Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AI1341

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
18-07-2003
Datum publicatie
02-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/1083
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft aangevoerd dat zij een verzoek tot schadevergoeding bij verweerder heeft ingediend, omdat zij inkomensschade heeft geleden door het onrechtmatige, onzorgvuldige dan wel onbehoorlijke handelen van verweerder, bestaande uit het te laat beslissen omtrent haar aanvraag om te worden ingeschreven in het BIG-register.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 02/1083

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A., wonende te B, eiseres,

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 28 augustus 2002.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 7 februari 2002, met kenmerk CIBG-2256933 heeft verweerder het verzoek van eiseres om schadevergoeding, door laatstgenoemde op fl. 16.800 (€ 7.623,51) begroot, afgewezen.

Tegen dit besluit is door eiseres op 16 maart 2002 een bezwaarschrift ingediend.

Naar aanleiding van dit bezwaarschrift heeft er op 21 mei 2002 een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij eiseres in de gelegenheid is gesteld om het bezwaarschrift tegenover de VWS-commissie bezwaarschriften Awb mondeling toe te lichten. Op 30 juli 2002 heeft deze commissie advies uitgebracht. Vervolgens is het bezwaarschrift conform het advies van genoemde commissie bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Op 7 oktober 2002, ontvangen op 9 oktober 2002 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op 22 november 2002 een verweerschrift ingezonden. Vervolgens heeft eiseres op 3 februari 2003 nadere stukken ingezonden, welke door de rechtbank op 4 februari 2003 zijn ontvangen.

Het beroep is op 1 juli 2003 ter zitting behandeld. Eiseres is in persoon verschenen bijgestaan door haar echtgenoot, de heer J.J.H. de Die. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer mr. H.J. Stoop en de heer F. Bogaarts, werkzaam bij verweerders Ministerie.

3. Motivering

In geding is de vraag of verweerder het verzoek van eiseres om schadevergoeding terecht heeft afgewezen. De beantwoording van deze vraag is (mede) afhankelijk van de vraag of verweerder jegens eiseres onrechtmatig heeft gehandeld doordat verweerder te lang heeft gedaan over het inschrijven van eiseres in het register, zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (verder te noemen de Wet BIG en het BIG-register). Eiseres heeft gesteld dat zij door dit handelen van verweerder inkomensschade heeft geleden en dat de kosten, die zij in het kader van deze procedure heeft gemaakt, dienen te worden vergoed.

Het geschil spitst zich toe op de vraag binnen welke termijn verweerder had moeten beslissen op de aanvraag van eiseres om in het BIG-register te worden ingeschreven.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft op 8 september 1978 in Denemarken het diploma Sygeplejeskole (rechtbank: verpleegkundige) behaald.

Eiseres heeft op 10 mei 2001 bij de X Kliniek te Y met succes gesolliciteerd naar een aanstelling als verpleegkundige in vaste dienst voor onbepaalde tijd. Aangezien vervolgens bleek dat eiseres niet in het BIG-register was ingeschreven, werd besloten dat eiseres zich eerst moest laten registreren voordat ze met haar werkzaamheden kon aanvangen. De haar toegezegde aanstelling zou beschikbaar blijven, aangezien de inschrijving in het BIG-register naar verwachting van de X Kliniek en van eiseres binnen ongeveer acht weken zou hebben plaatsgevonden.

Op 28 mei 2001 heeft eiseres een aanvraag ter verkrijging van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, van de Wet BIG bij verweerder ingediend. Deze aanvraag werd op 6 juni 2001 door verweerder ontvangen. Bij deze aanvraag was door eiseres onder meer een gewaarmerkte kopie gevoegd van een verklaring van 15 mei 2001, waarin de daartoe bevoegde autoriteit in Denemarken, te weten Sundhedsstyrelsen (the National Board of Health van Denemarken) verklaart dat de opleiding van eiseres voldoet aan alle vereisten van artikel 1 van de EG-Richtlijn 77/453/EEG.

