Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AH8774

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
26-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
07.840005-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel, ontvankelijkheid OM / bewijsuitsluiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 07.840005-02

Uitspraak: 26 juni 2003

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2003. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Zomer, advocaat te Steenwijk.

De officier van justitie, mr. E.E.G. Duijts, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot 5 jaar gevangenisstraf.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging zoals ter terechtzitting van 1 mei 2003 gewijzigd).

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een taalkundige onjuistheid.

ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE/ BEWIJSUITSLUITING

De raadsman van de verdachte heeft, kort en zakelijk weergegeven, betoogd dat de beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden om de volgende redenen:

a. De inhoud van de door de officier van justitie en een opsporingsambtenaar met de vier getuigen/slachtoffers gevoerde, aan de verklaring voorafgaande, informatieve gesprekken is niet vastgelegd en daardoor onttrokken aan het zicht van de rechtbank en de verdediging.

b. Het is de verdediging, door de handelwijze van het openbaar ministerie, niet mogelijk gemaakt om de getuigen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], de moeder van [slachtoffer 3] en [medeverdachte 2] vragen te (doen) stellen die in het belang van de verdediging noodzakelijk worden geacht.

De officier van justitie heeft de getuigen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gehoord, terwijl zij wist dat de rechter-commissaris ook naar St. Petersburg zou gaan om getuigen in deze zaak te horen en terwijl [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] aangaven dat zij maar één keer wilden verklaren.

De raadsman van de verdachte heeft op basis van het vorenstaande geconcludeerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard danwel dat de verklaringen van de getuigen [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] afgelegd ten overstaan van de officier van justitie en een opsporingsambtenaar in St. Petersburg als onrechtmatig verkregen van het bewijs moeten worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Ten aanzien van het onder a. aangevoerde:

Gelet op de 'Aanwijzing opsporing seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties' is het beleid van het openbaar ministerie dat mogelijke slachtoffers van zedendelicten voor het opnemen van een aangifte eerst een informatief gesprek krijgen met een zedenrechercheur waarbij de consequenties van het doen van aangifte worden besproken. Dit betreffen informatieve mededelingen aan de getuigen die naar het oordeel van de rechtbank niet behoeven te worden vastgelegd in een proces-verbaal. Ook in de onderhavige zaak is op deze wijze door het openbaar ministerie gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie aldus rechtmatig heeft gehandeld.

Ten aanzien van het onder b. aangevoerde:

De officier van justitie is bevoegd ook zelf nog opsporingsonderzoek in een zaak te doen. Deze bevoegdheid vloeit voort uit artikel 149 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 177a van het Wetboek van Strafvordering geeft een nadere regeling voor het geval er tijdens een gerechtelijk vooronderzoek opsporingshandelingen door de officier van justitie dan wel in diens opdracht worden verricht. De algemene beginselen van behoorlijk strafprocesrecht brengen met zich mee dat opsporingshandelingen tijdens het gerechtelijk vooronderzoek er niet toe mogen leiden dat de rechtspositie van de betrokkenen worden verzwakt.

Op het moment dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] aangaven dat zij maar één keer wilden verklaren had de officier van justitie het getuigenverhoor van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] niet mogen voortzetten. Doordat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] slechts eenmaal een verklaring wilden afleggen is de verdediging niet in de gelegenheid geweest vragen te stellen aan deze getuigen bij gelegenheid van een verhoor door de rechter-commissaris.

De rechtbank merkt hierbij op dat niet valt in te zien waarom een verhoor door de officier van justitie in Sint Petersburg, de voorkeur verdiende boven een verhoor door de rechter-commissaris in Sint Petersburg, in welk geval het belang van de verdediging gewaarborgd zou zijn.

Op grond van deze overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de handelwijze van de officier van justitie de toetsing aan algemene beginselen van behoorlijk strafprocesrecht niet kan doorstaan omdat de officier van justitie, bij afweging van het belang van de strafvordering tegen de belangen van de verdediging, in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten de door haar noodzakelijk geachte verhoren van de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] te continueren, terwijl zij wist dat de verdediging niet meer in de gelegenheid zou zijn vragen te stellen aan deze getuigen.

Rekening houdend met het belang dat het geschonden beginsel dient, alsmede met de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, is de rechtbank van oordeel dat de schending niet dusdanig is dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vervolging.

