Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AF9302

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
02-06-2003
Zaaknummer
85179 / HA RK 03-53
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJK 2003, 84

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

sector civiel

Enkelvoudige handelskamer

Zaaknr/reknr: 85179 / HA RK 03-53

Uitspraak : 21 mei 2003

B E S C H I K K I N G

op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende te Kootwijkerbroek,

verzoeker,

advocaat mr. K.J. Nijman te Alphen aan den Rijn,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

en

1. de besloten vennootschap ID Lelystad, Instituut voor Dierhouderij en

Diergezondheid B.V.,

gevestigd te Wageningen, kantoorhoudende te Lelystad,

2. De stichting Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek,

gevestigd te Wageningen, mede kantoorhoudende te Lelystad,

3. DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Landbouw,

Natuurbeheer en Visserij),

gevestigd te 's-Gravenhage,

verweerders,

advocaten mrs. A.Th. Meijer en S. Verhage, beiden te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna aangeduid als [verzoeker], ID Lelystad, CIDC en de Staat.

PROCESGANG

Op 7 april 2003 heeft [verzoeker] ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend. Daarbij is aan aantal producties overgelegd.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 7 mei 2003. Verschenen zijn:

- [verzoeker], vergezeld van mr. Nijman;

- mr. A. Orthel, bedrijfsjurist van ID Lelystad/CIDC;

- [medewerker CIDC], medewerker van CIDC;

- mr. M.T. Veldhuizen, jurist van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en

Visserij,

bijgestaan door mrs. A.Th. Meijer en S. Verhage, advocaten te 's-Gravenhage.

SAMENVATTING VAN HET VERZOEK EN HET VERWEER

Het verzoek van [verzoeker] - na wijziging - strekt ertoe bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopig deskundigenbericht te bevelen, met benoeming van dr. W.A. van Haeringen (Laboratorium B.V. te Wageningen), althans een andere naar het oordeel van de rechtbank onafhankelijke deskundige die de onder 3.6 van dit verzoekschrift geformuleerde vragen zal beantwoorden en het tijdstip waarop het voorlopig deskundigenonderzoek zal plaatsvinden dan wel het tijdstip waarop de deskundige uiterlijk conclusies van het onderzoek aan de rechtbank dient kenbaar ter maken en van het tijdstip waarop verzoeker uiterlijk een afschrift van het verzoekschrift en de daarop te geven beschikking aan verweerders zal moeten doen toekomen.

Daartegen is door ID Lelystad, CIDC en de Staat verweer gevoerd, met conclusie:

1. primair het verzoek van [verzoeker] niet ontvankelijk te verklaren, althans het af te wijzen;

2. subsidiair een voorlopig deskundigenonderzoek te gelasten door drie deskundigen, die zich vooruitlopend op een daadwerkelijk onderzoek uitlaten omtrent de vraag of op basis van de door [verzoeker] geschetste onderzoeksopzet eenduidige uitspraken gedaan kunnen worden omtrent de vraag of in maart 2003 (bedoeld zal zijn 2001) sprake was van MKZ in Kootwijkerbroek en hen op te dragen zo nodig een deugdelijke onderzoeksopzet te ontwerpen, kosten rechtens;

MOTIVERING

1. De feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist het volgende vast:

- In maart 2001 is in Kootwijkerbroek het Mond- en Klauwzeervirus (hierna MKZ) vastgesteld bij een kalf op het bedrijf van de heer [X].

- De vaststelling van MKZ dient te geschieden door de Rijksdienst voor de keuring van vee en vlees (hierna RVV) in samenwerking met ID Lelystad, dat de door de RVV afgenomen en opgestuurde (bloed)monsters test.

- Bij het bedrijf van [X] zijn van vier kalveren bloedmonsters genomen, onder andere van het kalf met levensnummer 2979 3247 1. Bij ID Lelystad / CIDC zijn op dit levensnummer de volgende (bloed)monsters getest.

1) het serummonster met RAA-code 0005462;

2) het heparinemonster met RAA code 005462;

3) het serummonster met RAA-code 0005451;

4) het heparinemonster met RAA-code 0005451;

5) het monster van blaarwandmateriaal uit de kalverkop met RAA code 0005451.

