Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AG0224

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
10-06-2003
Datum publicatie
29-07-2003
Zaaknummer
AWB 03/506. AWB 03/629
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De bij het bestreden besluit gehandhaafde ontheffing strekt ertoe het de wildbeheereenheid Zenderen op de nader in haar werkgebied aangeduide gronden, gelegen in de gemeenten Borne, Almelo en Denekamp, mogelijk te maken de zwarte kraai en ekster te bejagen. Niet in geding is dat de zwarte kraai en ekster ingevolge de Flora- en faunawet en de daarop gebaseerde regelingen beschermde vogelsoorten zijn waarop het verboden is te jagen, tenzij – voor zover hier van belang – van dat verbod ontheffing is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

De Voorzieningenrechter

Reg.nr.: Awb 03/506

Awb 03/629

uitspraak: 10 juni 2003

UITSPRAAK

betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

Stichting De Faunabescherming,

gevestigd te Amstelveen,

verzoekster,

gemachtigde: mw. A.P. de Jong, secretaris van verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder,

en

Wildbeheereenheid Zenderen,

belanghebbende.

1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Besluit van verweerder d.d. 19 maart 2003 (verzonden 21 maart 2003)

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 3 december 2002 heeft verweerder aan belanghebbende ontheffing verleend ex artikel 68 van de Flora en faunawet voor:

a. het doden door geweer van zwarte kraai, roek en kauw ter voorkoming van belangrijke schade aan (landbouw)gewassen, in casu schadegevoelige percelen mais voor de periode vanaf 1 april 2003 tot 1 juli 2003 (zaai- en kiemperiode) en vanaf 1 september 2003 tot en met 15 november 2003 (afrijpstadium); en

b. het doden door geweer van zwarte kraai en ekster ter voorkoming van schade aan flora en fauna voor de periode vanaf 15 maart 2003 tot 1 juli 2003.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief d.d. 13 december 2002 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift voor zover gericht tegen onderdeel a. van het primaire besluit niet-ontvankelijk en voor wat betreft onderdeel b. van dat besluit ongegrond verklaard.

Tegen de ongegrond verklaring van haar bezwaarschrift heeft verzoekster bij beroepschrift d.d. 23 april 2003 beroep ingesteld (reg.nr. Awb 03/506).

Bij brief van 14 mei 2003 heeft verzoekster aan de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen (reg.nr. Awb 03/629).

Op 27 mei 2003 heeft verzoekster nadere stukken ingediend. Verweerder heeft op 27 mei 2003 een verweerschrift toegezonden.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is onderzocht ter openbare zitting van de voorzieningenrechter op 3 juni 2003, waar namens verzoekster is verschenen mw. A.P.de Jong, voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen W. Wolbers en R. Hoeve, ambtenaren van de provincie Overijssel. Namens belanghebbende is verschenen J.H.G. Heezius, K.N.J.V. regio consulent Overijssel.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van verzoekster dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Het beroep van verzoekster en haar verzoek om voorlopige voorziening hebben – zoals ter zitting namens verzoekster is bevestigd – alleen betrekking op onderdeel b. van het primaire besluit, de bij het bestreden besluit gehandhaafde ontheffing voor het doden door geweer van zwarte kraai en ekster ter voorkoming van schade aan flora en fauna voor de periode vanaf 15 maart 2003 tot 1 juli 2003. De voorzieningenrechter zal zich dan ook tot dit punt van geschil beperken. Overwogen wordt dat, nu de periode waarvoor ontheffing is verleend nog niet is verstreken verzoekster een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening niet kan worden ontzegd.

De bij het bestreden besluit gehandhaafde ontheffing strekt ertoe het de wildbeheereenheid Zenderen op de nader in haar werkgebied aangeduide gronden, gelegen in de gemeenten Borne, Almelo en Denekamp, mogelijk te maken de zwarte kraai en ekster te bejagen. Niet in geding is dat de zwarte kraai en ekster ingevolge de Flora- en faunawet en de daarop gebaseerde regelingen beschermde vogelsoorten zijn waarop het verboden is te jagen, tenzij – voor zover hier van belang – van dat verbod ontheffing is verleend.

Verweerder heeft de ontheffing verleend met toepassing van artikel 68, eerste lid, van de Flora- en faunawet. Ter motivering van het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar zijn beleid zoals dat is neergelegd in de Nota beleidsregels faunabeheer d.d. 29 oktober 2002. Verweerder stelt zich in deze nota op het standpunt dat vos, zwarte kraai en ekster een merkbare invloed kunnen hebben op de populaties van weidevogels en andere bodembroeders. In Noordwest Overijssel en in de IJsseldelta neemt de weidevogelstand – aldus de beleidsnota – sterk af. Volgens genoemde nota is in beheersgebieden, nieuwe natuurgebieden met een weidevogeldoelstelling, gebieden met korhoenders en een zone van 5 kilometer rondom die gebieden afschot van vos en zwarte kraai en ekster mogelijk, omdat veel inzet wordt geleverd om weidevogels en het korhoen te behouden. In deze gebieden wil verweerder een faciliterend beleid voeren ten aanzien van behoud en ontwikkeling van populaties van kwetsbare diersoorten, eventueel ten koste van vos, zwarte kraai en ekster.