Op 21 juni 2001 heeft eiseres – door middel van een door verweerder aan haar verstrekt formulier – een aanvraag ingediend om in het BIG-register te worden ingeschreven. Dit aanvraagformulier is door verweerder op 26 juni 2001 ontvangen.

Bij brief van 5 juli 2001 heeft verweerder met betrekking tot de aanvraag ter verkrijging van een verklaring van vakbekwaamheid aan eiseres verzocht om een door een beëdigde vertaler vervaardigde vertaling van het originele diploma Sygeplejeskole te verstrekken.

Vervolgens heeft er op 13 juli 2001 telefonisch contact plaatsgevonden tussen eiseres en een medewerker van de Unit verklaringen van vakbekwaamheid van het Centraal Informatiepunt Beroepen gezondheidszorg (verder: CIBG). In dit gesprek is aan de orde geweest dat eiseres wel beschikt over het juiste getuigschrift, maar dat dit is afgegeven voor de datum welke wordt genoemd in Bijlage 6 van de zogenaamde Regeling aanwijzing buitenlandse diploma’s gezondheidszorg.

Aangezien eiseres volgens verweerder niet beschikt over recente relevante beroepservaring, heeft verweerder met betrekking tot de aanvraag ter verkrijging van een verklaring van vakbekwaamheid bij brief van 8 augustus 2001 aan eiseres zijn voorlopige oordeel aan eiseres meegedeeld, inhoudende het voornemen haar verzoek niet te honoreren, omdat eiseres volgens verweerder niet zou voldoen aan minimale opleidingseisen, zoals genoemd in de Richtlijn 77/453/EEG, en een verklaring dat eiseres wel zou voldoen aan deze opleidingseisen zou ontbreken. Op 9 augustus 2001 heeft eiseres een reactie op het voorlopige oordeel van verweerder gestuurd.

Medio augustus 2001 heeft de X Kliniek aan eiseres meegedeeld dat zij de aan eiseres toegezegde aanstelling als verpleegkundige niet langer voor haar kon vasthouden.

Naar aanleiding van laatstgenoemde brief van eiseres is bij memo van 21 september 2001 advies ingewonnen bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken (verder WJZ). Bij memo van 8 oktober 2001 is er door WJZ gereageerd op de memo van 21 september 2001, inhoudende dat eiseres weliswaar niet over een door de “Sundhedsstyrelsen” erkende verpleegopleidingsschool afgegeven diploma beschikt, maar dat zij met het door haar overgelegde diploma “Sygeplejerskole” naar het oordeel van de bevoegde Deense autoriteit moet worden geacht te voldoen aan de eisen genoemd in artikel 1 van de Richtlijn 77/453/EEG.

Op 17 oktober 2001 is door verweerder besloten op de aanvraag van eiseres, waarbij aan haar is medegedeeld dat haar diploma in samenhang met de verklaring van de Deense autoriteit van 15 mei 2001 kan worden aangemerkt als een aangewezen diploma als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder a, van de Wet BIG. Verweerder heeft hierbij meegedeeld dat afgifte van een aparte verklaring omtrent haar vakbekwaamheid niet meer aan de orde is en dat eiseres van rechtswege in het BIG-register dient te worden ingeschreven.

Op 18 oktober 2001 is eiseres overeenkomstig bovengenoemd besluit in het BIG-register ingeschreven.

Vervolgens is eiseres op 3 december 2001 als verpleegkundige bij de X Kliniek in dienst getreden.

Bij brief van 6 januari 2002 heeft eiseres een verzoek tot schadevergoeding bij verweerder ingediend.

3.1. Standpunt eiseres

Eiseres heeft aangevoerd dat zij een verzoek tot schadevergoeding bij verweerder heeft ingediend, omdat zij inkomensschade heeft geleden door het onrechtmatige, onzorgvuldige dan wel onbehoorlijke handelen van verweerder, bestaande uit het te laat beslissen omtrent haar aanvraag om te worden ingeschreven in het BIG-register. Eiseres heeft hierbij aangevoerd dat zij, wanneer deze inschrijving wel tijdig had plaatsgevonden, vanaf 1 augustus 2001 inkomen had kunnen genereren, hetgeen nu pas vanaf 3 december 2001 het geval is geweest.