- De hiervoor met 2 en 5 aangeduide monsters zijn positief bevonden. Op basis daarvan is vastgesteld dat op het bedrijf van [X] MKZ heerste.

- Rondom het bedrijf van [X] is een beschermingsgebied ingesteld van 2 km. De evenhoevige dieren in dit beschermingsgebied zijn geruimd.

- [verzoeker] heeft een veeteeltbedrijf dat zich bevindt in het beschermingsgebied. Ook zijn evenhoevige dieren zijn geruimd.

- [verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen het ruimingsbesluit. Dat bezwaar is ongegrond verklaard. [verzoeker] heeft tegen de beslissing op bezwaar geen beroep ingesteld bij het College van beroep voor het bedrijfsleven.

- In Kootwijkerbroek bestond vanaf het begin twijfel over de vaststelling van MKZ in Kootwijkerbroek.

- Pogingen van de minister van LNV om in onderling overleg met de Stichting Onderzoek MKZ Crisis Kootwijkerbroek en de Stichting MKZ Kootwijkerbroek, waarvan [verzoeker] bestuurslid is, te komen tot een onafhankelijk onderzoek zijn op niets uitgelopen.

2. Standpunten van partijen

2.1 [verzoeker] overweegt tegen ID Lelystad, CIDC en de Staat een rechtsvordering in te stellen op grond van onrechtmatige daad. [verzoeker] stelt als gevolg van het in 2001 in Kootwijkerbroek geconstateerde Mond- en Klauwzeervirus (MKZ), waarvan de vaststelling is geschied door de Rijksdienst voor de keuring van vee en vlees (RVV) in samenwerking met het CIDC en (voorheen) ID Lelystad, schade te hebben geleden, omdat runderen van zijn bedrijf zijn gedood. Volgens [verzoeker] heeft ID Lelystad door een verwisseling van de bloedmonsters het verkeerde bloedmonster getest, hetgeen kan worden vastgesteld aan de hand van een aantal DNA-codes van de twee zendingen bloedmonsters die bij het ID Lelystad/CIDC nog aanwezig zijn. De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft geweigerd toestemming te geven voor het uitvoeren van het door [verzoeker] gevraagde DNA-onderzoek en heeft zelfs geweigerd de DNA-codes van de geteste bloedmonsters vrij te geven.

2.2 De Staat c.s. hebben tal van verweren gevoerd tegen het verzoek van [verzoeker]. De rechtbank zal deze verweren bij de bespreking ervan weergeven.

3. Inhoud verzoekschrift

3.1 De rechtbank zal, alvorens de verweren van de Staat c.s. te bespreken, eerst vaststellen of het verzoek aan de door de wet in artikel 203 lid 2 Rv aan de inhoud van een verzoekschrift als dit te stellen eisen.

3.2 Het verzoekschrift van [verzoeker] voldoet aan de eisen die artikel 203 lid 2 Rv aan de inhoud van een dergelijk verzoekschrift stelt. Voor zover de Staat c.s. dat hebben willen betwisten -de pleitnotitie van mr. Meijer is op dit punt niet helemaal duidelijk-, overweegt de rechtbank dat het verzoekschrift de aard van de vordering -een vordering uit onrechtmatige daad- vermeldt en dat uit het verzoekschrift, in ieder geval na de toelichting namens [verzoeker] ter zitting, volgt dat het beloop van de vordering zodanig is dat de rechtbank bevoegd zal zijn van een eventueel in te stellen vordering kennis te nemen.

3.3 Ook bevat het verzoek de punten waarover het oordeel van de deskundige gevraagd zal moeten worden. Het verzoekschrift bevat immers zeven aan de deskundige te stellen vragen. De door de Staat c.s. ook ter discussie gestelde vraag of het verzoek ter zake dienend is, zal hierna aan de orde komen en dient te onderscheiden worden van de vraag of het verzoekschrift zelf aan de daaraan te stellen (formele eisen) eisen voldoet.

