Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AH9102

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
13-06-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
200091 ha 03 307
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek strekt tot ontbinding van deze arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen, bestaande in een verandering in de omstandigheden van dien aard dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Verzoekster voert daartoe aan dat verweerster (..) weigert om op goede en constructieve wijze samen te werken met haar leidinggevende, dat verweerster zich niet laat aanspreken op haar negatieve en wantrouwende houding tegenover leidinggevende noch op de wijze waarop zij meent haar functie met de daarbij behorende verplichtingen te moeten uitvoeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E

sector kanton - locatie Zwolle

zaaknr.: 200091 HA VERZ 03-307

datum : 13 juni 2003

BESCHIKKING

OP EEN VERZOEK TOT ONTBINDING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMST

in de zaak van:

[VERZOEKSTER],

gevestigd te [woonplaats],

verzoekende partij, verder te noemen: "[verzoekster]",

gemachtigde mr. R.H. Broeksema, advocaat te Zwolle,

tegen

[VERWEERSTER],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij, verder te noemen: "[verweerster]",

gemachtigde mr. F.J.T. van Gelderen, advocaat te Maarssen.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift van 22 april 2003

- het verweerschrift van 1 mei 2003.

De mondelinge behandeling is gehouden op 26 mei 2003.

Verschenen zijn:

- namens [verzoekster]: de heren [A], directeur, [B], regiomanager en leidinggevende], clustermanager, vergezeld van mr. Broeksema voornoemd,

- [verweerster], vergezeld van mr. Van Gelderen voornoemd.

Na de mondelinge behandeling is datumbepaling van de beslissing aangehouden tot 10 juni 2003 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een schikking te beproeven. Op 10 juni 2003 is namens [verzoekster] bericht dat partijen niet tot een vergelijk zijn gekomen, waarna beschikking is bepaald op heden. Op het buiten de gestelde termijn ontvangen faxbericht van de gemachtigde van [verweerster] d.d. 12 juni 2003 is verder geen acht geslagen.

Het geschil

1. Standpunten van partijen

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. [verzoekster] is een instelling op een christelijke/gereformeerde grondslag die huizen beheert, waarin geestelijk en veel ook meervoudig gehandicapte mensen wonen en verzorgd worden.

b. Op 1 juli 2000 is [verweerster], geboren op 27 maart 1979, bij (de rechtsvoorgangster van) [verzoekster] in dienst getreden als assistent groepsbegeleidster en zij is als zodanig werkzaam bij het huis "X". Haar laatst verdiende salaris bedraagt € 1.400,80 bruto per maand inclusief vakantietoeslag en overige emolumenten op basis van een aanstelling van 80%.

c. Vanaf augustus 2002 is [verweerster] een aantal malen door haar leidinggevende aangesproken op haar houding, onder meer over het aan collega's vertellen van een andere reden voor ziekmeldingen dan verteld aan [leidinggevende] en het door haar vergeten van een dienst. [leidinggevende] heeft in dat kader aan [verweerster] voorgesteld haar te laten coachen door een interne trainer, op welk voorstel [verweerster] niet is ingegaan.

d. Op 23 oktober 2002 is tussen [verweerster], [leidinggevende] en [regiomanager], regiomanager, leidinggevende van [leidinggevende], gesproken over de tussen [verweerster] en [leidinggevende] ontstane wrijvingen.

e. Op 18 november 2002 is tussen [verweerster] en [leidinggevende] een functioneringsgesprek gehouden. Dat gesprek is voor [verweerster] overwegend positief behoudens het onderdeel "Samenwerking met zorgmanager" [leidinggevende]. Daarover is het verslag opgenomen: "Met de manager is het goed communiceren over de klus. Komen onderwerpen als relatie en houding ter tafel dan is dat minder. Wellicht wil [verweerster] hierin tijd, om dit stukje te laten groeien."

f. Op 4 december 2002 heeft [regiomanager] nogmaals met [verweerster] gesproken over haar verstand-houding met [leidinggevende]. In dat gesprek heeft [regiomanager] onder meer aan [verweerster] aangegeven dat zij het beeld dat anderen van haar hebben moest nagaan en dat hij verder buiten de relatie tussen [verweerster] en [leidinggevende] wilde blijven.

g. In januari en februari 2003 is [verweerster] door [leidinggevende] aangesproken over het zonder bericht wegblijven van vergaderingen.

