Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AF8785

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
20-03-2003
Datum publicatie
15-05-2003
Zaaknummer
176329 CV 02-1131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2003, 6055
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E

sector kanton - locatie Deventer

Zaaknr.: 176329 CV 02-1131

datum : 20 maart 2003

Vonnis in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats]

eisende partij,

gemachtigde mr. F.A.J.M. Peeters, advocaat bij het Bureau voor Rechtshulp te Deventer,

tegen

[gedaagde],

gevestigd te Deventer,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. W.J.A. van Haperen, jurist bij KNV te Den Haag,

rolgemachtigde A.M.C. van den Bos, gerechtsdeurwaarder te Deventer.

De procedure

Eerder is in deze zaak een tussenvonnis gewezen dat op 6 februari 2003.

[eiser] heeft ingevolge dat tussenvonnis een akte genomen en heeft daarbij zijn eis met een bedrag van € 193,91 verminderd.

MOTIVERING

Vaststaande feiten

1.

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. [eiser], geboren op [datum], heeft vanaf 9 augustus 1999 op afroep als taxichauffeur voor [gedaagde] gewerkt. Op 11 oktober 2000 is [eiser] daarop voor de duur van één jaar bij [gedaagde] in dienst getreden als taxichauffeur, welk contract per 10 oktober 2001 voor de duur van één jaar is verlengd. Zijn laatstelijk verdiende salaris bedraagt € 1.270,53 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

b. Bij brief van 29 november 2001 heeft [gedaagde] een op 27 november 2001 met [eiser] gehouden gesprek bevestigd en hem daarbij aangesproken op zijn met regelmaat te laat op het werk verschijnen, over zijn onbereikbaarheid tijdens het uitvoeren van zijn werk en over klachten van klanten over het door hem tijdens het rijden telefoneren. Deze brief wordt afgesloten met de mededeling dat de houding van [eiser] voor [gedaagde] niet acceptabel is en dat het voortduren van die houding zal leiden tot een beëindiging van de arbeidsrelatie.

c. [gedaagde] heeft op 18 december 2001 verslag opgemaakt van het gesprek met [eiser] d.d. 17 december 2001 omtrent zijn onbereikbaarheid gedurende geruime tijd tijdens zijn nachtdienst. In dat verslag is onder meer opgenomen: "De heer [eiser] heeft toegegeven dat dit niet juist is en dat hij zich realiseert dat hij hierdoor de dienstuitvoering ernstig belemmerd heeft. Hij heeft toegezegd dat e.e.a. niet weer zal voorkomen." [eiser] heeft dit verslag voor akkoord getekend.

d. [eiser] is op 20 februari 2002 door [gedaagde] op staande voet ontslagen. In de daarop toegezonden brief van die datum is onder meer het volgende verwoord:

"Vandaag, 20 februari 2002, is gebleken dat u zondagochtend 18 februari jl. tijdens uw werkzaamheden (..) betrokken bent geweest bij een gewelddadig incident. Deze gebeurtenis hebben we uit de krant van 19 februari 2002 vernomen en na informatie van ons bij de politie bleek dat u de betrokken chauffeur was.

U heeft dit incident niet aan de dienstdoende centralist of directie gemeld, ondanks dat u weet dat het de gebruikelijke gang van zaken is dat u ongewone voorvallen en bijzonderheden dient te melden. Het blijkt dat u het voorval ook niet als gewoon hebt ervaren daar u het verhaal aan uw collega's in geuren en kleuren hebt verteld.

De politie informeerde ons, dat u die ochtend in de Papenstraat een tweetal voetgangers van achteren naderde en claxoneerde, waarna een van de voetgangers een kalmerend gebaar maakte. U stopte naast de twee voetgangers en gaf uw passagier de gelegenheid uit te stappen waarna deze de voetganger provoceerde en een kopstoot uitdeelde.

Zoals u bekend is, heeft uw functioneren als taxichauffeur binnen [gedaagde] (..) voortdurend zowel mondeling als schriftelijk ter discussie gestaan. (Zie schriftelijke ondertekende stukken d.d. 29-11-2001 en 18-12-2001). In de brief van 29 november 2001 heeft u reeds een waarschuwing ontvangen dat het voortzetten van uw ongewenste gedrag onvermijdelijk zal leiden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Naast het bovenstaande blijft u hardnekkig volharden in het niet tijdig inleveren van rittenstaten en gelden die de werkgever toebehoren (ritopbrengsten). Ook hiervoor bent u meerdere malen mondeling terecht gewezen door de personeelsmanager die u waarschuwde dat hiervoor aangifte voor verduistering van gelden die de werkgever toebehoren kon volgen. U heeft zich van zowel de schriftelijke als mondelinge waarschuwingen niets aangetrokken (..) Over de maand januari 2002 moest € 131,78 worden ingehouden als gevolg van te weinig afgedragen ritopbrengst.