3.4 Nu niet ter discussie staat dat het verzoekschrift de namen en woonplaatsen van de wederpartijen bevat, is de conclusie dat het voldoet aan de eisen van artikel 203 lid 2 Rv.

4. Toetsingskader

4.1 De rechtbank stelt voorop dat een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht voor toewijzing gereed ligt wanneer aan de, in de vorige rechtsoverweging besproken, formele vereisten is voldaan en wanneer het ter zake dienend is. Dat is alleen anders wanneer zich feiten en omstandigheden voordoen die duiden op strijd met de goede procesorde of misbruik van procesrecht.

4.2 Ook zal een verzoek afgewezen moeten worden wanneer vast staat dat de vordering van verzoeker in een eventueel aanhangig te maken bodemprocedure af zal stuiten op het beginsel van de formele rechtskracht. Dat dat het geval zal zijn, mag de rechter die over een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht heeft te oordelen niet te gemakkelijk vast stellen. Uiteindelijk is het aan de rechter die over de in te stellen vordering beslist om ter zake een oordeel te geven. Wanneer slechts twijfel bestaat over de vraag of verzoeker in een aanhangig te maken procedure ontvangen kan worden, brengen het karakter van de procedure tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek en het feit dat een verzoek dat aan de formele vereisten voldoet en ter zake dienend is in beginsel toewijsbaar is, met zich dat het verzoek toewijsbaar is, tenzij sprake zou zijn van strijd met de goede procesorde of misbruik van procesrecht.

4.3 De Staat c.s. hebben betoogd dat nu [verzoeker] in een eventueel tegen de Staat c.s. aanhangig te maken bodemprocedure niet-ontvankelijk verklaard zal moeten worden, hij ook niet ontvangen kan worden in zijn verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek. Verder hebben zij aangevoerd dat het onderzoek niet ter zake dienend is. De rechtbank zal deze beide verweren hierna bespreken.

5. Formele rechtskracht

5.1 De Staat c.s. hebben betoogd dat de mogelijk door [verzoeker] in te stellen vordering betrekking heeft op schade die hij heeft geleden als gevolg van de ruiming van zijn vee. De rechtmatigheid van de ruiming kan, nu daaraan een inmiddels onaantastbaar ruimingsbesluit ten grondslag ligt, vanwege het beginsel van de formele rechtskracht niet aan de orde komen. Om die reden zal [verzoeker] in een eventueel tegen hen aanhangig te maken civiele procedure niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.

5.2 In het verzoekschrift heeft [verzoeker] gesteld dat als direct gevolg van de, in zijn visie, onjuiste MKZ diagnose zijn bedrijf geruimd is, waardoor hij schade heeft geleden. Met het ten onrechte stellen van de diagnose MKZ is, stelt hij, onrechtmatig jegens hem gehandeld. Ter toelichting op deze stelling heeft zijn raadsvrouwe bij gelegenheid van de behandeling van het verzoek aangegeven dat het onrechtmatig handelen van de Staat c.s. niet gelegen is in het ruimingsbesluit, maar in het door De Staat c.s. schenden van zorgvuldigheidsnormen betreffende het nemen, verwerken, begeleiden en onderzoeken van bloedmonsters. Om die reden zou het beginsel van formele rechtskracht niet aan een eventuele vordering uit onrechtmatige daad in de weg staan.

5.3 Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie HR 22 november 1985, NJ 1986, 722 en HR 2 februari 1990, NJ 1993, 635) geldt een uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht indien niet de onrechtmatigheid van het besluit, maar aan dat besluit voorafgaand feitelijk handelen ten grondslag wordt gelegd aan een vordering uit onrechtmatige daad. De rechtbank sluit, op basis van hetgeen door partijen over en weer is gesteld, niet uit dat [verzoeker] in een eventueel tegen de Staat aanhangig te maken procedure zich op deze uitzondering zal kunnen beroepen. Een dergelijk beroep is in ieder geval niet kansloos te achten. Om die reden kan er thans, anders dan de Staat c.s. veronderstellen, niet met zekerheid van worden uitgegaan dat [verzoeker] in een eventuele bodemprocedure tegen de Staat niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Dat er twijfel bestaat over de ontvankelijkheid van [verzoeker] is, zoals in rechtsoverweging 3 is overwogen, onvoldoende voor afwijzing -de Staat concludeert ten onrechte tot niet-ontvankelijkheid- van het verzoek van [verzoeker].