Eiseres heeft ter adstructie van het bovenstaande primair aangevoerd dat de behandeld ambtenaar bij het Ministerie over onvoldoende kennis beschikte om tot een zorgvuldige voorbereiding van het besluit inzake haar inschrijving te komen. Het ging niet om een gecompliceerde aanvraag en bij een standaardtoepassing van de relevante EG-regelgeving had de inschrijving in het BIG-register binnen acht weken en niet na vier maanden en twaalf dagen kunnen plaatsvinden. Eiseres heeft met betrekking tot deze termijn van acht weken gewezen op hetgeen is bepaald in de Circulaire van het Ministerie van VWS inzake Verklaring vakbekwaamheid buitenlands gediplomeerden volksgezondheid, welke circulaire is gepubliceerd in de Staatscourant, jaargang 1998, nr. 141, p. 8 e.v. (verder te noemen de Circulaire).

Subsidiair heeft eiseres aangevoerd dat er sprake is van onbehoorlijk handelen op morele gronden, omdat verweerder de belangen van eiseres, die zo snel mogelijk als verpleegkundige aan het werk wilde gaan, onvoldoende heeft onderkend.

3.2. Standpunt verweerder

Verweerder heeft betwist dat er sprake is van onzorgvuldig en/of onbehoorlijk handelen bij het behandelen van de aanvraag van eiseres tot inschrijving in het BIG-register. Verweerder heeft ter adstructie van deze betwisting aangevoerd dat krachtens artikel 8, tweede lid van de Richtlijn 89/48/EEG op een aanvraag tot verkrijging van een verklaring van vakbekwaamheid, welke verklaring noodzakelijk is voordat overgegaan kan worden tot inschrijving in het BIG-register, binnen een termijn van vier maanden na aanvraag dient te worden beslist. Voorts geldt er voor de aanvraag om (daarop aansluitend) te worden ingeschreven in het BIG-register nog eens een termijn van acht weken. Omdat de aanvraag van eiseres op 6 juni 2001 is ingediend en hieromtrent uiteindelijk op 17 oktober 2001 is beslist, is er volgens verweerder sprake van een overschrijding met elf dagen. Gezien de complexiteit van de aanvraag is verweerder tot het oordeel gekomen dat deze overschrijding niet disproportioneel is.

3.3. Wettelijk kader

Krachtens artikel 3 van de Wet BIG wordt er een register ingesteld, waarin degenen die aan de daarvoor bij en krachtens deze wet gestelde voorwaarden voldoen, op hun aanvrage worden ingeschreven als verpleegkundige (zoals reeds vermeld het BIG-register). Artikel 6, onder a, van de Wet BIG bepaalt dat de inschrijving in dit register wordt geweigerd, indien de aanvrager niet voldoet aan de in Hoofdstuk III van de Wet BIG bedoelde opleidingseisen.

Met betrekking tot verpleegkundigen is in artikel 32 (van Hoofdstuk III) van de Wet BIG bepaald dat bij indiening van een aanvraag om in te worden geschreven in het BIG-register door de aanvrager een getuigschrift dient te worden overgelegd, waaruit blijkt – kort gezegd – dat de aanvrager voldoet aan de daartoe gestelde opleidingseisen.

Daarnaast is in artikel 7 van de Regeling aanwijzing buitenlandse diploma’s gezondheidszorg, gepubliceerd in de Staatscourant 1998, 141, p. 8 e.v. (verder te noemen de Regeling) bepaald dat de getuigschriften, die in Bijlage 6 bij deze regeling worden genoemd, voor zover de getuigschriften zijn behaald na de desbetreffende daarbij vermelde datum, gelden als bewijs van verworven vakbekwaamheid die geacht kan worden gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid die uit het voldoen aan de krachtens artikel 32 van de Wet BIG gestelde opleidingseisen met betrekking tot de verpleegkundige mag worden afgeleid.

In Bijlage 6 van de Regeling is met betrekking tot de titel “Sygeplejerske” de datum van 27 juni 1979 vastgesteld.

