Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AF9759

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
05-06-2003
Datum publicatie
14-07-2003
Zaaknummer
AWB 02/1123
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

eiser bij verweerder een verzoek gedaan op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) hem de onderliggende stukken toe te zenden van het individuele ambtsbericht van 5 juni 2001 inzake eiser, dit met het oog op eisers asielprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Meervoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 02/1123

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. S.D. Lugt, advocaat te Amsterdam,

en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 24 juli 2002.

2. De feiten en de loop van de procedure

Bij brief van 12 juli 2001 heeft de gemachtigde van eiser bij verweerder een verzoek gedaan op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) hem de onderliggende stukken toe te zenden van het individuele ambtsbericht van 5 juni 2001 inzake eiser, dit met het oog op eisers asielprocedure.

Bij besluit van 17 oktober 2001 heeft verweerder onder toepassing van artikel 10, tweede lid, sub e en g van de WOB geweigerd aan het verzoek te voldoen.

Echter, op grond van de volgens verweerder mede in artikel 10 van de Grondwet, de WOB en de Wet persoonsregistraties neergelegde rechtsopvatting dat iedere burger in beginsel -behoudens uitzondering- recht heeft op inzage in stukken over hem, die bij het bestuursorgaan berusten, heeft verweerder de gevraagde stukken verstrekt, na het onzichtbaar maken van bepaalde passages.

Tegen dit besluit is namens eiser bezwaar gemaakt. Een hoorzitting heeft op 31 januari 2002 plaatsgevonden.

Bij besluit van 24 juli 2002 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Op 2 september 2002 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 14 januari 2003 de stukken plus een verweerschrift ingezonden, waarbij een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is gedaan.

Bij brief van 3 maart 2003 heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd op grond van artikel 8:29, lid 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtbank toestemming verleend mede op de grondslag van de onbewerkte stukken uitspraak te doen.

Het beroep is op 8 mei 2003 ter zitting behandeld.

Eiser is verschenen bijgestaan door mw. mr. A.M.J.M. Louwerse, kantoorgenoot van mr. S.D. Lugt.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.L.G. van Velzen, ambtenaar ten departemente.

Ter zitting hebben partijen het woord gevoerd en daarbij ook hun visie gegeven op de toepasselijkheid van de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP), die op 1 september 2001 in werking is getreden.

3. Motivering

3.1 Ter inleiding

De rechtbank constateert op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, dat er ondanks recente jurisprudentie (o.a. ABRvS d.d. 4 december 2002) nog steeds onduidelijkheid bestaat over de interpretatie en toepassing van de diverse wetten op het gebied van openbaarheid en inzage van stukken, die bij een bestuursorgaan berusten.

De rechtbank zal daarover eerst enige uitleg geven.

Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen enerzijds het openbaar maken van informatie, zoals voorgeschreven in de WOB, en anderzijds het door de overheid geven van informatie aan een individuele burger, waaronder het verstrekken van inzage aan een belanghebbende door toezending of anderszins van stukken, al dan niet in het kader van een gerechtelijke procedure.

Voor het eerste ware de term openbaar maken te gebruiken; het gaat immers om het zonder aanziens des persoons verstrekken van informatie, die zodoende publiek (openbaar) wordt. Iedereen heeft in gelijke mate recht op deze informatie volgens de regels van de WOB.

Voor het tweede, informatieverstrekking die niet op basis van de WOB plaatsvindt, bijvoorbeeld omdat die buiten de kaders van artikel 1 en 2 van de WOB valt of niet mag plaatsvinden in het kader van de WOB omdat een uitzonderingsgrond van toepassing is, verdient het aanbeveling niet het woord openbaar maken te gebruiken, maar te spreken van inzage verlenen, ter kennis brengen, of aan te sluiten bij de terminologie van de regeling indien de informatieverstrekking op een regeling berust (zie bijvoorbeeld artikel 8:45 Awb: het geven van inlichtingen, het overleggen van stukken en artikel 35 van de WBP: mededelen). Deze terminologie verheldert het (niet WOB-)kader waarin de informatie aan een bepaalde persoon of instantie wordt verstrekt, en geeft aan, dat anderen niet automatisch op dezelfde informatieverstrekking recht hebben. Het “analoog toepassen van de uitzonderingsgronden van de WOB” zou niet alleen feitelijk, maar daarom ook als formulering achterwege moeten blijven. Dit klemt temeer, omdat verweerder in feite niet de WOB-criteria hanteert, maar aansluit bij het begrip “gewichtige redenen” als bedoeld in artikel 7:4, zesde lid en 8:29 eerste lid van de Awb.