5.4 Het beginsel van de formele rechtskracht staat in ieder geval niet in de weg aan een eventuele vordering tegen (de privaatrechtelijke rechtspersonen) ID Lelystad en CIDC Lelystad, die (bovendien) geen partij zijn in de administratieve procedure naar aanleiding van het ruimingsbesluit. In een eventueel door [verzoeker] tegen ID Lelystad en CIDC Lelystad aanhangig te maken procedure kunnen ID Lelystad en CIDC Lelystad zich dan ook niet verweren met een beroep op de formele rechtskracht van het ruimingsbesluit.

6. Ter zake dienend

6.1 Een ingediend verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek moet ter zake dienend zijn. Een verzoek is niet ter zake dienend wanneer vaststaat dat de uitkomst van het gevraagde onderzoek niet van belang is voor de beslissing van het (mogelijke) geschil tussen partijen. Dat zal enerzijds het geval zijn wanneer op voorhand vaststaat dat een in te stellen vordering ook zonder deskundigenonderzoek zal worden toe- of afgewezen en anderzijds wanneer een deskundigenonderzoek weliswaar aangewezen lijkt, maar op voorhand vaststaat dat het onderwerp van het verzochte deskundigenonderzoek geen betrekking heeft op feiten die van belang zijn voor de beslechting van het geschil.

6.2 Dat een eventuele vordering van [verzoeker] tegen de Staat c.s. ook zonder deskundigenonderzoek zal worden toe- of afgewezen, staat niet op voorhand vast. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het verzoek is in dat kader ingegaan op de positie van CIDC. Gebleken is dat de bloedonderzoeken niet door CIDC maar door ID zijn verricht krachtens een dienaangaande tussen de Staat en ID gesloten overeenkomst. Dat zou er op wijzen dat indien fouten zijn gemaakt bij de bemonstering, zoals [verzoeker] stelt, CIDC daarvoor niet aansprakelijk is. Nu ter zitting echter tevens is gebleken dat het personeel dat de onderzoeken bij ID heeft uitgevoerd bij CIDC in dienst was, en door CIDC bij ID was gedetacheerd, kan op voorhand niet worden uitgesloten dat CIDC voor een eventuele door dit personeel gemaakte fout aansprakelijk is.

6.3 Het verweer dat het onderzoek niet ter zake dienend is, baseren de Staat c.s. op de stelling dat een deskundigenonderzoek zoals door [verzoeker] gewenst nooit zal bewijzen of er in Kootwijkerbroek sprake was van MKZ. Het onderzoek zal, menen de Staat c.s., [verzoeker] om die reden geen bruikbare informatie opleveren ter onderbouwing van een eventuele civiele vordering. [verzoeker] heeft aangevoerd dat het doel van het onderzoek niet is om vast te stellen of er in Kootwijkerbroek sprake was van MKZ, maar of het DNA van de door ID geteste bloedmonsters van de dochterkoe overeenkomt met de moederkoe, die [verzoeker] in eigendom heeft. Indien dat het geval is, heeft de raadsvrouwe van [verzoeker] ter zitting gesteld, gaat [verzoeker] ervan uit dat er inderdaad MKZ in Kootwijkerbroek geheerst heeft en dat van onrechtmatig handelen van de Staat c.s. geen sprake is.

6.4 De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. De Staat c.s. kan worden toegegeven dat indien uit het door [verzoeker] gewenste onderzoek volgt dat het DNA van de desbetreffende bloedmonsters niet overeenkomt met het DNA van de moederkoe die van den Brink in het bezit heeft, daarmee nog niet vaststaat dat er geen MKZ in Kootwijkerbroek heeft geheerst. Om dat te kunnen vaststellen, is mogelijk aanvullend onderzoek nodig, al was het alleen maar om te kunnen beoordelen of de koe die van den Brink in zijn bezit heeft ook echt, zoals [verzoeker] stelt, maar de Staat vooralsnog betwist, de moederkoe is van het kalf waarvan de bloedmonsters zijn onderzocht. Dat dit tot op heden niet ten genoegen van de Staat is vastgesteld, staat echter niet aan het onderzoek in de weg.