De rechtbank is, op grond van het vorenstaande, echter van oordeel dat de verklaringen van de getuigen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] afgelegd ten overstaan van de officier van justitie en een opsporingsambtenaar in St. Petersburg, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde feiten.

De getuigen/slachtoffers [slachtoffer 2], de moeder van [slachtoffer 3] en [medeverdachte 2] [medeverdachte 2] hebben ten overstaan van de officier van justitie niet te kennen gegeven dat zij slechts één keer een verklaring wilden afleggen. De verdediging heeft niet de mogelijkheid gehad hen te ondervragen, omdat deze getuigen/slachtoffers niet bij de rechter-commissaris zijn verschenen. Dit is evenwel niet te wijten aan de handelwijze van de officier van justitie. de rechtbank ziet derhalve geen aanleiding die verklaringen van het bewijs uit te sluiten.

BEWIJS

Voorts heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat de door de medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat er mogelijk fouten kleven aan de uitleveringsprocedure van medeverdachte [medeverdachte 1].

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit hetgeen door de verdediging is aangevoerd is niet af te leiden dat en waarom de verdachte in zijn belang zou zijn getroffen door mogelijke fouten in de uitleveringsprocedure van zijn medeverdachte [medeverdachte 1]. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de betreffende verklaringen niet behoeven te worden uitgesloten van het bewijs.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 december 2000 tot en met 15 mei 2001 in de gemeenten Zwolle en Reiderland, [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, welk feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen,

en

hij in de periode van 1 december 2000 tot en met 15 mei 2001 in de gemeenten Zwolle en/of Kampen en/of Ommen en/of Reiderland, [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] heeft aangeworven, met het oogmerk die [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] in een ander land, te weten Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, welk feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen,

en

hij in de periode van 1 december 2000 tot en met 15 mei 2001 in de gemeenten Zwolle en Reiderland opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] met een derde tegen betaling, terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht werden bewogen zich beschikbaar te stellen tot het plegen van die handelingen, welk feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen;

immers heeft hij

a

in de periode van 1 december 2000 tot en met 15 mei 2001, samen met zijn mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], [slachtoffer 1] tot slachtoffer van mensenhandel heeft gemaakt, doordat:

- [medeverdachte 2] in St Petersburg, samen met [medeverdachte 1], op verzoek van en voor verdachte en [medeverdachte 1], meisjes benaderd om in Nederland voor verdachte en/of [medeverdachte 1] te gaan werken, zonder hen vooraf te vertellen dat zij in de prostitutie zouden komen te werken;

- [slachtoffer 1] (wonende te St Petersbrug, Rusland) wilde werken in het buitenland om geld te verdienen en zij, via een vriendin ([slachtoffer 3]) die ook ging werken in het buitenland, in december 2000 in contact kwam met [medeverdachte 2];

- [slachtoffer 1] begin januari 2001 een ontmoeting had in St Petersburg met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1];

- er bij die ontmoeting is afgesproken dat zij, [slachtoffer 1], in het buitenland zou gaan werken als danseres en dat zij daartoe naar Nederland zou gaan;

- [medeverdachte 1] een vliegticket voor haar heeft geregeld om te reizen naar Nederland;

- [slachtoffer 1] en [medeverdachte 1] in Nederland zijn opgewacht door verdachte;

- [slachtoffer 1] in de [locatie 1] werd gebracht;

- [slachtoffer 1] werk heeft verricht in de [locatie 1] als prostituee;

- nadat [slachtoffer 3] was gekomen, zij samen prostitutiewerk in de [locatie 1] zijn gaan verrichten en zij samen onderdak hebben gekregen in een vakantiehuisje in Ommen;

- [slachtoffer 1] met [slachtoffer] door verdachte zijn overgebracht naar de club [locatie 2] in Nieuw Beerta, om hier te gaan werken in de prostitutie;

- in club [locatie 2] twee andere Russische meisjes (waaronder [slachtoffer 1]'s vriendin [slachtoffer 2]) werden gebracht door [medeverdachte 1], om ook te gaan werken in de prostitutie;

- verdachte en/of [medeverdachte 1] die vriendin als drukmiddel gebruikten richting [slachtoffer 1], door te zeggen dat [slachtoffer 2] mogelijk iets zou overkomen, als zij, [slachtoffer 1] zou weigeren verder te gaan werken;

- alle verdiensten aan verdachte en/of [medeverdachte 1] zijn afgedragen;