In artikel 8 van de Regeling is bepaald dat de in de Bijlage 6 genoemde getuigschriften, die in een lid-staat of andere overeenkomstsluitende staat zijn behaald vóór deze datum tevens als bewijs van verworven vakbekwaamheid als bedoeld in voormeld artikel 7 van de Regeling gelden, mits deze vergezeld gaan van een verklaring van de daartoe bevoegde autoriteit van de desbetreffende lid-staat of andere overeenkomstsluitende staat, waarin wordt bevestigd dat de bezitter van zo'n getuigschrift de werkzaamheden van verpleegkundige gedurende ten minste drie jaren achtereen tijdens de vijf jaren, voorafgaande aan de afgifte van de verklaring, daadwerkelijk en op wettige wijze heeft uitgeoefend.

Voorts is in artikel 41, eerste lid, onder a, van de Wet BIG, bepaald dat inschrijving in het register – in afwijking van het in artikel 6, onder a, van de Wet BIG bepaalde –deswege niet wordt geweigerd aan een persoon, die niet voldoet aan de terzake genoten opleiding bij of krachtens Hoofdstuk III voor inschrijving in een register gestelde eisen, indien:

a. de aanvrager in het buitenland een door verweerder aangewezen getuigschrift heeft verkregen dat geldt als bewijs van een verworven vakbekwaamheid die geacht kan worden gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid welke uit het voldoen aan vorenbedoelde eisen mag worden afgeleid;

b. verweerder, gelet op een door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift, hem op aanvraag een verklaring heeft afgegeven, inhoudende dat tegen zijn inschrijving in het register voor wat zijn vakbekwaamheid betreft geen bedenkingen bestaan;

c. aan hem ten aanzien van het betrokken beroep een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen is afgegeven.

De rechtbank merkt op dat partijen in deze procedure het onder b bepaalde plegen aan te duiden als een aanvraag ter verkrijging van een verklaring van vakbekwaamheid.

In artikel 1 van Richtlijn 77/453/EEG zijn minimumopleidingseisen voor algemeen ziekenverplegers gegeven.

Krachtens artikel 4 van Richtlijn 77/452/EEG erkent elke lid-staat, ten aanzien van onderdanen van de lid-staten welker diploma's, certificaten en andere titels niet beantwoorden aan het geheel der minimumopleidingseisen, bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 77/453/EEG, als genoegzaam bewijs de voor de inwerkingtreding van genoemde richtlijn door die lid-staten afgegeven diploma's, certificaten en andere titels van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, indien deze vergezeld gaan van een verklaring waarin wordt bevestigd dat deze onderdanen de werkzaamheden van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger gedurende ten minste drie jaren tijdens de vijf jaren die aan de afgifte van de verklaring voorafgaan, daadwerkelijk en op wettige wijze hebben verricht.

In artikel 1, onder c, van de Richtlijn 89/48/EEG is de volgende definitie van een gereglementeerd beroep gegeven: een gereglementeerde beroepsactiviteit of het geheel van gereglementeerde beroepsactiviteiten die in een lid-staat dit beroep vormen. Voorts wordt onder d van voormeld artikel de volgende definitie van een gereglementeerde beroepsactiviteit gegeven: een beroepsactiviteit, voor zover de toegang tot of de uitoefening dan wel één van de wijzen van uitoefening daarvan, in een lid-staat krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk is gesteld van het bezit van een diploma. Wijzen van uitoefening van een gereglementeerde beroepsactiviteit zijn met name:

- de uitoefening onder het voeren van een beroepstitel, indien het voeren van deze titel beperkt blijft tot bezitters van een diploma, dat is vastgelegd in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen.

Krachtens artikel 8 van de Richtlijn 89/48/EEG moet de procedure voor het onderzoek van een aanvraag om een gereglementeerd beroep te mogen uitoefenen, zo spoedig mogelijk worden voltooid. Dit houdt volgens deze bepaling in ieder geval in dat de aanvraagprocedure uiterlijk vier maanden na de indiening van het volledige dossier van de aanvrager door een met redenen omkleed besluit van de bevoegde autoriteit van de ontvangende lid-staat dient te worden afgesloten.

