewicht c.a. eerder gezondheidsklachten zou hebben ontwikkeld en om die reden eerder aangewezen zou zijn op huishoudelijke hulp. De rechtbank heeft dit argument van Aegon hiervoor gewogen en te licht bevonden. Nu Aegon geen andere argumenten heeft aangevoerd tegen een eindleeftijd van 70 jaar, zal de rechtbank bij het begroten van de schade uit hoofde van huishoudelijke hulp een eindleeftijd van 70 jaar hanteren.

3.19 Aegon heeft gesteld dat [eiseres] in aanmerking komt voor hulp van de Thuiszorg. [eiseres] heeft dat bestreden en heeft in dat kader gesteld dat zij een aanvraag heeft gedaan voor huishoudelijke hulp via de Thuiszorg maar dat die aanvraag is afgewezen. Zij beschikt echter niet meer over de brief van de Thuiszorg waaruit zulks zou blijken. Wat daar ook van zij, in het rapport van het Roesingh wordt gesteld dat [eiseres] niet in aanmerking komt voor hulp van de Thuiszorg omdat volgens de criteria van de AWBZ rekening houdend met mantelzorg sprake zou zijn van een negatieve indicatie. Aegon heeft dit onderdeel van het rapport van het Roesingh niet gemotiveerd weersproken. De rechtbank zal er dan ook vanuit gaan dat [eiseres] niet voor Thuiszorg in aanmerking komt.

[eiseres] stelt dat het door haar betaalde tarief aan huishoudelijke hulp fl. 17,50 (thans

€ 7,95) per uur bedraagt. Tegen dit tarief, dat de rechtbank niet onredelijk voorkomt, heeft Aegon geen bezwaar gemaakt. Bij de bepaling van de hoogte van de schade uit hoofde van kosten van huishoudelijke hulp kan aldus worden uitgegaan van dat tarief voor 3 uur per week gedurende 48 weken per jaar, met dien verstande dat in de jaren 1995 en 1996, waarin [eiseres] minder hulp heeft gehad, dient te worden uitgegaan van de in het schaderapport vermelde bedragen.

3.20 De rechtbank zal tenslotte ingaan op de vragen rond het PGB. [eiseres] heeft inmiddels een aanvraag voor een PGB ingediend. Bij akte heeft zij laten weten dat nog niet op haar aanvraag is beslist. Het komt de rechtbank, met partijen, zinvol voor om alvorens op dit punt verder te beslissen een beslissing op de aanvraag om een PGB af te wachten. Indien [eiseres] voor een PGB in aanmerking komt, dient daarmee bij de begroting van de schade rekening gehouden te worden. Een eventueel aan [eiseres] toe te kennen bedrag uit hoofde van een PGB strekt als een [eiseres] toekomend voordeel in mindering op de schadevergoedingsplicht van Aegon.

Aegon heeft gesteld dat ook rekening moet worden gehouden met eventuele aanspraken op een PGB over eerdere jaren, aanspraken die [eiseres] niet gerealiseerd heeft doordat zij niet eerder een PGB heeft aangevraagd. De rechtbank passeert deze stelling van Aegon. De stelling komt er, welbeschouwd, op neer dat [eiseres] haar schade niet heeft beperkt door geen PGB aan te vragen terwijl dat wel had gekund. Nu Aegon, desgevraagd, ter comparitie heeft aangegeven dat zij er in het schaderegelingstraject of nadien niet bij [eiseres] op heeft aangedrongen een beroep te doen op een PGB en zij derhalve zelf kennelijk tot voor kort het belang van een dergelijke aanvraag niet heeft ingezien, kan zij er [eiseres] in redelijkheid geen verwijt van maken dat [eiseres] evenmin het belang van een dergelijke aanvraag ingezien heeft.

Aegon heeft zich ook nog beroepen op artikel 65a AWBZ. Deze bepaling brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat de rechter bij de vaststelling van de schade ook rekening moet houden met aanspraken op basis van de AWBZ die het slachtoffer niet meer kan realiseren.