- [slachtoffer 1] door verdachte is bedreigd o.a. met de woorden "Ik zal er dan voor zorgen dat je spijt zult krijgen dat je op deze wereld geboren bent";

tengevolge waarvan [slachtoffer 1] zich in een afhankelijke positie heeft bevonden ten aanzien van de verdachte en zijn mededaders;

b

in de periode van 1 december 2000 tot en met 15 mei 2001, samen met zijn mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], [slachtoffer 3] tot slachtoffer van mensenhandel heeft gemaakt, doordat:

- [medeverdachte 2] in St Petersburg, samen met [medeverdachte 1], op verzoek van en voor verdachte en [medeverdachte 1], meisjes benaderd om in Nederland voor verdachte en/of [medeverdachte 1] te gaan werken, zonder hen vooraf te vertellen dat zij in de prostitutie zouden komen te werken;

- [slachtoffer] in december 2000 in St Petersburg door [medeverdachte 2] het voorstel werd gedaan om in Nederland te gaan werken als fotomodel of als danseres;

- [slachtoffer] op het vliegveld [medeverdachte 1] ontmoette, die haar op heeft gewacht, haar haar ticket gaf en haar tijdens de reis naar Nederland heeft begeleid;

- [slachtoffer] en [medeverdachte 1] na hun aankomst in Nederland zijn afgehaald door verdachte (die in gezelschap was van [slachtoffer 1]);

- [slachtoffer] in de [locatie 1] in Zwolle te werk is gesteld;

- [slachtoffer] met [slachtoffer 1] samen prostitutiewerk is gaan verrichten en zij samen onderdak hebben gekregen in een vakantiehuisje in Ommen;

- [slachtoffer] met [slachtoffer 1] door verdachte en/of [medeverdachte 1] zijn overgebracht naar de club [locatie 2] in Nieuw Beerta, om hier te gaan werken in de prostitutie;

- vrijwel alle verdiensten aan verdachte en/of [medeverdachte 1] zijn afgedragen;

tengevolge waarvan [slachtoffer] zich in een afhankelijke positie heeft bevonden ten aanzien van de verdachte en zijn mededaders;

c

in de periode van 1 december 2000 tot en met 15 mei 2001, samen met zijn mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], [slachtoffer 4] slachtoffer van mensenhandel heeft gemaakt, doordat:

- [medeverdachte 2] in St Petersburg, samen met [medeverdachte 1], op verzoek van en voor verdachte en [medeverdachte 1], meisjes benaderd om in Nederland voor verdachte en/of [medeverdachte 1] te gaan werken, zonder hen vooraf te vertellen dat zij in de prostitutie zouden komen te werken;

- [slachtoffer 4] in St Petersburg in januari 2001 in contact kwam met [medeverdachte 2], die haar voor hield dat zij in Nederland legaal geld zou kunnen verdienen als fotomodel, danseres of in de prostitutie;

- [slachtoffer 4] via [medeverdachte 2] in contact kwam met [medeverdachte 1], die haar hetzelfde voorstel deed;

- [medeverdachte 1] via zijn contacten een visum en een vliegticket voor haar zou regelen;

- de afspraak was gemaakt dat [medeverdachte 1] de kosten van het visum en de reis zou betalen, waarna zij deze schuld bij hem later zou kunnen aflossen;

- [slachtoffer 4] aanvankelijk niet kon of wilde vertrekken, maar dat zij uiteindelijk via [medeverdachte 2] bericht kreeg dat zij nu naar de Bondsrepubliek Duitsland zou gaan om te werken;

- [medeverdachte 2] haar werk aanbood als bardame of als danseres, waarbij gezegd is dat prostitutiewerk niet mogelijk was, nu dat verboden was in Duitsland;

- [slachtoffer 4] op 25 april 2001 samen heeft gereisd met [slachtoffer 3], die ook via [medeverdachte 2] naar het buitenland zou gaan en, zonder dat dat door [medeverdachte 2] was aangekondigd, (vanaf Parijs) onder begeleiding van/samen met [medeverdachte 1];

- [medeverdachte 2] voor beide meisjes vooraf een visum en vliegticket heeft betaald en opgehaald;

- [medeverdachte 2] hen vooraf verteld dat verdachte hen zou afhalen in Amsterdam en hun zou brengen naar de werkplek (in Duitsland);

- [slachtoffer 4], [slachtoffer 2] en [medeverdachte 1] door verdachte zijn afgehaald in Amsterdam en naar de club [locatie 2] in Nieuw Beerta zijn gebracht;

