Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AI1158

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
17-07-2003
Datum publicatie
02-12-2003
Zaaknummer
AWB 03/853
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn in essentie verdeeld over de vraag of verweerder terecht zijn besluit waarbij de artikelen 34 tot en met 50 van het Besluit op de bij eiseres in eigendom zijnde stranden van toepassing zijn verklaard, heeft gehandhaafd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: Awb 03/264

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A., gevestigd te B

eiseres,

gemachtigde: mw. mr. D.A.J.M. Melchers, advocaat te Arnhem,

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland,

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Verweerders besluit d.d. 14 januari 2003, verzonden 15 januari 2003, kenmerk: BACO/02.094802/L.

2. Procesverloop

Verweerder heeft bij brief d.d. 1 mei 2002, verzonden 10 juni 2002, de artikelen 34 tot en met 50 van het Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (verder: het Besluit) op de door eiseres geëxploiteerde stranden aan de […] te C van toepassing verklaard.

Het daartegen bij brief d.d. 27 juni 2002 gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens eiseres is tegen verweerders besluit d.d. 14 januari 2003 bij beroepschrift d.d. 24 februari 2003 bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep ingesteld. Omdat volgens de Afdeling niet zij, doch alleen deze rechtbank van dit beroep kan kennisnemen, heeft de Afdeling het beroep bij brief d.d. 28 februari 2003 ter behandeling aan deze rechtbank doorgezonden.

Verweerder heeft bij brief d.d. 15 april 2003 een verweerschrift ingediend.

Bij brief d.d. 27 juni 2003 heeft verweerder nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter zitting van 8 juli 2003, alwaar eiseres vertegenwoordigd door Ph. van Evert, bedrijfsleider bij eiseres, bijgestaan door mw. mr. D.A.J.M. Melchers en verweerder bij gemachtigde A.B. Hamer, ambtenaar van de provincie, bijgestaan door mw. mr. drs. M.M.H. Brinke-Schulte, advocaat te Lelystad, zijn verschenen.

3. Motivering

Partijen zijn in essentie verdeeld over de vraag of verweerder terecht zijn besluit waarbij de artikelen 34 tot en met 50 van het Besluit op de bij eiseres in eigendom zijnde stranden aan de […] te C van toepassing zijn verklaard, heeft gehandhaafd.

Alvorens tot beantwoording van die vraag te komen ziet de rechtbank zich ambtshalve gesteld voor de beantwoording van een drietal daaraan voorafgaande vragen.

Allereerst de vraag of een dergelijke van toepassing verklaring is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daartoe overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 10b van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (verder: de Wet), voor zover hier van belang, gedeputeerde staten een lijst aanhouden van badinrichtingen in oppervlaktewateren en van andere plaatsen waar door een aanmerkelijk aantal personen in oppervlaktewater pleegt te worden gezwommen. Daarbij is het aan gedeputeerde staten om per badinrichting te bepalen of daarop de artikelen 34 en volgende van het Besluit (categorie C) dan wel artikel 44 van het Besluit (categorie D) van toepassing zijn/is. Immers volgens de Nota van Toelichting bij het Besluit zullen gedeputeerde staten in gevallen waarbij twijfel bestaat in welke categorie een badinrichting moet worden ingedeeld, hebben te bepalen van welke categorie sprake is en aan welke voorschriften dus moet worden voldaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een besluit tot van toepassing verklaring als hier aan de orde een zelfstandig rechtsgevolg inhoudt. Immers de houder van een badinrichting worden daarbij verplichtingen opgelegd die de Wet en het Besluit verbinden aan het zijn van houder van een badinrichting in de C- danwel de D-categorie. Daarmee heeft een zodanig aanwijzingsbesluit een zelfstandig rechtsgevolg, welke rechtsgevolg niet reeds uit de Wet of het Besluit zelf voortvloeit. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het met het oog op een doelmatige rechtsbescherming aangewezen is bedoelde van toepassingverklaring aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb zodat deze besluiten ook vatbaar zijn voor bezwaar en beroep.

Vervolgens gesteld voor de vraag of ook in dít geval de op 10 juni 2002 verzonden brief d.d. 1 mei 2002 is aan te merken als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, beantwoordt de rechtbank die vraag eveneens bevestigend. Daarvoor oordeelt zij doorslaggevend dat verweerder daarbij heeft bepaald dat de aan categorie C verbonden verplichtingen reeds met onmiddellijke ingang gedurende het zwemseizoen 2002 gelden. Reeds daarom kan, anders dan namens eiseres is betoogd, geen sprake zijn van een voornemen om tot een besluit te komen.

Dit oordeel over verweerders brief d.d. 1 mei 2002 brengt tevens mee dat verweerder het tegen die brief gemaakte bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht.

Tenslotte gesteld voor de vraag of het onderhavige beroep ontvankelijk is, beantwoordt de rechtbank die vraag ontkennend. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerders besluit d.d. 1 mei 2002 geen verdere strekking heeft dan te bepalen dat voor het zwemseizoen 2002 eiseres reeds moet voldoen aan de categorie C eisen. De reden waarom een definitieve aanwijzing niet reeds in 2002 kon volgen was – naar namens verweerder ter zitting is verklaard – gelegen in de omstandigheid dat de lijst, waarop de categorie-indeling in de openbaarheid was gebracht, reeds was voltooid en verzonden. Ter zitting is echter gebleken dat eiseres gedurende het zwemseizoen 2002 niet daadwerkelijk heeft voldaan aan de bij de categorie-indeling horende eisen. Namens verweerder is ter zitting verklaard dat mede onder invloed van de tegen die gewijzigde categorie-indeling ingediende bezwaren van eiseres en anderen niet op de naleving van die eisen is gecontroleerd en eiseres derhalve evenmin wegens die niet-naleving sancties heeft opgelegd. Met andere woorden: van verweerders wijziging in de categorie-indeling heeft eiseres geen enkel nadeel ondervonden.

Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiseres – zoals namens haar ook ter zitting is erkend – geen enkel belang meer heeft bij een beoordeling van verweerders, na afloop van het zwemseizoen 2002 genomen, besluit d.d. 14 januari 2003, waartegen eiseres ook na afloop van dat seizoen beroep heeft ingesteld. Dat daarmee – zoals namens eiseres wel is betoogd – een uiteindelijke rechterlijke toetsing van besluiten als de onderhavige onmogelijk is geworden, volgt de rechtbank niet. Immers, de Awb kent voldoende instrumenten om een rechterlijk toetsing van een besluit van een in de tijd beperkte geldigheid mogelijk te maken.

Het vorenstaande brengt mee dat eiseres geen processueel belang toekomt als gevolg waarvan het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Gewezen door mr. W.J.B. Cornelissen en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2003 in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

afschrift verzonden op 17 juli 2003.