Het maken van bovenvermeld onderscheid zorgt ervoor, dat de informatievrager zich beter realiseert, welk verzoek hij wil doen, en het bestuursorgaan weet, aan welke toets hij het verzoek dient te onderwerpen. Het onderhavige geschil illustreert de verwarring hierover.

3.2 De beoordeling van het geschil in het kader van de WOB.

In dit geding gaat het om de vraag, of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren de onderliggende stukken van het ambtsbericht inzake eiser openbaar te maken op grond van de WOB.

Een WOB-verzoek dient uitsluitend aan de WOB te worden getoetst. Bij de te verrichten belangenafweging worden in de WOB het algemene belang bij openbaarmaking van de informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen betrokken, maar niet het specifieke belang van de betrokken verzoeker. Eisers argument, dat hij belang heeft bij de informatie in verband met zijn asielprocedure is derhalve terecht niet in de afwegingen betrokken. Dit is sinds enige jaren ook vaste jurisprudentie. Ook het nieuwe artikel 10, eerste lid, onder d van de WOB maakt -anders dan verweerder ter zitting heeft bepleit- het verstrekken van gevoelige persoonsgegevens aan uitsluitend de betrokkene niet mogelijk. De WOB inclusief genoemd artikellid regelt immers het recht op openbaarmaking ten dienste van het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, en dat recht komt iedere burger in gelijke mate toe.

Verweerder heeft het verzoek afgewezen op grond van artikel 10, tweede lid, sub e en g van de WOB.

De rechtbank die na toestemming ex artikel 8:29, vijfde lid van de Awb van de ongeschoonde stukken heeft kennis genomen, is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat het publieke belang van openbaarmaking van de stukken niet opweegt tegen de in die artikelonderdelen beschermde belangen, te weten de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de voorkoming van onevenredige benadeling van in dit geval de Staat c.q. de personen belast met het onderzoek naar vreemdelingen. De stukken betreffen de onderzoeksopdracht en het onderzoeksverslag, toegespitst op de persoon van eiser en diens vader. De daarin vervatte informatie is zodanig met hun identiteit verweven, dat het niet goed doenlijk is deze te bewerken tot een versie die aan de openbaarheid kan worden prijsgegeven zonder dat hun identiteit valt te achterhalen. Openbaarmaking zou daarom een schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van eiser en diens vader betekenen. Ook de persoonlijke levenssfeer van de geraadpleegde vertrouwenspersoon en de bronnen, aan wie vertrouwelijkheid is toegezegd, behoeft bescherming.

Voorts is de vrees van verweerder gerechtvaardigd, dat toekomstig onderzoek wordt gefrustreerd door openbaarmaking van bronnen, methoden en technieken en door het algemeen bekend worden van de echtheidskenmerken van buitenlandse documenten. Dit valt onder de g-grond.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit onder verwijzing naar de jurisprudentie zijn standpunt voldoende gemotiveerd.

Met betrekking tot de passage over eisers vader in het onderzoeksverslag wijst de rechtbank er bovendien op dat zich daarin gevoelige persoonsgegevens bevinden, die reeds ingevolge het nieuwe artikel 10 lid 1 onder d van de WOB niet openbaar gemaakt mogen worden, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt. Van die kennelijkheid is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Het beroep tegen de in het bestreden besluit gehandhaafde weigering de stukken op grond van de WOB openbaar te maken is gezien het bovenstaande ongegrond.

3.3 De toepassing van artikel 8:29 Algemene Wet bestuursrecht (Awb)

In het kader van deze beroepsprocedure heeft verweerder ingevolge artikel 8:42 van de Awb de op deze zaak betrekking hebbende stukken ingezonden, waaronder de stukken die ingevolge de WOB niet voor openbaarmaking in aanmerking komen, en waarin ook voor eiser geheim te houden passages zijn weggelakt. Verweerder heeft daarbij om toepassing van artikel 8:29 van de Awb verzocht.

De rechtbank heeft dat verzoek ingewilligd en de kennisname door eiser beperkt tot de geschoonde versie. De rechtbank heeft na kennisneming van de volledige stukken met toestemming ex artikel 8:29, lid 5 van de Awb overwogen, dat de door verweerder in zijn brief van 14 januari 2003 aangevoerde gewichtige redenen te weten bronbescherming en het geheimhouden van onderzoeksmethoden en -technieken teneinde toekomstig onderzoek niet te frustreren, de beperkte kennisneming rechtvaardigen.