- verdachte en/of [medeverdachte 1] [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] te koop hebben aangeboden aan de eigenaar/bedrijfsleider van [locatie 2];

- in deze club ook o.a. [slachtoffer 1] en [slachtoffer] aanwezig waren;

- [slachtoffer] aan haar, [slachtoffer 4], vertelde dat er een groot bedrag als schuld was opgebouwd en deze eerst moest worden terugbetaald, alvorens er geld zou kunnen worden verdiend, waarbij slechts 1/6 (namelijk 1/3 van de helft) van het bedrag voor het meisje was;

- [slachtoffer] haar vertelde dat zij, ondanks dat zij al geruime tijd in Nederland werkte nog steeds geen geld in handen had gehad;

- [slachtoffer 1] haar vertelde bedreigd te zijn met geweld, en hierdoor toch bereid was prostitutiewerkzaamheden te verrichten;

- [slachtoffer 4] hierdoor begreep dat ook zij zou moeten werken als prostituee, ondanks dat dat niet expliciet gezegd was, en besloot mee te werken, omdat zij besefte dat bedreigingen in Rusland gemakkelijk ten uitvoer kunnen worden gelegd;

- [slachtoffer 4] eveneens begreep dat zij langer zou moeten blijven dan haar visum toestond, om de schuld te kunnen aflossen en dat zij dus illegaal in Nederland zou moeten verblijven;

- [slachtoffer 4] zich opgesloten voelde, omdat de club afgelegen was, zij de taal niet sprak en geen kennissen had buiten de club, tot wie zij zich zou kunnen wenden voor hulp;

- verdachte en [medeverdachte 1], in de paar dagen dat [slachtoffer 4] in deze club werkte, ieder dag kwamen controleren hoeveel klanten zij had gehad en hoeveel zij verdiend had;

- verdachte en/of [medeverdachte 1] het geld dat zij verdiende inden;

- verdachte en/of [medeverdachte 1] haar controleerden, zij niet vrij was om te gaan en te staan waar zij wilde, geen inspraak had in de werkplek en de werktijden en het aantal klanten;

- verdachte en [medeverdachte 1] [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2], na een politiecontrole in [locatie 2], hebben meegenomen naar Zwolle, naar de [locatie 1] om daar te gaan werken als prostituee;

- verdachte en/of [medeverdachte 1] hier een werkplek voor beide meisjes heeft/hebben geregeld in de [locatie 1] en zij daar ook zijn te werk gesteld;

- [slachtoffer 4], de eerste avond via een klant is gevlucht uit de club, om te ontsnappen aan verdachte en [medeverdachte 1];

- [slachtoffer 4] geen geld heeft ontvangen voor de door haar verrichte prostitutiewerkzaamheden;

tengevolge waarvan [slachtoffer 4] zich in een afhankelijke positie heeft bevonden ten aanzien van verdachte en zijn mededaders;

d

in de periode van 1 december 2000 tot en met 15 mei 2001, samen met zijn mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], [slachtoffer 2] slachtoffer van mensenhandel gemaakt, doordat:

- [medeverdachte 2] in St Petersburg, samen met [medeverdachte 1], op verzoek van en voor verdachte en [medeverdachte 1], meisjes benaderd om in Nederland voor verdachte en/of [medeverdachte 1] te gaan werken, zonder hen vooraf te vertellen dat zij in de prostitutie zouden komen te werken;

- [slachtoffer 2] via haar vriendin [slachtoffer 1] in contact is gekomen met [medeverdachte 2];

- [medeverdachte 2] haar in december 2000 het voorstel deed om naar het buitenland (Nederland) te gaan als stripteasedanseres of, als ze dat zou willen, als prostituee;

- [slachtoffer 2] haar paspoort heeft afgegeven aan [medeverdachte 2] om voor haar en visum en vliegticket te regelen om voor een periode van 3 maanden naar Nederland te gaan;

- [slachtoffer 2] aan heeft gegeven niet als prostituee te willen gaan werken;

- [slachtoffer 2] de kosten aan [medeverdachte 2] zou terugbetalen na terugkomst in St Petersburg, + 25 % van haar verdiensten;

- [slachtoffer 2] via [medeverdachte 2] ook [medeverdachte 1] ontmoette, die haar vertelde dat zij nog even moest wachten voor zij zou kunnen vertrekken;