h. Op donderdag 6 februari 2003 heeft [verweerster] aan [leidinggevende] afgegeven een verslag van haar visie op de samenwerkings- en communicatieproblemen tussen hen. In dat verslag beschrijft [verweerster] een aantal situaties waarna zij dit verslag als volgt besluit: "Tot slot, ik ben van mening dat ik niet hoef te accepteren dat jij op deze manier met mij communiceert. Maar ik vind het heel erg en verdrietig dat er zo met een werknemer gecommuniceerd wordt als jij gedaan hebt. Het is ook niet in de lijn van de gesprekken die wij gevoerd hebben en het overleg van [regiomanager], vind ik. Omdat ik vrees dat onze werkverhouding opnieuw gaat escaleren, geef ik een kopie aan [regiomanager] om hem op de hoogte te stellen van de situatie."

i. Op maandag 10 februari 2003 heeft [leidinggevende] in reactie op voormeld verslag aan [verweerster] aangegeven met haar een gesprek te willen. Op 14 februari 2003 heeft [verweerster], onder vermelding dat [regiomanager] buiten hun conflict wil blijven, daar ontwijkend op geantwoord, waarop [leidinggevende] bij emailbericht van gelijke datum heeft bericht met haar de volgende week een gesprek te willen.

j. Bij emailbericht van 17 februari 2003 heeft [verweerster] als volgt gereageerd: "Op dit moment kan en durf ik geen gesprek aangaan met jou onder vier ogen. Het hele gebeuren gaat me uiteraard niet in de koude kleren zitten. Ik heb je nadrukkelijk gevraagd mij tijd te geven na te denken en ik vraag je dit te respecteren." [leidinggevende] heeft daarop als volgt gereageerd: "Je mailtje lezend, kwam de volgende vraag boven: klopt het dat je met dit mailtje aangeeft deze week niet met mij een gesprek te willen? In afwachting van je reactie."

k. Bij emailbericht van 21 februari 2003 heeft [verweerster] aan [leidinggevende] bericht: "Ik heb nooit gezegd dat ik geen gesprek wil. Ik heb gezegd dat ik niet onder vier ogen met je wil spreken. Ook heb ik gevraagd of je me de tijd wilt gunnen na te denken. Ik heb graag dat je reageert op wat ik echt aan je vraag en niet wat je denkt dat ik misschien bedoel." [leidinggevende] heeft daarop bij emailbericht van gelijke datum het volgende geantwoord: "Op 14 februari jl. heb ik je gevraagd deze week een gesprek met me te hebben. Dit naar aanleiding van de enveloppe met inhoud die jij daags daarvoor had afgegeven. Immers een dergelijke boodschap vraagt om een (in)dringend gesprek. Na enkele keren heen en weer te hebben gemaild moet ik vaststellen dat het gesprek deze week niet heeft plaatsgevonden. In termen van samenwerking en communicatie vind ik dit op grond van mijn verantwoordelijkheid niet goed. Het is daarom dat ik hier [regiomanager] van op de hoogte breng. Hij zal je eerdaags oproepen voor een gesprek. Jammer dat het zo loopt........... maar ik zie op dit moment geen andere mogelijkheden."

l. [regiomanager] heeft [verweerster] vervolgens voor een gesprek opgeroepen voor woensdag 5 maart 2003. In verband met de op 28 februari 2003 door een collega van [verweerster] gestelde vraag naar het telefoonnummer van de vertrouwenspersoon van [verzoekster] is dit gesprek vervroegd naar maandag 3 maart 2003. In dit gesprek heeft [verweerster] erkend dat zij met collega's heeft gesproken over de situatie met [leidinggevende] en dat aannemelijk is dat een collega vervolgens - zij het niet op haar verzoek - informatie is gaan verzamelen over de vertrouwenspersoon. [regiomanager] heeft [verweerster] vervolgens voor de duur van één week geschorst. In de daarop daarover aan [verweerster] gezonden brief van 4 maart 2003 is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

"Ik heb sterk de indruk dat, door de wijze waarop u met de overige medewerk(st)ers communiceert en uw ongenoegen uit, er ernstige onrust ontstaat binnen de organisatie. Hierdoor komt naar mijn oordeel het welzijn van de bewoners en de werkzaamheden van de andere personeelsleden direct in gevaar. Hierbij valt te denken aan een gebrek aan aandacht bij de overdracht van diensten van wezenlijke informatie over de bewoners.

Ik constateer dat er, naar mijn mening bewust of onbewust, een sfeer van geheimzinnigheid en misverstanden in en rond de communicatie met u bestaat. Hierdoor wordt de aandacht van het primaire proces, goede zorg en begeleiding van de bewoners van de [instelling], zoals gezegd ernstig in gevaar gebracht.

Kortom op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat er sprake is van ernstige redenen die mij er toe hebben genoodzaakt om te besluiten u voor de duur van een week te schorsen.

