Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AI0885

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
07-08-2003
Datum publicatie
07-08-2003
Zaaknummer
201684 CV 03-1032
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

huurrecht woonruimte, aansprakelijkheid binnenschilderwerk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E

sector kanton - locatie Deventer

Zaaknr.: 201684 CV 03-1032

datum : 7 augustus 2003

Vonnis in de zaak van:

[Eisende partij],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde mr. C.J. van Veen, advocaat te Barneveld,

rolgemachtigde G. Wind, gerechtsdeurwaarder te Deventer,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

BETER WONEN - SAMENWERKING,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde partij, verder te noemen: "BWS",

verschenen bij haar directeur.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding van 2 mei 2003

- het antwoord van BWS

- de nadere toelichting van partijen.

Het geschil

De vordering van [Eisende partij] strekt er toe dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, BWS zal veroordelen om aan [Eisende partij] te betalen een bedrag van € 10.117,94, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2002 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van BWS in de kosten van de procedure.

BWS heeft de vordering bestreden en de afwijzing daarvan bepleit.

Vaststaande feiten

1.

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) weersproken, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. In december 2001 is [Eisende partij] op medische gronden geplaatst op de urgentielijst van BWS, een woningbouwvereniging, voor een woning.

b. Eind december 2001 heeft BWS aan [Eisende partij] aangeboden de woning aan de [perceel] te [woonplaats]. [Eisende partij] heeft deze woning onmiddellijk en ongezien geaccepteerd.

c. Op 8 januari 2002 is tussen [Eisende partij] en BWS een huurovereenkomst met betrekking tot voormelde woning ondertekend, ingaande 9 januari 2002. In deze overeenkomst zijn onder meer toepasselijk verklaard "de Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte van verhuurder vastgesteld d.d. 08 september 1998".

d. Vervolgens heeft [Eisende partij] op 8 januari 2002, onder meer vergezeld van de heer Voerman, opzichter bij BWS, de woning voor het eerst betreden. [Eisende partij] heeft daarop aan Voerman te kennen gegeven niet akkoord te gaan met de staat van oplevering van de woning. Voerman heeft vervolgens afwijzend gereageerd en geantwoord dat de woning technisch gezien in orde is, dat de buitenkant voor de verhuurder is en de binnenkant voor de huurder.

e. [Eisende partij] heeft daarop in januari en juni 2002 door het bedrijf [X] te [woonplaats] schilder- behang- en sauswerk in voormelde woning laten verrichten. Voor de in januari 2002 verrichte werkzaamheden is een bedrag van € 9.767,05 aan [Eisende partij] in rekening gebracht en voor de in juni 2002 verrichte werkzaamheden een bedrag van € 350,89. [Eisende partij] heeft voor het verrichten van deze werkzaamheden geen (voorafgaand) overleg met BWS gevoerd.

f. Op het verzoek van [Eisende partij] om een vergoeding voor de kosten van de verrichte werkzaamheden heeft BWS bij brief van 27 juni 2002 bericht van mening te zijn dat de woning in voldoende staat is opgeleverd.

g. De daarop door [Eisende partij] benaderde Geschillencommissie Sociale Huursector Salland heeft bij brief van 28 oktober 2002 aan [Eisende partij] bericht aan BWS geadviseerd te hebben de klacht ongegrond te verklaren. In de aan BWS daaromtrent verzonden brief is onder meer vermeld: "(..) In het onderhavige geval is de woning echter begin januari 2002 geaccepteerd en is op een later tijdstip (in maart 2002) bij brief aangegeven, dat de aanvaarding onder protest geschiedde. (..) Voorts heeft de woningbouwvereniging een opnamerapport toegezonden, waaruit blijkt dat de woning een voorinspectie heeft gehad op 4 december 2001 en een eindinspectie op 28 december 2001. Door of namens de woningbouwvereniging zijn er schoonmaakkosten gemaakt en daarnaast zijn er door een aannemer en door een loodgieter / elektricien de meest noodzakelijke werkzaamheden uitgevoerd.

Hoewel de Geschillencommissie de indruk heeft gekregen [dat] het opgeleverde huis er verre van optimaal uit zag is zij toch van mening dat de klacht niet gegrond dient te worden verklaard. Deze opvatting berust op het feit dat tussen partijen een huurovereenkomst is gesloten, een contract, waar beide partijen aan gebonden zijn. Er bestond kennelijk wilsovereenstemming tussen beide partijen om ten aanzien van bedoelde woning een huurovereenkomst aan te gaan, waarbij de woning geaccepteerd werd in de toestand waarin deze zich bevond. [Eisende partij] heeft om haar moverende reden de woning ongezien geaccepteerd. Dit brengt met zich mee dat zij bewust het risico genomen heeft dat de woning mogelijk niet zou voldoen aan haar idee wat onder een behoorlijke staat van oplevering verstaan zou kunnen worden. Ze heeft derhalve bewust het risico genomen dat de woningbouwvereniging een ander uitleg van "een goede staat van onderhoud" zou hebben dan zij zelf had. (..)"

h. Bij brief van 31 december 2002 heeft BWS aan [Eisende partij] bericht dat BWS het advies van de Geschillencommissie overnam en dat zij besloten heeft om haar geen tegemoetkoming in de kosten toe te kennen.

De beoordeling

2.

Partijen strijden over het antwoord op de vraag of BWS gehouden is de door [Eisende partij] gemaakte kosten te vergoeden.

3.

