Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AF8372

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
02-04-2003
Datum publicatie
09-05-2003
Zaaknummer
84179 / KG ZA 03-136
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Zaaknr/rolnr: 84179 / KG ZA 03-136

Uitspraak: 2 april 2002

DE PRESIDENT ALS VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

[eiser], verblijvende te [woonplaats],

eiser,

procureur: mr. W.F. van Oostveen,

en

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur: mr. E.G.J. Hendriksen.

PROCESGANG

[eiser] heeft [gedaagden] doen dagvaarden in kort geding.

De vordering strekt ertoe dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] veroordeelt:

1. om de sleutels van de boerderij aan de [adres] af te geven aan [eiser] en te gehengen en gedogen dat [eiser] in genoemde boerderij gaat wonen;

2. om te gehengen en te gedogen dat [eiser] met uitsluiting van henzelf de in punt 11 van de dagvaarding genoemde percelen grond zelf gaat bewerken of door een derde laat bewerken;

1. om euro 40.000,- bij wege van voorschot op de verdeling van het maatschapsvermogen aan [eiser] te voldoen;

4. om terstond medewerking te verlenen aan het aanvragen van subsidies en het voldoen aan bepalingen uit de mestwetgeving, alsmede medewerking te verlenen op andere vlakken indien en voor zover nodig voor de uitoefening van het volledige voorlopig gebruik van de landbouwgrond;

5. om het onder 1,2,4 en 6 genoemde na te komen op straffe van verbeurte van een dwangsom ad euro 2.000,- per dag te rekenen vanaf twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis;

6. om terstond alle kosten te betalen die [eiser] zal moeten maken om de verrichte sloopwerkzaamheden ongedaan te maken;

7. althans tot één of meer uitvoerbaar bij vooraad verklaarde voorlopige voorzieningen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren op straffe van verbeurte van een dwangsom;

8. in de kosten van het geding.

Tegen deze vordering is door [gedaagden] verweer gevoerd met conclusie primair tot niet ontvankelijkheid en subsidiair tot afwijzing vanwege ontbrekend (spoedeisend) belang, althans vanwege het ontbreken van rechtens te respecteren belang aan de zijde van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

Partijen hebben hun standpunten over en weer toegelicht, waarna vonnis is gevraagd.

MOTIVERING

1 Vaststaande feiten

1.1 [eiser] heeft tot augustus 2001 63 jaar lang tezamen met zijn broers [gedaagden] op de boerderij aan de [adres 2] te [woonplaats] gewoond. De drie gebroeders Sluiter dreven in maatschapsverband een agrarisch bedrijf. Door onderlinge spanningen is deze samenwerking in augustus 2001 stuk gelopen. De tussen de gebroeders bestaande maatschap is inmiddels ontbonden, althans zij wensen deze maatschap te ontbinden.

1.2 [eiser] heeft in augustus 2001 de woning aan de [adres 2] te [woonplaats] verlaten. Thans verblijft hij in de kalverstal van H. van den Top aan de Westerkampen 22 te [woonplaats], welke tijdelijk als woonruimte is ingericht.

1.3 De gebroeders Sluiter hebben getracht het gemeenschappelijke maatschapsvermogen te verdelen, maar deze verdeling is nog niet tot stand gekomen. Tot het (ontbonden) maatschapsvermogen behoren onder meer de boerderijen aan de [adres 2] en 4a, alsmede ongeveer 21 hectare land.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1 Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de gevraagde voorzieningen. Het feit dat [eiser] sedert augustus 2001 zijn verblijf bij [persoon 1] heeft en hij eerst thans in kort geding vordert om de boerderij aan de [adres] te [woonplaats] te mogen gaan bewonen doet hier niet aan af, nu partijen al geruime tijd hebben getracht om in de minne tot een oplossing te komen en dit tot nu toe niet is gelukt.