U hebt conform artikel 2:8, 2e lid van de CAO, het recht om binnen 4 werkdagen na dagtekening van deze brief u tegenover de werkgever te verantwoorden, waarbij u zich door een raadsman kunt doen bijstaan. Nadien zal ik mijn definitieve standpunt inzake het vorenstaande innemen."

m. [verweerster] heeft zich vervolgens op 5 maart 2003 ziekgemeld en gemeld dat een advocaat namens haar zal reageren. [verzoekster] heeft daarop de schorsing met één week verlengd.

n. Bij brief van 13 maart 2003 heeft de gemachtigde van [verweerster] - samengevat - aan [verzoekster] bericht dat de communicatieproblemen met [leidinggevende] niet aan [verweerster] te wijten zijn, dat [verzoekster] de kwestie onnodig heeft laten escaleren, dat [verweerster] aan haar lot is overgelaten en dat [verzoekster] onbesuisd heeft gereageerd door haar met onmiddellijke ingang op non-actief te stellen, waarop namens [verweerster] is gesommeerd om de op-non-actiefstelling in te trekken en haar in haar eigen functie tewerk te stellen, bij gebreke waarvan rechtsmaatregelen zullen worden getroffen.

o. [verweerster] is niet ingegaan op een door [verzoekster] vervolgens gedaan aanbod om in een huis in een andere regio van [verzoekster] werkzaam te zijn.

2. Verzoek

Het verzoek strekt tot ontbinding van deze arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen, bestaande in een verandering in de omstandigheden van dien aard dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

[verzoekster] voert daartoe aan dat [verweerster], ondanks diverse pogingen haar te corrigeren, weigert om op goede en constructieve wijze samen te werken met haar leidinggevende [leidinggevende], dat [verweerster] zich niet laat aanspreken op haar negatieve en wantrouwende houding tegenover [leidinggevende] noch op de wijze waarop zij meent haar functie met de daarbij behorende verplichtingen te moeten uitvoeren. Gelet op de gerezen situatie, in het bijzonder op haar escalerend optreden, is het benodigde vertrouwen voor voortzetting van de arbeidsrelatie verdwenen.

3. Verweer

[verweerster] voert aan dat er geen verandering van omstandigheden is die tot een beëindiging zou moeten lopen nu de gestelde verwijten onterecht zijn. Zij heeft immer positieve waardering kregen omtrent haar persoonlijke inzet en de uitvoering van haar functionele werkzaamheden. Zij heeft geen enkele aanleiding gegeven voor de op-non-actiefstelling van 3 maart 2003. Er is vooraf geen enkel redelijk overleg geweest over haar functioneren, zodat de actie van [verzoekster] onbesuisd en lichtvaardig is. [verzoekster] is over de verwijten aan haar adres vaag, insinuerend en beledigend. Het is onjuist dat zij weigert om met [leidinggevende] op goede wijze samen te werken. [leidinggevende] is in haar richting evenwel zweverig en onduidelijk. Nu [leidinggevende] onduidelijk bleef waarover hij nu een gesprek met haar wilde en haar onder druk zette, is zij daarop niet ingegaan. [verzoekster] maakt haar dan ook ten onrechte verwijten. Ondanks deze verwikkeling heeft [verweerster] vertrouwen dat er in de toekomst samenwerking mogelijk is. Subsidiair betoogt [verweerster] dat, mocht het tot een ontbinding moeten komen, er aanleiding is om haar een vergoeding toe te kennen ter grootte van twaalf maanden salaris, te berekenen op een bedrag van € 22.692,-- bruto.

De beoordeling

4.

[verzoekster] heeft verklaard dat haar verzoek geen verband houdt met het bestaan enig verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Nu [verweerster] die stelling niet heeft weersproken en ook overigens uit haar verweer niet blijkt van enig verband tussen het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst enerzijds en een in de wet geregeld opzeggingsverbod anderzijds, gaat de kantonrechter ervan uit dat de stelling van [verzoekster] juist is, zodat niet al de (situatieve) arbeidsongeschiktheid van [verweerster] aan inwilliging van het verzoek in de weg staat.

5.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gewichtige reden in de zin van artikel 7:685 BW op grond waarvan ontbinding van de arbeidsovereenkomst geboden is, overweegt de kantonrechter allereerst dat [verzoekster] en [verweerster] op grond van artikel 7:611 BW over en weer verplicht zijn zich als een goed werkgever respectievelijk goed werknemer te gedragen. Dit brengt wat [verweerster] betreft mee dat zij op redelijke verzoeken van [verzoekster] verband houdende met haar werkzaamheden in het algemeen positief behoort in te gaan en dergelijke verzoeken alleen mag afwijzen wanneer inwilliging ervan redelijkerwijs niet van haar gevergd kan worden. Dit geldt in het bijzonder wanneer [verzoekster] met haar haar functioneren wil bespreken, in welk geval slechts zeer bijzondere omstandigheden een overleg daarover kunnen verhinderen.