Ter illustratie dat er geen wijziging in uw gedrag optreedt: ook bij controle van de eerste week van februari blijkt dat er elke dag te weinig geld is afgerekend en 16 treintaxibonnen niet zijn ingeleverd tot een totaalbedrag van € 79,90.

Het is duidelijk dat redelijkerwijs van [gedaagde] niet verlangd kan worden dat de arbeidsovereenkomst gehandhaafd blijft. Het voorval van zondagochtend jl. is de druppel die de emmer doet overlopen. Met onmiddellijke ingang wordt uw arbeidsovereenkomst beëindigd.

(..) NB

Deze brief kon niet aan u overhandigd worden omdat u boos weg liep onder het uiten van bedreigingen van "Jullie zijn allemaal voor mij" en het gooien van sleutels naar de dienstdoende centralist. Op het verzoek van de heer Kamsteeg de aan de werkgever toebehorende ritstaten, gelden en werkmap in te leveren reageerde u niet. Wij verzoeken deze bescheiden en de bedrijfskleding zo spoedig mogelijk in te leveren."

e. Bij brief van 1 maart 2002 heeft [eiser] de aan hem gemaakte verwijten betwist, de onregelmatigheid van het hem gegeven ontslag ingeroepen en onder meer aanspraak gemaakt op de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:680 BW.

Standpunten van partijen

2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij ten onrechte op 20 februari 2002 op staande voet is ontslagen nu hij het voorval van zondagochtend wel aan de dienstdoende centralist heeft gemeld. Verder heeft hij de gelden en de ritstaten door de "europroblemen" met de afstortapparatuur en zijn onregelmatige diensten niet tijdig ingeleverd. [gedaagde] heeft de verwijten derhalve onterecht gemaakt. [gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst dan ook op schadeplichtige wijze beëindigd zodat zij de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:680 BW is verschuldigd, te stellen op een bedrag van € 1.921,03, te weten het loon dat hij nog tot het einde van arbeidsovereenkomst had kunnen verdienen.

3.

[gedaagde] voert aan dat zij [eiser] terecht en op goede grond op staande voet heeft ontslagen. Na het incident van 18 februari 2002, gevoegd bij de vele waarschuwingen, zowel mondeling als schriftelijk, was voor [gedaagde] de maat vol. Van haar behoefde dan ook voortzetting van het dienstverband niet meer te worden gevergd.

De beoordeling

4.

Tussen partijen is in debat of [eiser] gerechtigd is tot de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in de artikelen 7:680 en 677 BW. Het antwoord op die vraag hangt af van het antwoord op de vraag of het op 20 februari 2002 aan [eiser] gegeven ontslag op staande voet terecht is gegeven.

5.

[gedaagde] heeft allereerst aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [eiser] op zondagochtend 18 februari 2002 betrokken is geweest bij een gewelddadig incident en dat hij daarvan geen melding heeft gemaakt bij de dienstdoende centralist dan wel de directie. [eiser] heeft dit bij de inleidende dagvaarding gemotiveerd bestreden en daartoe aangevoerd dat de door [gedaagde] geschetste gang van zaken anders is geweest, aangezien hij enkel is gestopt om even-tuele schade aan de auto op te nemen nadat een voetganger tegen de auto had getrapt en dat de passagier van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt om uit te stappen en die voetganger te mishandelen. Hij stond daarbuiten, aldus [eiser], onder aanvoering dat hij dat incident direct aan de dienstdoende centralist heeft gemeld. [gedaagde] is noch bij haar antwoord noch bij haar nadere toelichting op dit verweer van [eiser] ingegaan. Zij heeft evenmin bescheiden overgelegd waaruit de juistheid van het door haar gestelde kan worden afgeleid. Dit betekent van de juistheid van [eiser]s lezing van het incident van zondagochtend 18 februari 2002 worden uitgegaan en dat het ontslag op staande voet ten onrechte op de lezing van [gedaagde] omtrent die gebeurtenis is gefundeerd. Aan bewijsopdracht wordt dan ook niet toegekomen.

6.

[gedaagde] heeft verder aan het gegeven ontslag ten grondslag gelegd dat zij [eiser] reeds diverse malen heeft moeten waarschuwen over zijn functioneren, in het bijzonder over het met regelmaat te laat komen, het onbereikbaar zijn en klachten van klanten over mobiel bellen tijdens het rijden en over het feit dat [eiser] hardnekkig is blijven volharden in zijn weigering om de rittenstaten en de ritopbrengsten tijdig in te leveren.

7.

Dat de tevredenheid van [gedaagde] over [eiser]s functioneren reeds onder grote druk stond en dat [gedaagde] zulks ook aan [eiser] op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk heeft gemaakt, is naar het oordeel van de kantonrechter toereikend komen vast te staan.

In de eerste plaats staat vast dat [eiser] zowel in november 2001 als in december 2001 op zijn functioneren is aangesproken en dat [gedaagde] zulks schriftelijk heeft bevestigd.