2.2 Kern van het geschil betreft de vraag of [eiser] - in afwachting van de bodemprocedure over de definitieve verdeling van het maatschapsvermogen - voorlopig de woning aan de [adres] mag bewonen, een deel van de tot de ontbonden maatschap behorende grond - te weten de huiskavel [adres] (kadastraal bekend gemeente [woonplaats] [kadastrale gegevens]. ter grootte van 1.79.90 hectare) en "[naam]" (kadastraal bekend gemeente [woonplaats] [kadastrale gegevens 2], groot 3.36.35 hectare) - mag gebruiken, alsmede of hem een voorschot op de definitieve verdeling toekomt.

2.3 [eiser] heeft gesteld dat hij er recht op heeft de tot het vermogen van de (ontbonden) maatschap behorende boerderij [adres] te mogen gaan bewonen, omdat zijn beide broers gezamenlijk op de boerderij aan de [adres 2] wonen en de boerderij aan de [adres] al vanaf 1969 leeg staat. In verband met het herstel van de verrichte sloopwerkzaamheden aan en het bewoonbaar maken van [adres], alsmede voor de betaling van de vaste lasten van de woning en de mogelijk verschuldigde inkomstenbelasting in verband met de staking van het bedrijf, vordert hij een voorschot op de definitieve verdeling. Voorts stelt [eiser] recht te hebben op het gebruik van een deel van de tot de (ontbonden) maatschap behorende grond, zodat hij kan beginnen met de voorjaarswerkzaamheden op het land.

2.4 Door [gedaagden] wordt betwist dat zij nog samen op het adres [adres 3] wonen, omdat [gedaagde sub 2] inmiddels zijn intrek in [adres] heeft genomen. [gedaagden] betwisten tevens dat [eiser] reeds nu een voorschot op de verdeling nodig heeft, omdat hij voldoende eigen inkomsten heeft. Daarnaast beschikt de maatschap slechts over een bedrag aan contanten van euro 28.000,-, aldus [gedaagden], zodat het gevorderde voorschot niet geheel uit de liquide middelen kan worden betaald. Voorts is volgens [gedaagden] met toestemming van [eiser] op maatschapgrond vervuilde grond gestort. De saneringskosten hiervan - waarvan de omvang thans nog niet geheel duidelijk is - komen wellicht voor rekening van [eiser]. Indien bij de verdeling de saneringskosten hoger zijn dan het aan [eiser] toekomende aandeel, is het nog maar de vraag of hij uiteindelijk wel een uitkering ontvangt. Om deze reden kan volgens [gedaagden] het gevorderde voorschot niet worden toegewezen.

2.5 Bij de beoordeling van de geschillen tussen partijen staat voorop dat, zowel voor het geval de maatschap tussen de gebroeders nog mocht bestaan als voor het geval de maatschap reeds als ontbonden beschouwd mocht worden, de rechtsbetrekkingen tussen partijen worden beheerst door de eisen van de redelijkheid en de billijkheid.

2.6 Niet in geschil is dat de verhoudingen tussen [eiser] enerzijds en [gedaagden] anderzijds zodanig verstoord zijn dat zij niet meer - zoals voorheen - samen onder één dak kunnen wonen. Daargelaten wat de reden voor deze verstoorde verhoudingen en het vertrek van [eiser] is geweest, vast staat dat [persoon 1] - die [eiser] tijdelijke noodopvang heeft geboden - thans zelf de kalverstal nodig heeft en dat [eiser] derhalve dringend woonruimte nodig heeft. Gezien het feit dat tot het maatschapsvermogen naast de tot voor kort door de drie gebroeders gezamenlijk bewoonde woning (op [adres 2]) nog een boerderij op [adres] behoort en partijen in afwachting zijn van de definitieve verdeling, kan van [eiser] in redelijkheid niet worden gevergd dat hij reeds op dit moment naar andere woonruimte moet gaan zoeken. Hieraan doet niet af dat volgens de gemeentelijke basisadministratie [gedaagde sub 2] sedert 10 januari 2002 op dit adres staat ingeschreven, nu voorshands niet voldoende is gebleken dat de gestelde onmin tussen de breide broers [gedaagden] in zodanige mate bestaat dat het wonen onder hetzelfde dak bezwaarlijk zou zijn. De eerste vordering zal derhalve toegewezen kunnen worden.