3.21 [eiseres] dient een nieuwe berekening voor de kosten van huishoudelijke hulp in het geding te brengen, die gebaseerd is op de in rechtsoverweging 3.19 vermelde uitgangspunten. In deze berekening dienen ook de eventuele aanspraken op een PGB te worden verwerkt.

verlies zelfredzaamheid

3.22 [eiseres] stelt dat zij tengevolge van het ongeval niet meer in staat is haar hobby's te verrichten en haar eigen kleding te naaien en in de tuin te werken. Zij is nu aangewezen op hulp van anderen voor de tuin, terwijl zij kleding moet kopen. Om die reden maakt zij aanspraak op een vergoeding uit hoofde van verlies zelfwerkzaamheid van f. 1.500,00 per jaar tot haar 65 ste levensjaar.

Aegon heeft deze schadepost bestreden. Van verlies zelfwerkzaamheid is geen sprake en als er al sprake van is, is met deze schade in redelijkheid niet meer dan fl. 500,00 per jaar gemoeid tot aan het 65 ste levensjaar van [eiseres].

De rechtbank acht, mede gezien de bevindingen van dr. Boone, aannemelijk dat [eiseres] ten gevolge van het ongeval niet meer in staat is zwaar werk in de tuin te doen en haar eigen kleding te naaien. Het werk in de tuin wordt, zoals [eiseres] in de conclusie van repliek heeft aangegeven, thans door haar echtgenoot gedaan. [eiseres] hoeft voor dit werk derhalve geen derde in te schakelen. De rechtbank is van oordeel dat het werk in de tuin niet behoort tot de taken die wanneer ze door een gezinslid worden overgenomen het normale en gangbare overstijgen. Voor een vergoeding voor deze mantelzorg door de echtgenoot van [eiseres] ziet de rechtbank geen aanleiding, ondanks het feit dat, zoals [eiseres] gesteld heeft, tuinieren niet de hobby van haar echtgenoot is. Aan het menselijk bestaan in dit ondermaanse is nu eenmaal inherent dat er ook onbetaalde bezigheden buiten de hobbymatige sfeer verricht moeten worden.

De rechtbank acht aannemelijk dat [eiseres] kosten bespaarde door zelf kleding te naaien. Door Aegon is dat ook niet bestreden. Deze kostenbesparing mist [eiseres] thans. Voor wat betreft deze activiteit is dan ook sprake van verlies aan zelfwerkzaamheid. De rechtbank gaat, ex aequo et bono nu een onderbouwing door [eiseres] ontbreekt, uit van een bedrag van fl. 500,00 per jaar. Dat [eiseres] door haar andere hobby's niet meer uit te kunnen oefenen schade uit hoofde van verlies zelfwerkzaamheid leidt, acht de rechtbank niet aannemelijk.

De slotsom is dat rekening kan worden gehouden met een bedrag van fl. 500,00 per jaar vanaf het ongeval tot aan de 65 jarige leeftijd van [eiseres]. Aegon heeft berekend dat, uitgaande van een kapitalisatie per 1 januari 2001, de daarmee gemoeide schade

fl. 8.306,30 bedraagt, derhalve € 3.769,23. Tegen deze berekening door Aegon heeft [eiseres], afgezien van de hoogte van de jaarschade, geen bezwaar gemaakt, zodat de rechtbank dit bedrag toewijsbaar acht.

smartengeld

3.23 Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat vast staat dat [eiseres] door het ongeval klachten heeft opgelopen die haar in aanzienlijke mate belemmeren in haar functioneren. [eiseres] heeft niet alleen haar werk moeten opgeven, maar kan ook haar hobby's niet meer uitoefenen. Bovendien wordt zij, vanwege de aard van de klachten, dagelijks met de klachten geconfronteerd. Aannemelijk is dat vanwege met name de hoofdpijn- en moeheidsklachten ook het sociale leven van [eiseres] aan kwaliteit heeft ingeboet. Zulks klemt temeer nu, naar [eiseres] onbetwist gesteld heeft, zij voor het ongeval een zeer actieve vrouw was. Alles afwegend acht de rechtbank een smartengeld van € 10.000,00 op zijn plaats.

buitengerechtelijke kosten

3.24 De vordering van [eiseres] uit hoofde van deze kosten bestaan uit de kosten van het overgelegde berekeningsrapport, uit de kosten van de medisch adviseur en het opvragen van medische stukken, uit de kosten van de indicatiestelling door het Roesingh en uit de kosten van de raadslieden van [eiseres]. De rechtbank zal deze componenten hieronder bespreken.