6.

Wanneer vermeld uitgangspunt wordt toegepast op deze zaak, dan constateert de kantonrechter dat [verweerster] willens en wetens een gesprek met [leidinggevende] uit de weg is gegaan hoewel zij juist in haar verslag, zoals op 6 februari 2003 aan [leidinggevende] afgegeven, een aantal substantiële verwijten maakt over zijn wijze van communiceren en zij verder melding maakt van een haars inziens optredende "escalatie". Daargelaten de juistheid van de inhoud van dat verslag en de daarin verwoorde verwijten had [verweerster] mogen verwachten dat daarover zou worden doorgesproken en had van haar daarvoor de nodige soepelheid mogen worden verwacht. In haar ontwijkende gedrag heeft [verweerster] volhard, ook nadat zij zich medio februari 2003 - opnieuw en ditmaal tevergeefs - had gewend tot [leidinggevende]'s leidinggevende [regiomanager] en deze haar te verstaan heeft gegeven dat zij met [leidinggevende] diende te zoeken naar een oplossing voor hun verstandhouding. [verweerster]s vervolgens ingenomen houding kan, gelet op het onder r.o. 1 sub k. weergegevene, niet anders worden gezien dan ongezeglijk en niet constructief.

7.

Het ontgaat de kantonrechter verder waarom [verweerster] vervolgens haar verstandhouding met [leidinggevende] wel met haar collegae heeft besproken en kennelijk op een wijze die minstens één collega er toe heeft gebracht om het telefoonnummer van de binnen [verzoekster] bestaande vertrouwenspersoon te achterhalen, een functionaris die klachten over ongewenste intimiteiten in behandeling neemt. Nu gesteld noch gebleken is dat [leidinggevende] daarvoor enige aanleiding heeft gegeven, kan [verweerster]s nadere handelwijze, die niet anders dan als onrustveroorzakend en escalerend kan worden beschouwd, te minder de toets der kritiek doorstaan.

8.

Mogelijk is [verweerster] verrast geweest door de door [verzoekster] per 4 maart 2003 opgelegde schorsing voor de duur van één week, doch zij kan, gelet op het emailbericht van [leidinggevende] d.d. 21 februari 2003, in redelijkheid niet menen dat haar handelwijze zonder meer geen gevolgen voor haar zou hebben. In dat emailbericht is immers verwoord dat [leidinggevende] haar houding bij [regiomanager], een hoger leidinggevende, aan de orde zou stellen en dat deze haar zou oproepen voor een gesprek ter zake. Dat [verzoekster] vervolgens in dat gesprek tot een kortdurende schorsing komt voor (wederzijds) beraad en een latere definitieve standpuntbepaling, is, tegen achtergrond van het voorgevallene, naar het oordeel van de kantonrechter jegens [verweerster] niet onbillijk te achten.

9.

In de op de schorsing gevolgde, namens [verweerster] gegeven reactie d.d. 13 maart 2003 kan evenmin een opening voor (open) communicatie over de gerezen problemen worden gevonden. In deze reactie wordt immers alles toegeschreven aan [verzoekster] (en met name aan [leidinggevende]) en blijkt geenszins van enige (zelf)reflectie. Wat daar verder ook van zij, duidelijk blijkt dat [verweerster] ook toen niet bereid was om met [verzoekster] (en met name met [leidinggevende]) over haar functioneren te spreken. Ook uit hetgeen ter zitting is verwoord blijkt geen opening of bereidheid.

10.

Nu voorts gebleken is dat partijen niet tot een vergelijk hebben kunnen komen over voortzetting in een alternatieve functie en/of in een ander huis, moet de inmiddels ontstane situatie dusdanig worden beoordeeld dat van [verzoekster] redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Niet valt in te zien immers hoe zij in de toekomst nog vruchtbaar met elkaar zouden kunnen samenwerken. De arbeidsovereenkomst zal derhalve op grond van gewichtige redenen ontbonden worden.

11.

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt verder mee dat, anders dan [verweerster] betoogt, zij niet naar billijkheid aanspraak kan maken op een vergoeding nu [verweerster] de thans ontstane situatie aan in overwegende mate aan zichzelf te wijten heeft.

13.

In de omstandigheden van het geval wordt aanleiding gevonden voor compensatie van de proceskosten op na te melden wijze.

De beslissing

De kantonrechter:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 16 juni 2003.

- compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. W.F. Boele, kantonrechter te Zwolle, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 13 juni 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.