6.5 De Staat heeft echter niet gesteld dat het door [verzoeker] gewenste DNA onderzoek in het kader van een onderzoek naar de vraag of er MKZ heeft geheerst in Kootwijkerbroek achterwege kan blijven. Dat zo'n (deel)onderzoek in elk geval achterwege zou kunnen blijven , ligt naar het oordeel van de rechtbank niet voor de hand. Indien middels DNA onderzoek wordt vastgesteld dat het DNA van de moederkoe van [verzoeker] overeenkomt met de geteste bloedmonsters, lijkt een verwisseling van bloedmonsters in het traject van het nemen tot en met het beoordelen van het bloedmonster uitgesloten. In dat geval komt aan de stelling van [verzoeker] dat er geen MKZ in Kootwijkerbroek heeft geheerst, een stelling die gebaseerd is op het oordeel dat er bij het nemen en beoordelen van de bloedmonsters een fout is gemaakt, immers de grondslag te ontvallen en heeft het Voor den Brink, zoals hij zelf al heeft aangegeven, geen zin om op deze (alsdan onjuist gebleken feitelijke) grondslag een civiele vordering in te stellen tegen de Staat c.s. Alleen om die reden is het door [verzoeker] gewenste onderzoek naar het DNA van de bloedmonsters al ter zake dienend en heeft [verzoeker] ook voldoende belang bij een dergelijk onderzoek zonder dat dat onderzoek gecombineerd wordt met, of plaats vindt in het kader van, een veel breder opgezet onderzoek naar de vraag of MKZ heeft geheerst in Kootwijkerbroek.

6.6 De slotsom is dat een onderzoek naar (alleen) het DNA profiel van de bloedmonsters en de verwantschap tussen het DNA profiel en koe, waarvan [verzoeker] heeft gesteld dat het de moederkoe is, ter zake dienend is. Het verzoek is dan ook toewijsbaar.

7. Mogelijk onjuiste conclusies

7.1 De Staat c.s. hebben aangevoerd dat voorkomen moet worden dat [verzoeker] onjuiste conclusies verbindt aan de resultaten van een DNA onderzoek voor het antwoord op de vraag of MKZ in Kootwijkerbroek geheerst heeft. Om die reden heeft de minister van LNV aan zijn bereidheid om mee te werken aan een onafhankelijk onderzoek steeds de voorwaarde verbonden dat dat onderzoek alle bestaande onduidelijkheden diende weg te nemen en geen nieuwe onduidelijkheden in het leven zou roepen.

7.2 Dat de minister deze voorwaarde heeft gesteld in het overleg met de Kootwijkerbroekse gemeenschap, is in het licht van de doelstelling van dat overleg

-het wegnemen van de bestaande onrust vanwege de twijfels in die gemeenschap over de vraag of sprake is geweest van MKZ besmetting- voorstelbaar. De doelstelling van het voorlopig deskundigenbericht is echter niet om onrust weg te nemen in de Kootwijkerbroekse gemeenschap, maar om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zich een oordeel te vormen over de kans van slagen van een eventuele vordering tegen de Staat c.s.

7.3 Dat [verzoeker] mogelijk onjuiste conclusies verbindt aan de uitkomsten van het onderzoek voor het antwoord op de vraag of in Kootwijkerbroek MKZ geheerst heeft, zoals de Staat c.s. betoogd hebben, leidt dan ook niet tot een ander oordeel. De kans dat een van de betrokken partijen onjuiste conclusies verbindt aan de uitkomsten van een voorlopig deskundigenonderzoek is nooit uit te sluiten. Het is uiteindelijk aan de rechter in een na het voorlopig deskundigenonderzoek aanhangig te maken procedure om te beoordelen of partijen de juiste conclusies aan de uitkomsten van het voorlopig deskundigenonderzoek verbonden hebben. De rechtbank kan daar thans, nu het voorlopig deskundigenonderzoek nog niet verricht is, niet op vooruitlopen.