3.25 Aegon heeft de vordering terzake van het berekeningsrapport betwist met de stelling dat nu in het rapport wordt uitgegaan van onjuiste uitgangspunten het rapport onbruikbaar is, zodat de kosten vergeefs gemaakt zijn. Deze stelling is onjuist. Om de vordering van [eiseres] te kunnen vaststellen zal een actuariële berekening vervaardigd moeten worden. De daarmee gemoeide kosten, mits redelijk, komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking. De in het rapport gebruikte uitgangspunten worden weliswaar niet volledig door de rechtbank overgenomen, maar wijken ook niet zo sterk af van hetgeen de rechtbank juist acht dat het rapport geen enkele functie heeft. De rechtbank acht voorstelbaar dat bij een nieuw rapport, op basis van de nieuwe uitgangspunten, kan worden uitgegaan van de ten behoeve van het oude rapport verzamelde gegevens. Het feit dat niet alle uitgangspunten van het rapport zijn overgenomen, heeft overigens wel tot gevolg dat [eiseres] de kosten van wijziging van het rapport voor eigen rekening zal moeten nemen.

Aegon heeft haar stelling dat de kosten van het rapport te hoog zijn niet nader gemotiveerd door aan te geven welk bedrag naar haar oordeel wel redelijk is. De rechtbank zal deze stelling dan ook passeren, ook omdat het door het berekeningsbureau in rekening gebrachte bedrag de rechtbank niet onnodig hoog voorkomt.

De slotsom is dat het gevorderde bedrag terzake van de kosten van het berekeningsrapport ad € 2.286,89 toewijsbaar is.

3.26 Tegen de kosten betreffende de indicatiestelling heeft Aegon geen bezwaar gemaakt. Het daarmee gemoeide bedrag van € 380,95 is toewijsbaar. Voor de medische kosten geldt hetzelfde. Deze kosten bedragen, blijkens de door [eiseres] overgelegde urenspecificaties, fl. 1.064,90, derhalve € 483,23. Ook dit bedrag is toewijsbaar.

3.27 Aegon heeft voorts bezwaar gemaakt tegen de advocaatkosten. Zij heeft daartoe allereerst gesteld dat de diverse door [eiseres] overgelegde urenspecificaties van elkaar verschillen. De rechtbank heeft ook geconstateerd dat de specificaties van elkaar verschillen. Dat houdt, voorzover de rechtbank kan zien, vooral verband met het feit dat wordt uitgegaan van verschillende periodes. Het verschil in de specificaties voor de periode tot medio december 2001 is betrekkelijk gering. De rechtbank zal uitgaan van de laatst overgelegde urenspecificatie.

De laatste specificatie bevat enkele werkzaamheden die verband houden met het opstellen van de dagvaarding. [eiseres] heeft deze werkzaamheden gespecificeerd. Tussen partijen staat vast dat deze werkzaamheden geen buitengerechtelijke werkzaamheden zijn. Dat ook andere werkzaamheden niet als buitengerechtelijke werkzaamheden zijn te beschouwen is gesteld noch gebleken.

Aegon heeft voorts gesteld dat er vier advocaten aan de zaak van [eiseres] gewerkt hebben, zodat te verwachten is dat er dubbel werk verricht is. [eiseres] heeft deze stelling weersproken en in dat kader aangevoerd dat de kosten die verband houden met het inlezen in de zaak niet in rekening zijn gebracht. Het had, gezien die toelichting, op de weg van Aegon gelegen om aan de hand van de overgelegde urenspecificaties aan te geven welke werkzaamheden verband hebben gehouden met de overnames van de zaak door andere advocaten. Nu Aegon dat heeft nagelaten, heeft zij haar stelling in dezen onvoldoende gemotiveerd en zal de rechtbank deze stelling passeren.

