Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AH9100

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
17-06-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
188845 CV 02-4181
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

DES vordert betaling van een groot aantal huurtermijnen alsmede de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Gedaagde verweert zich tegen de vordering en voert daartoe aan dat er in het geheel geen sprake is van een huurovereenkomst zodat alle vorderingen die op dat -verkeerde- standpunt zijn gebaseerd, moeten worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2004, 48

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E

sector kanton - locatie Zwolle

Zaaknr.: 188845 CV 02-4181

datum : 17 juni 2003

Vonnis in de zaak van:

WONINGBOUWVERENIGING DOOR EENDRACHT STERK,

gevestigd te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde mr. A.C. Kastelein-van Zuylen,

rolgemachtigde A. Agterhuis, gerechtsdeurwaarder te Zwolle,

tegen

GEDAAGDE,

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

gemachtigde mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding van28 november 2002

- het antwoord van de gedaagde partij

- de nadere toelichting van partijen.

Het geschil

DES vordert betaling van een groot aantal huurtermijnen alsmede de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Gedaagde verweert zich tegen de vordering en voert daartoe aan dat er in het geheel geen sprake is van een huurovereenkomst zodat alle vorderingen die op dat -verkeerde- standpunt zijn gebaseerd, moeten worden afgewezen.

De beoordeling

1.

Tussen partijen staat vast dat Gedaagde over een reeks van jaren in gebruik heeft een standplaats voor een woonwagen te [woonplaats]. Voorts staat vast dat Gedaagde op dit moment geen vergoeding betaalt voor dit gebruik.

2.

DES is van mening dat Gedaagde de standplaats op grond van een huurovereenkomst in gebruik heeft. Zij voert daartoe aan dat de Woonwagenwet op 1 maart 1999 is ingetrokken en dat tegelijkertijd de Huisvestingswet en de Huurprijzenwet zijn gewijzigd en dat in die laatste documenten een standplaats als woonruimte is geduid. Voorts wijst DES op een uitspraak van de kantonrechter te Emmen en de bekrachtiging daarvan in appel door de rechtbank te Assen.

3.

Reeds eerder en wel bij vonnis van 29 september 1992 heeft de kantonrechter als zijn oordeel uitgesproken dat niet was aangetoond dat tussen partijen (destijds de gemeente en Gedaagde ten aanzien van dezelfde standplaats) een huurovereenkomst bestond. Waarom deze overeenkomst er nu wel is, wordt in de stukken niet op overtuigende wijze uiteengezet.

4.

Gedaagde heeft terecht gewezen op artikel IX van de Wet van 1 juli 1998 tot wijziging van de Huisvestingswet, de Woningwet en enige andere wetten (Stb. 459). In dit artikel van het overgangsrecht is vastgelegd dat als gevolg van de intrekking van de Woonwagenwet en dus ook van de daarin vervatte retributie of precario regeling, B&W een bepaalde procedure moeten volgen teneinde met diegenen die onder bedoelde regeling vielen huurovereenkomsten aan te gaan. Dat betekent minst genomen dat huurovereenkomsten in die gevallen niet werden voorondersteld. De slotzin van deze bepaling maakt duidelijk dat tegen de wil van de gebruiker van de standplaats geen huurovereenkomst tot stand kan komen. Dit is natuurlijk niet verwonderlijk waar in ons recht overeenkomsten zijn gebaseerd op wilsovereenstemming. Wel was in de procedure ingebouwd dat indien de gebruiker niet of niet tijdig bezwaar zou maken tegen het huurvoorstel van B&W deze overeenstemming werd verondersteld en er vervolgens van rechtswege een huurovereenkomst tot stand kwam. Dit staat helder te lezen in het vierde lid van artikel IX, luidende:

De rechtsbetrekking tussen de gemeente en de persoon die (...) retributie verschuldigd is voor een standplaats, wordt, indien de in dit lid gevolgde procedure is gevolgd, op dat tijdstip van rechtswege omgezet in een overeenkomst van huur en verhuur van woonruimte, als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek.

5.

Deze regeling is in de wet gebracht bij Tweede nota van wijziging (Wetsvoorstel 25.333, nr. 8, 10 maart 1988). In de Toelichting op deze wijziging wordt nog aandacht geschonken aan hetgeen rechtens zal zijn, indien de huurder geen huurovereenkomst (uiteraard nadat deze is aangeboden) tekent en de gemeente ook geen nieuwe retributieverordening heeft opgesteld. Gedaagde zal zich moeten afvragen met welk recht of op grond van welke titel hij thans een standplaats inneemt, nu van huur (nog) geen sprake is en van een staangeldverordening geen sprake meer is.

6.

De kantonrechter kan DES niet volgen in haar verwijzing naar de uitspraak van zijn ambtgenoot in Emmen. Uit de tekst van de appeluitspraak, zoals die door haar in het geding is gebracht, blijkt evident dat in dat geval wel sprake was van een huurovereenkomst.

Evenmin snijdt de verwijzing naar de Huurprijzenwet enig hout: deze wet geldt zonder twijfel ook voor standplaatsen maar dan zoals DES terecht zelf citeert: bij huur en verhuur van standplaatsen.

7.

De vordering gaat in al haar onderdelen uit van het bestaan van een huurovereenkomst. DES heeft geenszins aangetoond dat tussen partijen een dergelijke overeenkomst is gaan gelden. Hierop moet de vordering stranden.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering van DES af;

- veroordeelt DES in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Gedaagde begroot op:

* € 450,- voor salaris gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. J.A.O.M. van Aerde, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 17 juni 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.