7.4 De rechtbank ziet, gezien het hiervoor overwogene, evenmin aanleiding om het onderzoek uit te breiden om te voorkomen dat [verzoeker] verkeerde conclusies aan het onderzoek zou verbinden, zoals de Staat c.s. wensen. Een dergelijke maatregel, die welbeschouwd neerkomt op het tegen zich zelf in bescherming nemen van een proces partij, acht de rechtbank bovendien in strijd met het beginsel van de partij-autonomie, dat ook met zich brengt dat een proces partij zelf bepaalt welke conclusies hij wenst te verbinden aan de uitkomsten van een voorlopig deskundigenbericht.

8. Positie van den Brink

8.1 De Staat c.s. hebben benadrukt dat [verzoeker] bestuurslid is van de Stichting MKZ Kootwijkerbroek, een Stichting die zich heeft beijverd voor het instellen van een onafhankelijk onderzoek. Welke consequenties de Staat c.s. aan dit bestuurslidmaatschap van [verzoeker] voor het verzoek van [verzoeker] verbinden, is de rechtbank onduidelijk. De rechtbank ziet in het bestuurslidmaatschap van [verzoeker] van de Stichting MKZ Kootwijkerbroek in elk geval geen reden om het verzoek van [verzoeker] af te wijzen.

9. De vraagstelling

9.1 De Staat c.s. hebben bezwaar gemaakt tegen de diverse door [verzoeker] voorgestelde vragen. De rechtbank zal deze vragen thans bespreken. Zij stelt daartoe het volgende voorop. [verzoeker] heeft aangegeven dat het hem er om gaat dat wordt vastgesteld of het DNA van de aanwezige (bloed)monsters overeenkomt met het DNA van de moederkoe. Daartoe heeft hij drie vragen onderscheiden, de gelijkheidsvraag (is het DNA profiel van alle vijf de (bloed)monsters gelijk), de zuiverheidsvraag (zijn de monsters niet met ander bloed/materiaal vermengd) en de verwantschapsvraag (komt het DNA profiel van de monsters overeen met het DNA profiel van de moederkoe). De rechtbank acht deze drie vragen relevant, zoals hierna zal worden uiteengezet. De rechtbank acht het voorts noodzakelijk dat de deskundige niet alleen antwoord geeft op de gelijkheids- en de zuiverheidsvraag, maar ook op de verwantschapsvraag, de vraag die van den Brink buiten het onderzoek wilde laten. Wanneer deze vraag niet door de deskundige zou worden beantwoord, zou in het kader van het voorlopig deskundigenonderzoek immers geen (definitief) antwoord kunnen worden gegeven op de door [verzoeker] centraal gestelde vraag, te weten die van de verwantschap tussen het DNA van de moederkoe en het DNA in de diverse (bloed)monsters.

9.2 De Staat c.s. menen allereerst dat een onderzoek naar de niet positief bevonden bloedmonsters niet zinvol is. De rechtbank verwerpt dit bezwaar. Door de Staat c.s. is gesteld dat alle vijf (bloed)monsters afkomstig zijn van het positief bevonden kalf op het bedrijf van [X]. Wanneer deze stelling juist is, ligt het voor de hand dat alle vijf monsters dezelfde DNA-code hebben. Indien dat niet het geval mocht zijn, doet dat de vraag rijzen of er bij de monsterafname, de verzending van de monsters of het onderzoek wellicht een verwisseling is opgetreden, zoals [verzoeker] stelt, maar de Staat c.s. betwisten en of de verwijzing op de monsters, in alle gevallen naar hetzelfde kalf met levensnummer 297932471, wel juist is. Onderzoek naar de gelijkheid van het DNA profiel van de diverse monsters -de gelijkheidsvraag- is dan ook wel degelijk van belang.