Resteren de bezwaren van Aegon tegen de omvang van de bestede tijd en het gehanteerde uurtarief. De rechtbank stelt vast dat de advocaten van [eiseres] blijkens de urenspecificaties 37,2 uur aan de zaak besteed hebben, waarvan 11,2 uur betrekking heeft op de dagvaarding, zodat -op basis van de urenspecificaties- 26 uur resteert voor de buitengerechtelijke werkzaamheden. Het daarmee gemoeide honorarium bedraagt

fl. 13.839,34 - fl. 4.953,75 (dagvaarding) = fl. 8.885,59, derhalve ruim fl. 340,00 per uur. De rechtbank acht dit tarief niet onredelijk hoog, zelfs niet voor een niet gespecialiseerde advocaat. Nu Aegon niet aangeeft welke werkzaamheden achterwege hadden kunnen blijven of aan welke werkzaamheden teveel tijd is besteed, zal de rechtbank ook het verweer van Aegon betreffende de omvang van de aan de buitengerechtelijke werkzaamheden bestede tijd passeren.

Aegon heeft, terecht, geen bezwaar gemaakt tegen het in rekening brengen van kantoorkosten (6%) en btw (19%). Uitgaande van een honorarium van fl. 8.895,95 bedragen de advocaatkosten fl. 8.885,59 x 1,06 x 1,19 = fl. 11.221,35, derhalve

€ 5.092,03.

3.28 De slotsom is dat aan buitengerechtelijke kosten toewijsbaar is een bedrag van

€ 2.286,89 + € 380,95 + € 483,23 + € 5.092,03 = € 8.243,10.

wettelijke rente

3.29 [eiseres] heeft wettelijke rente gevorderd vanaf de datum van de dagvaarding. Aegon heeft daartegen verweer gevoerd met de stelling dat [eiseres] een onderscheid dient te maken tussen geleden en nog te lijden schade. Nu [eiseres] dat onderscheid niet gemaakt heeft, komt de vordering terzake van wettelijke rente niet voor vergoeding in aanmerking, aldus Aegon.

De rechtbank passeert het verweer van Aegon. Wettelijke rente over schade vanwege onrechtmatig handelen is verschuldigd vanaf het moment dat de schade is ontstaan. Volgens vaste jurisprudentie betekent dat voor het smartengeld dat wettelijke rente over die schade verschuldigd is vanaf het moment van het ongeval, voor geleden schade vanaf het moment dat de desbetreffende schade is ontstaan en voor de gekapitaliseerde toekomstschade vanaf de kapitalisatiedatum. Over niet gekapitaliseerde toekomstschade is geen wettelijk rente verschuldigd.

De schade van [eiseres] bestaat vrijwel geheel uit smartengeld, voor de dagvaarding geleden schade (verlies verdienvermogen, huishoudelijke hulp, zelfwerkzaamheid tot aan de kapitalisatiedatum) en toekomstschade met een kapitalisatiedatum van voor de dagvaarding. Over al deze schadeposten was in beginsel wettelijke rente verschuldigd vanaf een datum gelegen voor de datum van de dagvaarding. Dat is alleen anders voor de buitengerechtelijke kosten, nu gesteld noch gebleken is dat [eiseres] reeds een declaratie van haar raadsvrouwe terzake van buitengerechtelijke kosten heeft voldaan.

De vordering betreffende de wettelijke rente is dan ook in beginsel, behoudens voor wat betreft de buitengerechtelijke kosten, toewijsbaar.

verdere procedure

3.30 Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft de rechter commissaris aangegeven dat niet uitgesloten was dat de rechtbank een deskundigenonderzoek noodzakelijk zou achten. Om die reden zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de persoon van de deskundigen en de aan de deskundigen te stellen vragen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de rechtbank een deskundigenonderzoek door een psychiater en/of een arbeidsdeskundige echter niet noodzakelijk acht.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde [eiseres] in de gelegenheid te stellen bij akte een nieuw berekeningsrapport over te leggen betreffende het verlies verdienvermogen en de huishoudelijke hulp op basis van de door de rechtbank geformuleerde uitgangspunten. [eiseres] dient in die akte tevens de beslissing op het verzoek om toekenning van een PGB over te leggen. Aegon kan vervolgens op de akte reageren.

Uiteraard staat het partijen vrij om op basis van dit vonnis alsnog te proberen een minnelijke regeling te treffen.

3.31 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

BESLISSING

De rechtbank verwijst de zaak naar de rol van woensdag 17 september 2003 voor akte aan de zijde van [eiseres] en naar de rol van woensdag 15 oktober 2003 voor antwoordakte aan de zijde van Aegon.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.H.S.Lebens, H. de Hek en C.W. van Kooten en in het openbaar uitgesproken op woensdag 20 augustus 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.