Ingevolge artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een bestuursorgaan binnen de bij wettelijke voorschrift bepaalde termijn een beschikking te geven. Indien een dergelijke termijn ontbreekt, dient dit te geschieden binnen een redelijke termijn, doch in ieder geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

In artikel 4:15 van de Awb is bepaald dat de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

3.4. Beoordeling van het beroep

De rechtbank overweegt allereerst dat het beroep van verpleegkundige moet worden aangemerkt als een gereglementeerd beroep in de zin van artikel 1 van de Richtlijn 89/48/EEG, aangezien de uitoefening onder het voeren van een beroepstitel van verpleegkundige door de Wet BIG is voorbehouden aan diegene die is ingeschreven in het BIG-register, voor welke registratie het bezit van een diploma als bedoeld in de Wet BIG is vereist.

De rechtbank overweegt daarnaast dat overeenkomstig artikel 8 van voormelde Richtlijn op verweerder de plicht rust om de procedure voor het onderzoek van een aanvraag om een gereglementeerd beroep te mogen uitoefenen uiterlijk binnen vier maanden na indiening van het volledige dossier van de aanvrager door middel van een met redenen omkleed besluit af te ronden. Mede gelet op de doelstelling achter voormelde Richtlijn legt de rechtbank bovengenoemd artikel zo uit dat de volledige aanvraagprocedure om een gereglementeerd beroep te mogen uitoefenen binnen vier maanden door middel van een beslissing van de daartoe bevoegde autoriteit moet zijn afgerond.

De rechtbank overweegt voorts dat in bovengenoemde Richtlijn genoemde aanvraagprocedure om een gereglementeerd beroep te mogen uitoefenen in Nederland onder meer is geïmplementeerd in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s en in de Wet BIG.

In laatstgenoemde wet is (onder meer) met betrekking tot verpleegkundigen een stelsel van registratie en beroepstitelbescherming gecodificeerd. Dit wettelijk stelsel bepaalt – kort gezegd – dat op grond van artikel 6 van de Wet BIG de aanvrager, die niet beschikt over een in artikel 32 van de Wet BIG genoemd getuigschrift en die derhalve niet wordt geacht te voldoen aan de in de Wet BIG genoemde opleidingseisen, niet in het BIG-register wordt ingeschreven, tenzij de aanvrager voldoet aan hetgeen onder a tot en met c van artikel 41, eerste lid, van de Wet BIG is bepaald.

Voor buitenlands gediplomeerden (die niet beschikken over een aangewezen diploma als bedoeld onder a van voormeld artikel dan wel over een EG-verklaring zoals bedoeld onder c van voormeld artikel) bestaat op grond van artikel 41, eerste lid, onder b, van de Wet BIG de mogelijkheid om een aanvraag ter verkrijging van een zogeheten verklaring van vakbekwaamheid bij verweerder in te dienen. Gelet op de Circulaire, behorende bij bovengenoemde Regeling, gaat het in de regel om aanvragen van buitenlands gediplomeerden, die niet in het bezit zijn van een diploma als bedoeld in de Regeling.

De aanvraagprocedure ter verkrijging van een verklaring van vakbekwaamheid is uitvoerig beschreven in de Circulaire. Hierin is onder meer bepaald dat de behandelduur van de aanvraag overeen moet stemmen met de in de Awb genoemde termijnen, waarbij moet worden gerekend vanaf het moment dat er sprake is van een dusdanig compleet dossier dat de behandeling van de aanvraag mogelijk is. Voorts gaat de Circulaire er vanuit dat de aanvrager schriftelijk op de hoogte wordt gebracht van de beslissing van verweerder en dat vervolgens door verweerder een kopie van een positieve beslissing naar het BIG-register wordt gestuurd, opdat er een aanvraagformulier tot inschrijving aan de aanvrager kan worden toegezonden.