Ter zitting is namens verweerder verklaard dat een ontheffing als de onderhavige in geen geval zonder meer wordt verleend op basis van de Nota beleidsregels. Immers is er, zo is namens verweerder ter zitting betoogd, alvorens van een beslissing op een ontheffingsaanvraag sprake is nog een afwegingsmoment waarbij wordt nagegaan of ook voor het desbetreffende gebied (nog steeds) geldt dat de zwarte kraai en ekster de weidevogelstand schaadt. De wildbeheereenheid moet daartoe bij de aanvraag om ontheffing een indicatie geven.

In het midden latend of voornoemd omschreven beleid als een niet onredelijk beleid moet worden beschouwd is de voorzieningenrechter met verzoekster van oordeel dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de door belanghebbende ingediende meldingsformulieren en inventarisatielijsten niet gelden als voldoende onderbouwing voor de onderhavige ontheffing. Zo hebben de inventarisatielijsten slechts betrekking op het jaar 2000 en ontbreekt derhalve een beeld over de populatieontwikkeling van de betreffende weidevogels over meerdere jaren alsmede de ontwikkeling van een eventuele predatiedruk. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende erkend dat cijfers over 2001 ontbreken vanwege de MKZ-cirisis in die periode en dat cijfers over 2002 (nog) niet bekend zijn. De cijfers over 2000 doen het optreden van een natuurlijk verschijnsel als predatie vermoeden doch dat deze predatie – voor zover deze al als gesteld door belanghebbende heeft plaatsgevonden door kraaiachtigen – daadwerkelijk een bedreiging voor de weidevogelstand vormt is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Van feitelijke gegevens waaruit aannemelijk zou worden dat bestrijding van de zwarte kraai en ekster door middel van de in geding zijnde ontheffing een substantiële bijdrage levert aan terugdringing van de vermeende schade aan de weidevogelstand is evenmin gebleken. De beantwoording ter zitting van vragen door de gemachtigden van verweerder en belanghebbende heeft bij de voorzieningenrechter niet de indruk kunnen wegnemen dat het enkele feit dat belanghebbende bij de aanvraag om ontheffing melding heeft gemaakt van predatie voor verweerder voldoende reden was om zonder enig nader onderzoek de in geding zijnde ontheffing te verlenen..

Weliswaar is namens verweerder en belanghebbende in dit verband – eerst ter zitting – gewezen op een onder verantwoordelijkheid van de Stichting Landschap Overijssel opgesteld “ Verslag particulier Weidevogelbeheer in Overijssel”, doch dit verslag is niet kenbaar aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, noch in deze procedure door verweerder overgelegd.

Uit het vorenstaande volgt dan ook dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende stukken onvoldoende zijn voor het oordeel dat bescherming van het weidevogelbestand in het gebied van de wildbeheereenheid Zenderen is gediend met het doden van zwarte kraaien en eksters. Het bestreden besluit ontbeert dan ook een deugdelijke motivering, zodat dit in beroep geen stand kan houden.

Nu partijen in de uitnodiging voor de zitting zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb, de voorzieningenrechter van oordeel is dat geen nader onderzoek noodzakelijk is voor de beoordeling van de zaak en ter zitting partijen daarmee overigens hebben ingestemd, bestaat er geen beletsel voor toepassing van dit artikel. De voorzieningenrechter zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit, voor zover in geschil, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. Dit brengt mee dat er geen aanleiding bestaat om het bestreden besluit te schorsen; het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen.

Omdat het primaire besluit tot ontheffingverlening niet wordt aangetast door de vernietiging van het bestreden besluit en belanghebbende daarvan in beginsel ongestoord gebruik kan blijven maken, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van de in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb opgenomen bevoegdheid dat primaire besluit als bepaald in het dictum te schorsen tot en met 30 juni 2003. Redengevend daartoe is dat de voorzieningenrechter (nog) niet de overtuiging heeft bekomen dat verweerder in staat zal blijken bij zijn nieuw te nemen besluit op het bezwaarschrift van verzoekster de in geding zijnde ontheffing van een voldoende draagkrachtige motivering te voorzien.

De voorzieningenrechter ziet in de onderhavige procedure geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Wel wordt aanleiding gezien te bepalen dat het door verzoekster betaalde griffierecht in beide procedures wordt vergoed.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaarschrift van eiseres ongegrond is verklaard;

treft ten aanzien van verweerders primaire besluit d.d. 3 december 2002 de voorlopige voorziening inhoudende de schorsing van dat besluit, voor zover daarbij ontheffing is verleend ex artikel 68 van de Flora en faunawet voor het doden door geweer van zwarte kraai en ekster, tot en met 30 juni 2003;

gelast dat de provincie Overijssel aan verzoekster het door haar gestorte griffierecht ad € 464,00 (€ 232,00 voor Awb 03/506 en € 232,00 voor Awb 03/629) vergoedt;

Gewezen door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2003 in tegenwoordigheid van C. Kuiper als griffier.

Tegen deze uitspraak staat, voor zover het betreft de beslissing in de hoofdzaak, voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

afschrift verzonden op 10 juni 2003.