2.7 Voor wat betreft de tweede vordering hebben [gedaagden] aangegeven dat door [eiser] nooit een verzoek is gedaan om een deel van de gemeenschappelijke grond te mogen gebruiken, maar dat zij hiertegen geen bezwaar zouden hebben gehad mits [eiser] de grond zelf zou gaan gebruiken, zulks teneinde te voorkomen dat een feitelijke situatie zou ontstaan die tot gevolg zou kunnen hebben dat pachtrechten ontstaan. Ter zitting heeft [eiser] met deze voorwaarde ingestemd en onderschreven dat gewaakt moet worden voor het ontstaan van pachtrechten voor derden. De tweede vordering zal derhalve toegewezen worden, met dien verstande dat [eiser] evenwel de grond niet door een derde mag laten bewerken. Het hiervoor overwogene brengt wel met zich mee dat [eiser] zich zal dienen te onthouden van gebruik van de resterende maatschapsgrond, waaronder het door hem reeds bewerkte land van ongeveer 4 hectare, aan partijen genoegzaam bekend als "[naam 2]".

2.8 Ten aanzien van het gevorderde voorschot kan als volgt worden geoordeeld. De feitelijke situatie van de maatschap is thans zodanig dat feitelijk [gedaagden] zich in het genot van alle bestanddelen van de maatschap bevinden en dat [eiser] in feite niets heeft, afgezien van de hiervoor toegewezen vordering. Niet valt in te zien waarom binnen de grenzen van het redelijke aan [eiser] niet enige bestanddelen ter beschikking kunnen worden gesteld zonder dat daarvan door de beide andere broers duidelijke nadelen worden ondervonden. Bijvoorbeeld, uit de stellingen van [gedaagden] blijkt dat in het huis aan de [adres] het aanrecht is weggebroken en tevens dat - daargelaten door wie dit is geschied - andere zaken zijn gesloopt. Wil [eiser] adequaat kunnen wonen, dan zal hij wat kosten moeten maken. Rekening houdende met de eigen inkomsten van [eiser] en de volgens de overgelegde maatschapsbalans aanwezige liquide middelen, alsmede met het restitutierisico vanwege de eventuele saneringskosten, wordt een voorschot van euro 10.000,- redelijk geacht. De derde vordering ligt derhalve tot dit bedrag voor toewijzing gereed.

2.9 Gezien de samenhang tussen de tweede en de vierde vordering, zal ook de vierde vordering worden toegewezen. Het onder 6 gevorderde zal worden afgewezen nu deze te vaag en onbepaalbaar is, terwijl niet op voorhand valt vast te stellen wie uiteindelijk draagplichtig zal blijken te zijn voor deze kosten. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd.

2.10 Omdat partijen broers zijn, worden de kosten van deze procedure aldus gecompenseerd dat elke partij belast blijft met de eigen kosten.

BESLISSING

De president als voorzieningenrechter:

1 veroordeelt [gedaagden] om de sleutels van de boerderij aan de [adres] af te geven aan [eiser] en te gehengen en gedogen dat [eiser] in genoemde boerderij gaat wonen;

2 veroordeelt [gedaagden] om te gehengen en te gedogen dat [eiser] met uitsluiting van henzelf de in punt 11 van de dagvaarding genoemde percelen grond zelf gaat bewerken;

3 veroordeelt [gedaagden] om euro 10.000,- bij wege van voorschot op de verdeling van het maatschapsvermogen aan [eiser] te voldoen;

4 veroordeelt [gedaagden] om terstond medewerking te verlenen aan het aanvragen van subsidies en het voldoen aan bepalingen uit de mestwetgeving, alsmede medewerking te verlenen op andere vlakken indien en voor zover nodig voor de uitoefening van het volledige voorlopig gebruik van de landbouwgrond;

5 veroordeelt [gedaagden] het onder 1,2 en 4 genoemde na te komen op straffe van verbeurte van een dwangsom ad euro 250,- per dag te rekenen vanaf zeven dagen na betekening van dit vonnis, met een maximum van euro 20.000,-;

6 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

7 wijst af het anders of meer gevorderde;

8 compenseert de kosten van dit geding, in die zin dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mr. E.A. Maan, president als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.