Nadat een verklaring van vakbekwaamheid door verweerder aan de aanvrager is verstrekt, volgt uit de aanhef van het eerste lid van artikel 41 van de Wet BIG dat de inschrijving in het BIG-register niet wordt geweigerd. Deze inschrijving moet evenwel door middel van een daartoe ingestelde procedure worden aangevraagd. Laatstgenoemde procedure is vastgelegd in het Besluit van 13 november 1995 inzake de registratie van beoefenaren van beroepen in de individuele gezondheidszorg (verder te noemen het Registratiebesluit BIG).

Op grond van het bovenstaande constateert de rechtbank dat de aanvraagprocedure om een gereglementeerd beroep te mogen uitoefenen voor bovenbedoelde buitenlands gediplomeerden in feite twee – op elkaar volgende doch van elkaar gescheiden – aanvraagprocedures behelst.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat er in de Wet BIG noch in het Registratiebesluit BIG, zowel met betrekking tot de aanvraagprocedure ter verkrijging van een verklaring van vakbekwaamheid, als ten aanzien van de aanvraagprocedure ter inschrijving in het BIG-register, beslistermijnen worden gegeven. De rechtbank is derhalve van oordeel dat met betrekking tot beide aanvraagprocedures een beslistermijn van acht weken geldt, overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 4:13 van de Awb. Wat de aanvraagprocedure ter inschrijving in het BIG-register betreft, heeft verweerder zelf ook aangegeven dat er een beslistermijn van acht weken geldt. Wat de aanvraagprocedure ter verkrijging van een verklaring van vakbekwaamheid betreft, vindt dit oordeel steun in hetgeen hieromtrent is bepaald in voormelde Circulaire.

Het bovenstaande oordeel dat met betrekking tot beide aanvraagprocedures een termijn van acht weken dient te gelden, stemt voorts overeen met het bepaalde in artikel 8 van Richtlijn 89/48/EEG. Immers, indien de beide aanvraagprocedures van acht weken achtereenvolgens worden doorlopen, heeft dit tot resultaat dat aan de aanvrager, die een gereglementeerd beroep wil gaan uitoefenen, binnen de in voormeld artikel genoemde termijn van vier maanden omtrent deze aanvraag duidelijkheid wordt gegeven.

De rechtbank overweegt verder dat het bovenstaande oordeel onverlet laat dat de situatie zich kan voordoen dat voormelde beslistermijnen op grond van artikel 4:15 van de Awb van rechtswege worden opgeschort. Een dergelijke opschorting past binnen het kader van artikel 8 van de Richtlijn 89/48/EEG, waar die bepaling uitgaat van een maximale duur van de aanvraagprocedure na indiening van het volledige dossier.

Aangezien eiseres de termijnoverschrijding met betrekking tot de aanvraag ter inschrijving in het BIG-register als grondslag aan haar vordering tot schadevergoeding heeft gelegd, zal de rechtbank verder voorbij gaan aan hetgeen door partijen met betrekking tot de (mogelijke) termijnoverschrijding bij de aanvraag ter verkrijging van de verklaring van vakbekwaamheid naar voren is gebracht. Deze verklaring van vakbekwaamheid is uiteindelijk ook niet door verweerder afgegeven, aangezien eiseres in het BIG-register kon worden ingeschreven op grond van hetgeen onder artikel 41, eerste lid, onder a, van de Wet BIG is bepaald en partijen de afgifte van een dergelijke verklaring daarom niet meer noodzakelijk hebben geacht.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvraagprocedure ter inschrijving in het BIG-register dat verweerder naar aanleiding van de ontvangst van de aanvraag van eiseres op 26 juni 2001 bij brief van 29 juni 2001, verzonden op 2 juli 2001, aan eiseres heeft medegedeeld dat zij niet alle in het Registratiebesluit genoemde documenten heeft overgelegd en haar overeenkomstig artikel 4:5 van de Awb heeft verzocht om haar aanvraag aan te vullen. Toen op 4 augustus 2001 vervolgens bleek dat eiseres niet aan dit verzoek had voldaan, heeft verweerder bij brief van 6 augustus 2001 aan eiseres een termijn van drie weken gesteld waarbinnen zij alsnog hieraan kon voldoen. Eiseres heeft niet ontkend dat zij deze brieven heeft ontvangen. Eiseres heeft zelfs gesteld dat zij niet aan dit verzoek heeft voldaan, omdat zij van mening is dat zij de gevraagde kopieën van haar paspoort en haar diploma weldegelijk al had overgelegd.