9.3 De bezwaren van de Staat c.s. tegen het vaststellen van het DNA profiel van de beide positief bevonden monsters vloeien voort uit de reeds afgewezen bezwaren van de Staat c.s. tegen het onderzoek zelf en de onderzoeksmethode en behoeven om die reden geen aparte bespreking. Datzelfde geldt ook voor het bezwaar van de Staat tegen de vaststelling van de gelijkheid tussen de beide positief bevonden monsters. Dat bezwaar heeft de rechtbank besproken bij de gelijkheidsvraag.

9.4 De Staat c.s. hebben verder nog bezwaren aangevoerd die verband houden met het feit dat voor hen niet vaststaat dat de moederkoe die [verzoeker] in zijn bezit heeft de moederkoe is van het kalf dat positief zou zijn bevonden. Zoals hiervoor is overwogen, staat deze onduidelijkheid niet aan het onderzoek, en ook niet aan het stellen van vragen over de verwantschap tussen de monsters en deze moederkoe, in de weg.

9.5 Ten slotte hebben de Staat c.s. bezwaar gemaakt tegen de zuiverheidsvraag. In dat kader hebben zij gesteld dat vanwege de wijze van bloedaftappen, waarbij het niet ongebruikelijk is dat dezelfde naald meerdere malen gebruikt wordt binnen een en hetzelfde bedrijf, de kans aanzienlijk is dat afwijkende DNA-sporen worden aangetroffen. Desgevraagd hebben de vertegenwoordigers van de Staat c.s. verklaard dat de bloedmonsters van de drie andere onderzochte dieren van [X] nog aanwezig zijn bij CIDC. Dat betekent dat in geval van een eventuele door de deskundige geconstateerde onzuiverheid, daarin bestaande dat afwijkende DNA-sporen worden aangetroffen, de deskundige nog kan onderzoeken of het sporen betreft die overeenkomen met het DNA-profiel van de monsters die zouden zijn genomen van de andere dieren van [X]. Op die wijze kan worden uitgesloten dat ten onrechte de conclusie wordt getrokken dat aangetroffen afwijkende DNA-sporen het gevolg zijn van vermenging met monstermateriaal van andere bedrijven dan die van [X].

9.6 De slotsom is dat de rechtbank de door [verzoeker] voorgestelde vragen, met enkele aanvullingen, zal overnemen.

10. De deskundige

De Staat c.s. hebben geen bezwaar gemaakt tegen de door [verzoeker] voorgestelde deskundige, dr. W.A. van Haeringen, die zich jegens de griffier mondeling bereid heeft verklaard een benoeming te zullen aanvaarden. De rechtbank zal dr. Van Haeringen

dan ook tot deskundige benoemen.

11. Voorschot

[verzoeker] zal het voorschot voor de kosten van de deskundige dienen te dragen.

BESLISSING

De rechtbank:

- beveelt een voorlopig deskundigenbericht met betrekking tot de volgende vraagpunten, aangevuld met de (algemene) slotvraag of er nog andere van belang zijnde opmerkingen zijn die voor de beslissing van het geschil van belang kunnen zijn:

1. Wat is de DNA-code van het serummonster met RAA-code: 0005462, genomen op 20 maart 2001 van het dier met levensnummer 297932471?

2. Wat is de DNA-code van het heparinemonster met RAA-code: 0005462, genomen op 20 maart 2001 van het dier met levensnummer 297932471?

3. Wat is de DNA-code van het serummonster met RAA-code: 0005451, genomen op 22 maart 2001 van het dier met levensnummer 297932471?

4. Wat is de DNA-code van het heparinemonster met RAA-code: 0005451, genomen op 22 maart 2001 van het dier met levensnummer 297932471?

5. Wat is de DNA-code van de kop, danwel het daarvan afgenomen materiaal, genomen op 22 maart 2001 met RAA-code 0005451 van het dier met levensnummer 297932471?

6. Zijn de vijf hiervoor onderzochte DNA-profielen identiek in die zin dat zij alle van hetzelfde dier afkomstig zijn?

7a. Zijn de vijf onderzochte monsters zuiver, in die zin dat elk (bloed)monster slechts uit het bloed van één dier bestaat?