Vaststaat dat die door [Eisende partij] gemaakte kosten zien op de binnenzijde van de woning en verband houden met schilder-, behang- en sauswerk van verschillende muren, kozijnen en deuren. Uit het commentaar van de ingeschakelde derde valt op te maken dat met name de aangetroffen kleuren van de wanden en deuren, te weten felblauw, felgroen en oranje, bij [Eisende partij] bezwaren ontmoette. Tevens staat vast dat [Eisende partij] de opdracht voor die werkzaamheden heeft gegeven nadat de opzichter van BWS bij de sleuteloverdracht van 8 januari 2002 aan [Eisende partij] te kennen heeft gegeven - samengevat - dat het op orde brengen van de binnenzijde voor [Eisende partij] was nu de woning technisch gezien in orde was en dat [Eisende partij] verder geen nader contact met BWS daarover heeft gehad.

4.

Het voorgaande brengt reeds mee dat, zo al een onderhouds- c.q. reparatieverplichting ter zake voor BWS kan worden aangenomen, de vordering tot schadevergoeding afstuit op het feit dat BWS niet in verzuim is geraakt nu een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:83 BW heeft ontbroken. Een ingebrekestelling ofwel een aansporing van BWS om alsnog deugdelijk na te komen, was noodzakelijk nu niet valt in te zien dat de erbarmelijke staat van onderhoud van het binnenwerk, waarover [Eisende partij] spreekt, niet door BWS had kunnen worden hersteld. Anders dan [Eisende partij] veronderstelt, kan haar op 8 januari 2002 gedane uitlating dat zij niet akkoord was met de staat van onderhoud niet als een dergelijke ingebrekestelling worden aangemerkt, in de eerste plaats nu niet is voldaan aan de vereiste van schriftelijkheid en voorts aangezien gesteld noch gebleken is dat de opzichter daarvoor (ook) als vertegenwoordiger van BWS kon worden aangemerkt. Anders dan [Eisende partij] betoogt, kan uit de reactie van de opzichter niet worden afgeleid dat daarmee gegeven was dat (ook) BWS (blijvend) zou weigeren de door [Eisende partij] verlangde werkzaamheden uit te voeren.

5.

Evenmin is voldoende komen vast te staan dat er sprake is van gebreken die voor verantwoordelijkheid van BWS als verhuurder dienen te komen.

5.1

Daartegen pleit allereerst dat [Eisende partij] de woning ongezien heeft geaccepteerd. Gesteld noch gebleken is dat zij daarbij heeft geïnformeerd naar de staat van onderhoud van de binnenzijde dan wel ter zake enig voorbehoud heeft gemaakt. Dit betekent dat [Eisende partij] de woning in beginsel heeft aanvaard in de feitelijke toestand waarin deze zich bevond. Dit uitgangspunt geldt voor gebreken die [Eisende partij] zelf heeft kunnen waarnemen, in het bijzonder voor de gestelde gebreken aan het binnenwerk van de woning, bestaande uit, zoals [Eisende partij] stelt, erbarmelijk schilder-, behang- en sauswerk van de binnenzijde van de woning. Nu [Eisende partij] om haar moverende reden er van heeft afgezien om de woning te bezichtigen alvorens deze te accepteren, kan zij BWS niet tegenwerpen dat het binnenwerk haars inziens onvoldoende is. Het feit dat [Eisende partij], zoals zij stelt, op grond van haar urgentie de woning niet heeft gezien alvorens te accepteren, kan bezwaarlijk aan BWS worden tegengeworpen, te minder nu zij kennelijk eerst na omstreeks twee weken na aanbieding van de woning de huurovereenkomst heeft doen ingaan.

5.2

Verder pleit daartegen het feit dat [Eisende partij] zich op 8 januari 2002 juist bij huurovereenkomst heeft verbonden voor het zelf (doen) verrichten van geringe dagelijkse onderhouds- en reparatiewerkzaamheden. In de huurvoorwaarden, als bedoeld in r.o. 1 sub c., is immers onder sub a van artikel 8 bepaald dat daartoe in ieder geval wordt gerekend "het witten, sausen, behangen en schilderen binnenshuis". Nu gesteld noch gebleken is dat door het beweerdelijk gebrekkige binnenwerk de woning in vervallen toestand verkeerde ofwel ongeschikt was voor bewoning, valt niet in te zien dat deze verdeling van werkzaamheden in de gegeven omstandigheden onbillijk of ongebruikelijk zou zijn en/of dat [Eisende partij] niet aan haar contractuele verbondenheid kon worden gehouden.

6.

Het betoog van [Eisende partij] dat BWS bij aanbieding van de woning de staat van het binnenwerk had dienen mee te delen, dient, gelet op het hiervoor overwogene, eveneens te worden verworpen. Het feit dat [Eisende partij] in een urgentiepositie verkeerde maakt dat niet anders, te minder nu gebleken is dat [Eisende partij] zich contractueel tot onderhoud van het schilderwerk e.d. heeft willen verplichten. Uit dat laatste, gevoegd bij het feit dat de staat dan wel de bestaande kleuren van het binnenwerk op eenvoudige wijze door een enkele bezichtiging had(den) kunnen worden vastgesteld, volgt dat op BWS geen (bijzondere) mededelingsplicht rustte met betrekking tot die staat en/of kleurgebruik.

7.

Gelet op het bovenstaande bestaat er evenmin aanleiding om tot een onrechtmatig handelen van BWS jegens [Eisende partij] te concluderen.

8.

Het door [Eisende partij] aan haar vordering ten grondslag gelegde vindt dan ook geen steun in de hierboven vastgestelde feiten. De vorderingen zijn derhalve niet toewijsbaar.

9.

[Eisende partij] zal als de in dit geding in het ongelijk gestelde partij in de kosten daarvan worden verwezen.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering van [Eisende partij] af;

- veroordeelt [Eisende partij] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van BWS begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 7 augustus 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.