De rechtbank overweegt dat eiseres voormelde documenten in het kader van de aanvraagprocedure met betrekking tot de verkrijging van haar verklaring van vakbekwaamheid heeft ingezonden, maar niet in het kader van de aanvraagprocedure ter inschrijving in het BIG-register.

De rechtbank constateert voorts dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de aanvraag buiten behandeling te laten en dat verweerder de aanvraag uiteindelijk zelfs heeft gehonoreerd zonder dat voormelde documenten door eiseres waren overgelegd.

De rechtbank overweegt verder dat, aangezien verweerder niet in staat is gebleken om de originele brieven over te leggen, niet door haar is vast te stellen wat de exacte duur van de opschortingen van de beslistermijn is geweest. De rechtbank acht het echter aannemelijk dat medio september 2001 de beslistermijn is verstreken. Verweerder heeft – door eerst op 18 oktober 2001 een besluit op de aanvraag van eiseres te nemen door in het BIG-register in te schrijven – deze beslistermijn ruimschoots overschreden en derhalve gehandeld in strijd met artikel 4:13 van de Awb.

Op grond van het bovenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig jegens eiseres gehandeld en dient het beroep reeds om die reden gegrond te worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd, maar de rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe overweegt de rechtbank het navolgende.

Eiseres heeft zowel in de bezwaar- als in de beroepsprocedure gesteld én desgevraagd ter zitting verklaard dat medio augustus 2001 door de X Kliniek aan haar te kennen is gegeven dat de eerdergenoemde aanstelling als verpleegkundige niet meer voor haar beschikbaar zou worden gehouden, aangezien zij op dat moment niet in het BIG-register was ingeschreven. Omdat verweerder haar ten onrechte niet tijdig in het BIG-register heeft ingeschreven, heeft eiseres aangevoerd dat zij voormelde aanstelling is misgelopen, waardoor zij in de periode augustus 2001 tot 3 december 2001 geen inkomen heeft kunnen genereren.

Verweerder heeft hieromtrent betwist dat er sprake is van causaal verband tussen het de termijnoverschrijding en de door eiseres gestelde inkomensschade.

Gezien het oordeel van de rechtbank dat verweerder tot medio september 2001 had om te beslissen op de aanvraag van eiseres ter inschrijving in het BIG-register, kan niet worden geconcludeerd dat de onrechtmatige overschrijding van de beslistermijn de gestelde schade tot gevolg heeft gehad. Immers, voor medio september 2001 was al aan eiseres meegedeeld dat de aanstelling als verpleegkundige niet meer voor haar beschikbaar was. Slechts in het geval dat verweerder onverplicht haar aanvraag sneller had behandeld dan volgens de bovengenoemde termijn is voorgeschreven, had eiseres medio augustus 2001 als verpleegkundige kunnen worden aangesteld.

De rechtbank concludeert derhalve dat – gelet ook op hetgeen in artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald – de door eiseres gestelde inkomensschade niet voor vergoeding in aanmerking komt wegens het ontbreken van causaal verband tussen het onrechtmatige handelen van verweerder en voormelde schade.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzoek tot schadevergoeding van eiseres niet voor toewijzing in aanmerking komt en door verweerder terecht is afgewezen.

De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep van eiseres gegrond is, dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand dienen te blijven.

Er bestaat geen aanleiding om één van partijen in de proceskosten te veroordelen. Wel zal de Staat het griffierecht aan eiseres moeten terugbetalen.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 28 augustus 2002;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 28 augustus 2002 geheel in stand blijven;

- gelast dat de Staat (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad € 109,- vergoedt.

Gewezen door mr. W.J.B. Cornelissen en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2003 in tegenwoordigheid van mw. mr. A. Landstra als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

afschrift verzonden op 23 juli 2003.