Voorts staat vast dat [gedaagde] [eiser] bij brief van 29 november 2001 onder meer heeft gewaarschuwd voor zijn houding en daarbij zelfs heeft aangekondigd om bij het uitblijven van een verbetering een einde aan de arbeidsrelatie te maken. Dat de kritiek op zijn functioneren als ook de waarschuwing en voormelde aankondiging ten onrechte zijn gegeven, zoals [eiser] thans aanvoert, is niet aannemelijk nu vaststaat dat [eiser] daartegen niet dadelijk heeft geprotesteerd, hetgeen wel op zijn weg had gelegen indien hij werkelijk meende dat de kritiek en de waarschuwing onjuist waren. Aan dat verweer wordt derhalve voorbij gegaan. Aan bewijsopdracht over dit punt wordt derhalve evenmin toegekomen.

8.

Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat [eiser] derhalve op de hoogte was van het belang dat [gedaagde] hechtte aan correcte en stipte naleving van de binnen haar onderneming geldende regels. Wat betreft de verantwoording van de ritten en de opbrengsten daarvan geldt dat een werkgever een direct en zwaarwegend organisatorisch en financieel belang heeft om tijdig, juist en volledig daarover ingelicht te worden en de werknemer - waarvan de werkgever in dit geval afhankelijk is - derhalve een zwaarwegende plicht heeft om aan die verantwoording mee te werken.

9.

[eiser] heeft zich in de processtukken omtrent het verwijt dat hij meermalen tevergeefs is aangesproken op tijdige en volledige inlevering van ritstaten en de opbrengst daarvan beperkt tot de verwijzing bij zijn nadere toelichting naar hetgeen hij in de brief van zijn gemachtigde d.d. 1 maart 2002 heeft doen optekenen.

In het bijzonder is hij bij zijn akte uitlating producties niet ingegaan op hetgeen [gedaagde] bij haar nadere toelichting daaromtrent, onder overlegging van de van [eiser] afkomstige rittenstaten, heeft aangevoerd, te weten: "(..) Daaruit blijkt zonneklaar dat [eiser] bij herhaling niet juist zijn gelden heeft verantwoord. De door [gedaagde] bij (..) antwoord genoemde bedragen van € 131,78 en € 62,13 zijn daaruit te verklaren. (..) Alle rittenstaten worden door de administratie gecontroleerd. Voorts was het inleveren van de betreffende rittenstaten door [eiser] bij voortduring een bron van ergernis. Ondanks duidelijke instructies was [eiser] daar steeds te laat mee. Diverse malen is hij daarover aangesproken door de heer [A], de toenmalig directeur, de heer [B], (personeelsfunctionaris) en mevrouw [C], die verantwoordelijk is voor de verwerking van de rittenstaten. Steeds opnieuw moest [eiser] gemaand worden zijn administratie, bestaande uit machtigingen ziekenvervoer, treintaxibonnen, de rittenstaten en daarbij behorende gelden, af te dragen. Overigens zijn de beide genoemde bedragen van € 131,78 en € 62,13 met toestemming van [eiser] zelf ingehouden op zijn salaris. (..)".

[eiser] heeft daarop enkel volstaan met een vermindering van eis met een bedrag van

€ 193,91. Daaruit leidt de kantonrechter af dat [eiser] het ter zake door [gedaagde] gestelde erkent en dat derhalve als vaststaand moet worden aangenomen dat hij (ook) in januari en februari 2002 geen correcte verantwoording heeft gegeven. Nu [eiser] verder ten processe heeft erkend dat hij de in maanden januari en februari 2002 ingenomen 17 treintaxibonnen niet heeft afgedragen, moet worden vastgesteld dat [eiser] zich bij herhaling, ondanks uitdrukkelijke aanmaning en waarschuwing zijn leven ter zake te beteren, niet heeft gehouden aan de op hem rustende verplichting, als verwoord onder r.o. 8.

10.

Hetgeen onder r.o. 9 is overwogen, zulks gevoegd bij de andere, als vaststaand aangenomen kritiek op [eiser]'s functioneren en de ter zake gegeven waarschuwingen, is naar het oordeel van de kantonrechter een zodanige ernstige tekortkoming dat zulks een dringende reden oplevert voor onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Van een werkgever als [gedaagde] behoeft immers niet te worden verlangd het dienstverband in stand te houden met een werknemer die bij voortduring zijn verplichtingen jegens de werkgever niet dan wel niet tijdig en/of niet volledig nakomt, met name de plicht tot voormelde verantwoording. Dit levert aldus een voldoende reden op voor ontslag op staande voet.

11.

Nu het ontslag op staande voet geacht wordt terecht te zijn gegeven, bestaat er geen grond voor toewijzing van de gefixeerde schadevergoeding als door [eiser] gevorderd. Zijn vordering zal derhalve worden afgewezen.

12.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden verwezen.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Taxi [gedaagde] begroot op € 270,-- voor salaris gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 20 maart 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.