Door te procederen krijgt eiser aldus de beschikking over grote delen van de stukken die hij met een WOB-verzoek niet kan bemachtigen. Dit is inherent aan de verschillende doelen die met deze wetten worden gediend en de daarbij behorende uitzonderingsgronden. De WOB en artikel 8:29 van de Awb zijn naast elkaar toepasbaar, zie in dit verband ook artikel 8:29, tweede lid, van de Awb. Het betekent niet dat de door verweerder op grond van artikel 8:42 Awb overgelegde stukken thans openbaar gemaakt zijn in de zin van de WOB.

De toepassing van artikel 8:29 van de Awb is als zodanig namens eiser niet bestreden en behoeft hier dus verder geen bespreking. Overigens kan niet kan worden gezegd, dat eiser door de beperkte kennisneming onevenredig is geschaad in zijn procesvoering in de onderhavige WOB-kwestie.

3.4 Informatieverstrekking vallende buiten de grenzen van dit geding.

Aan een oordeel over het al dan niet behoren te verstrekken van informatie buiten het kader van de WOB en artikel 8:29 van de Awb komt de rechtbank niet toe, omdat zulks buiten de grenzen van dit geding valt. De rechtbank zal dit toelichten.

Dit geding betreft zoals hierboven reeds aangegeven een WOB-verzoek, hetwelk uitsluitend aan de WOB dient te worden getoetst.

Ter terechtzitting is door eisers gemachtigde betoogd, dat de WBP eveneens dient te worden toegepast, omdat het hier toch eigenlijk om een verzoek om inzage van eisers persoonsdossier gaat.

Deze stellingname ter zitting illustreert hetgeen de rechtbank ter inleiding heeft opgemerkt: het belang van het hanteren van de juiste terminologie, waardoor er minder kans bestaat op verwarring welk verzoek men aan het bestuursorgaan wil doen.

De rechtbank is van oordeel, dat een verzoek als bedoeld in artikel 35 van de WBP in dit geding niet aan de orde is. Bovenaan het inleidende verzoek d.d. 12 juli 2001 is door eisers gemachtigde met vette letter aangegeven dat het om een WOB-verzoek gaat. Het is bovendien in strijd met een goede procesorde een WOB-verzoek ter zitting te converteren in een WBP-verzoek en dat vervolgens aan de WBP te laten toetsen. De rechtbank zou aldus de grenzen van dit geschil te buiten gaan. Als eiser een beroep wil doen op de WBP, dan dient hij een op grond van die wet gebaseerd verzoek aan verweerder te richten en zo een besluit terzake uit te lokken. Verweerder heeft overigens ter zitting gesteld, dat zijns inziens de stukken, die eiser wil inzien, geen deel uitmaken van een bestand in de zin van de WBP.

Dat verweerder na het verzoek op grond van de WOB-afwegingen te hebben afgewezen op grond van een in de Grondwet neergelegd rechtsbeginsel geschoonde stukken heeft verstrekt, overeenkomend met de geschoonde artikel 8:29-stukken, wordt door de rechtbank beschouwd als een niet op een wet berustend, maar ook zeker niet verboden, feitelijk handelen, dat als zodanig niet ter toetsing van de bestuursrechter staat. Deze verstrekking aan eiser als individuele belanghebbende heeft volgens de rechtbank niets van doen met het openbaar maken van stukken in het kader van de WOB. Verweerders terminologie hierbij, -het analoog toepassen van de uitzonderingsgronden van de WOB- acht de rechtbank verwarrend en bovendien onjuist, nu zoals in de inleiding reeds is opgemerkt verweerder in feite aansluit bij het begrip “gewichtige redenen”.

De rechtbank is het gelet op bovenstaande niet eens met de opvatting in de noot onder de uitspraak d.d. 4 december 2002 in Jurisprudentie Bestuursrecht 2003/34, dat in deze uitspraak te lezen valt, dat er op het gebied van informatieverstrekking door de overheid een gesloten stelsel bestaat en er geen mogelijkheid is voor een bestuursorgaan om daarbuiten informatie te verstrekken aan een individuele belanghebbende. Alleen kan de belanghebbende zulks zonder uitdrukkelijke regeling niet bij de bestuursrechter afdwingen. De rechtbank sluit overigens niet uit, dat de WBP hier wellicht een grondslag biedt.

De rechtbank ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mw mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier, voorzitter, mr. J.H.M. Hesseling en mw mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman, rechters en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2003 in tegenwoordigheid van C. Kuiper als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

afschrift verzonden op 5 juni 2003.