7b. Indien het antwoord op vraag 7a ontkennend luidt: Is het mogelijk om desondanks in de monsters de DNA-codes vast te stellen van het bloed waaruit het monster bestaat?

7c. Indien het antwoord op vraag 7b bevestigend luidt: Wat zijn de DNA-codes die u in de onzuivere bloedmonsters hebt aangetroffen?

7d. Komen de in uw antwoord op vraag 7c genoemde codes overeen met de DNA-codes van de bij CIDC aanwezige bloedmonsters die -blijkens de aanduiding op de monsters en volgens opgave van CIDC- genomen zijn van andere dieren van het bedrijf van [X]?

8a. Is het alleen door een vergelijking van DNA-codes van (bloed)monsters van twee koeien (dus zonder nadere informatie) mogelijk om vast te stellen of er verwantschap tussen beide koeien bestaat? Is het, alleen op basis van de DNA-code van beide (bloed)monsters, ook mogelijk om vast te stellen of de ene koe de moeder van de andere koe is? Zo nee, welke aanvullende informatie is noodzakelijk?

8b. Wat is de DNA-code van het bloed van de koe, waarvan [verzoeker] stelt dat het de moederkoe is van het kalf met levensnummer 297932471?

8c. Is op grond van een vergelijking van de DNA-codes van de bij vraag 1 tot en met 5 genoemd (bloed)monsters met de DNA-code van het bij vraag 8a genoemde bloedmonster met zekerheid, of met een hoge mate van waarschijnlijkheid, en zo ja welke mate, vast te stellen dat het bij vraag 8a genoemde bloedmonster afkomstig is van de moederkoe van het dier waarvan de bij vraag 1 tot en met 5 genoemde (bloed)monsters afkomstig zijn?

8d. Indien het antwoord op vraag 8c ontkennend luidt: Is op grond van een vergelijking van de DNA-codes van de bij vraag 1 tot en met 5 genoemde (bloed)monsters met de DNA-code van het bij vraag 8a genoemde bloedmonster met zekerheid, of met hoge mate van waarschijnlijkheid en zo ja welke mate, uit te sluiten dat het bij vraag 8a genoemde bloedmonster afkomstig is van de moederkoe van het dier waarvan de bij vraag 1 tot en met 5 genoemd monsters afkomstig zijn?

8e. Indien het antwoord op vraag 6 ontkennend luidt: Wilt u uw antwoorden op de vragen 8c en 8d differentiëren door voor ieder van de in de vragen 1 tot en met 5 genoemde (bloed)monsters aan te geven of en in hoeverre verwantschap met zekerheid of een grote mate van waarschijnlijkheid bestaat of is uitgesloten?

9 Zijn er nog andere van belang zijnde opmerkingen die voor de beslissing van het geschil van belang kunnen zijn? Zo ja welke?

- benoemt als deskundige dr. W.A. van Haeringen, verbonden aan Van Haeringen Laboratorium B.V., Agro Business Park 100, 6708 PW Wageningen.

Bepaald wordt dat de deskundige, die de opdracht onpartijdig en naar beste weten dient te volbrengen, bij zijn onderzoek partijen via hun advocaten in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat uit het door de deskundige uitgebrachte rapport moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, waarbij van de inhoud van bedoelde opmerkingen en verzoeken in het rapport melding moet worden gemaakt.

De plaats en tijd waar en wanneer de deskundige tot het onderzoek zal overgaan zullen door de deskundige, in overleg met de raadslieden van partijen, worden vastgesteld.

Het schriftelijk deskundigenrapport dient voor of op 17 september 2003 ter griffie te worden ingeleverd.

De kosten van de deskundige zullen ten laste van [verzoeker] worden gebracht. De werkzaamheden van de deskundige hoeven eerst te worden aangevangen als door [verzoeker] een bedrag van € 7.500,-- als voorschot voor die kosten ter griffie is gestort. Van die storting zal door de zorg van de griffie aan de deskundige mededeling worden gedaan.

Gegeven door mr. H. de Hek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag

21 mei 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.