- haar vriendin [slachtoffer 1] eerder ook met hulp van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] is vertrokken en dat zij een aantal malen contact had gehad met [slachtoffer 1], waaruit zij kon opmaken dat het niet goed met haar ging;

- [slachtoffer 2] haar vriendin mistte en graag wilde helpen, zodat zij, toen de kans zich voor deed te vertrekken, ook ging;

- [medeverdachte 2] visum en ticket had geregeld;

- [slachtoffer 2] op 25 april 2001 samen met een ander meisje, [slachtoffer 4], vanuit St Petersburg is vertrokken naar Amsterdam;

- [medeverdachte 1] met hen reisde, kennelijk als begeleiding, zonder dat [medeverdachte 2] dit vooraf aan haar had gezegd;

- [slachtoffer 2], [slachtoffer 4] en [medeverdachte 1] door verdachte zijn afgehaald in Amsterdam en naar de club [locatie 2] in Nieuw Beerta zijn gebracht;

- in deze club ook o.a. [slachtoffer 1] en [slachtoffer] aanwezig waren;

- na aankomst in de club [medeverdachte 1] haar vertelde dat zij als prostituee zou moeten werken om de kosten voor het visum en het ticket terug te betalen;

- [slachtoffer 1] haar vertelde dat zij, ondanks dat zij al geruime tijd in Nederland werkte nog steeds geen geld in handen had gehad;

- [slachtoffer 1] haar vertelde bedreigd te zijn met geweld, en hierdoor toch bereid was prostitutiewerkzaamheden te verrichten;

- [slachtoffer 1] haar vertelde dat zij vermoedde afgeluisterd te worden, waardoor zij niet alles eerlijk en open had kunnen vertellen;

- [slachtoffer 1] en [slachtoffer] vertelden dat zij niet kon vluchten "omdat dat gevolgen zou hebben";

- [slachtoffer 2] door de ervaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer] en door haar eigen recente ervaring met [medeverdachte 1] bang is geworden en hierdoor is gaan werken als prostituee;

- verdachte en/of [medeverdachte 1] het geld dat zij verdiende inden;

- verdachte en [medeverdachte 1] [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2], na een politiecontrole in [locatie 2], hebben meegenomen naar Zwolle, naar de [locatie 1] om daar te gaan werken als prostituee;

- verdachte en/of [medeverdachte 1] hier een werkplek voor beide meisjes hebben geregeld in de [locatie 1] en zij daar ook zijn te werk gesteld;

- verdachte en/of [medeverdachte 1] [slachtoffer 2], na de vlucht van [slachtoffer 4], hebben meegenomen vanuit de [locatie 1] terug naar [locatie 2];

- verdachte tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij "niet zo stom moest zijn als [slachtoffer 4], omdat zij dan problemen zou krijgen" en dat haar vriendin [slachtoffer 1] problemen zou krijgen als zij [slachtoffer 2], zou vluchten;

- [slachtoffer 2] mede hierdoor bang was om te vluchten;

- [slachtoffer 2] geen geld heeft ontvangen voor de door haar verrichtte prostitutiewerkzaamheden, terwijl zij, volgens de afspraken, recht had op 50% van het door haar verdiende geld;

tengevolge waarvan [slachtoffer 2] zich in een afhankelijke positie heeft bevonden ten aanzien van verdachte en zijn mededaders.

2.

hij in de periode van 29 januari 2001 tot en met 24 februari 2002 in de gemeente Kampen, telkens een geschrift, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten telkens een formulier van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Kampen, waarop opgave moest worden gedaan (onder meer) van alle verrichte werkzaamheden en alle genoten inkomsten - telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk verrichte werkzaamheden en genoten inkomsten niet vermeld en telkens dat formulier ondertekend, telkens met het oogmerk om dat geschift als echt en onvervalst te gebruiken of daar anderen te doen gebruiken.

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

1.

een ander door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen,

en

een persoon aanwerven met het oogmerk die persoon in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen,

en

opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht wordt bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht.

2.

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank vindt in dit geval een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 25 december 2002 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst;

- een voorlichtingsrapport d.d. 5 februari 2003 uitgebracht door H. Kobes, reclasseringswerker, Reclassering Nederland, unit Zwolle.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 1 jaar, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. C.A.M. Heeregrave, voorzitter, mrs. H.J. Buijsman en G. Eelsing, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2003.

Mr. Buijsman voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.