Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AF6180

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
24-03-2003
Zaaknummer
77384 FARK 02-1912
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE,

Sector civiel recht

Meervoudige familiekamer.

Zaaknummer : 77384 FARK 02-1912

Datum : 19 maart 2003

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging Amsterdam,

vertegenwoordigd door P. Kempenaar,

hierna als de Raad aangeduid,

verzoeker,

en

1. [moeder],

wonende [adres 1],

hierna als de moeder aangeduid;

2. [vader],

wonende [adres 2]

hierna als de vader aangeduid;

3. [pleegmoeder],

wonende te [adres 3],

hierna als de pleegmoeder aangeduid;

4. Stichting Bureau Jeugdzorg Amsterdam,

gevestigd 1098 LE Amsterdam,

Helmholltzstraat 61,

hierna als de gezinsvoogdij-instelling aangeduid,

belanghebbenden.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Eerder is in deze zaak op 15 november 2002 een beschikking gegeven. [relevante overwegingen daarvan onder deze beschikking toegevoegd] De rechtbank blijft bij hetgeen daarin is overwogen en beslist voor zover daarvan hierna niet wordt afgeweken.

Bij voormelde beschikking is de zaak aangehouden, teneinde van het standpunt van de vader en van het standpunt van de pleegmoeder omtrent het verzoek van de Raad, kennis te nemen.

De rechtbank heeft kennis genomen van een brief van de moeder van 13 december 2002.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren op 29 januari 2003.

Verschenen zijn:

- H.P. de Jong, werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging Zwolle, namens de Raad;

- C. Salomons, namens de gezinsvoogdij-instelling;

- de vader.

De moeder en de pleegmoeder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

DE BEOORDELING VAN DE ZAAK

De Raad heeft verzocht de vader te ontheffen van het ouderlijk gezag over het minderjarig kind van de vader en de moeder,[de minderjarige], hierna als [de minderjarige] aangeduid, geboren op 14 januari 1992 in de gemeente Lelystad.

Voor de onderbouwing van dit verzoek verwijst de rechtbank naar hetgeen daaromtrent in de beschikking voormeld is opgenomen.

De vader heeft bezwaar gemaakt tegen de toewijzing van het verzoek van de Raad om hem te ontheffen van het gezag over [de minderjarige]. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het op de eerste plaats de taak van de gezinsvoogdij-instelling is gezinsleden bij elkaar te brengen in plaats van hen van elkaar te scheiden. Omdat hij nooit door de gezinsvoogdij-instelling is geïnformeerd, weet hij niets van zijn dochter. Hij weet niet in welk pleeggezin zij woont en welke school zij bezoekt of welke opleiding zij volgt. Hij heeft [de minderjarige] zes maanden geleden voor het laatst gezien. De vader acht de tijd rijp dat de gezinsvoogdij-instelling en pleegmoeder zich inspannen [de minderjarige] voor te bereiden om op korte of lange termijn naar hem terug te keren. Hij kan niet accepteren dat zijn dochter haar hele leven ergens anders woont. Hij is 57 jaar, heeft maar één kind en heeft zijn dochter nooit iets aangedaan. De vader heeft tot slot naar voren gebracht dat hij voor zijn dochter zal blijven vechten en dat hij, in samenspraak met alle betrokkenen, een oplossing wil proberen te vinden.

De Raad heeft bij vermelde behandeling zijn verzoek gehandhaafd.

De gezinsvoogdij-instelling heeft nadere informatie verstrekt.

Op grond van de stukken, waaronder het rapport van de Raad, en hetgeen bij vermelde behandeling naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank het navolgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1: 266 van het Burgerlijk Wetboek (BW), kan een ouder, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet, worden ontheven van het gezag over zijn kind op grond van de omstandigheid dat de ouder inziet dat hij zelf ongeschikt of onmachtig is, zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en de ouder met de ontheffing instemt, de zogenaamde vrijwillige ontheffing.

Indien een ouder het hiervoor bedoelde inzicht niet heeft, respectievelijk niet instemt met de ontheffing, bevat de wet voor de zogenaamde gedwongen ontheffing in artikel 1: 268 BW aanvullende voorwaarden.

Op grond van de overgelegde stukken en de ter zitting verstrekte informatie komt de rechtbank tot de slotsom dat [de minderjarige] in het pleeggezin is gehecht en ingegroeid en dat een ongestoorde voortzetting van het verblijf van [de minderjarige] in het pleeggezin in zodanige mate in haar belang is dat -in beginsel- terugplaatsing van [de minderjarige] bij de vader uitgesloten moet worden geacht.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het algemeen een ontheffing achterwege blijven indien de ouder onvoorwaardelijk de plaatsing van een kind in een pleeggezin accepteert en op een positieve en actieve wijze invulling geeft aan het gezag.

Naar het oordeel van de rechtbank is er echter sprake van onmacht en ongeschiktheid bij de vader aangezien hij niet kan accepteren dat [de minderjarige] elders verblijft en opgroeit. De vader gaat zelfs zover dat hij verwacht dat de gezinsvoogdij-instelling en pleegmoeder acties zullen voorbereiden om [de minderjarige] op korte dan wel lange termijn bij hem terug te plaatsen. Verder heeft de vader bij vermelde behandeling aangegeven dat hij voor de terugkeer van zijn dochter zal blijven vechten.

Gelet op de houding van de vader, blijft, bij een jaarlijkse verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, onzekerheid voor [de minderjarige] over het opvoedingsperspectief voortduren. De mogelijkheid tot hereniging met de vader en de onzekerheid hieromtrent kunnen het hechtingsproces in het pleeggezin verstoren, hetgeen een niet gerechtvaardigde inbreuk vormt op het recht van [de minderjarige] op respect van het inmiddels tussen haar en de pleegmoeder ontstane familie- en gezinsleven. Aan het belang van [de minderjarige] bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces dient zwaarwegende betekenis te worden toegekend. Er dient dan ook duidelijkheid te komen in de gezagssituatie.

Het recht van het kind op duidelijkheid omtrent het opvoedingsperspectief en een ongestoorde hechting in het pleeggezin vloeit tevens voort uit artikel 3 lid 1 en artikel 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), die aan het kind dat blijvend het verblijf in het gezin waartoe het behoort moet missen, recht op bijzondere bescherming en bijstand van staatswege toekent. Dit recht van het kind weegt zwaarder dan het recht van de ouder op hereniging met het kind.

Op grond van het vorenstaande, mede gelet op de perspectief biedende uithuisplaatsing van [de minderjarige], komt de rechtbank dan ook tot de slotsom dat is voldaan aan de wettelijke maatstaven, als bedoeld in artikel 1: 266 BW juncto artikel 1: 268, tweede lid BW, om de vader te ontheffen van het gezag over [de minderjarige].

De rechtbank merkt op dat de reden van de ontheffing van de vader van het gezag niet is gelegen in zijn persoon. De situatie met betrekking tot [de minderjarige] is echter door het verloop van tijd van zodanige aard geworden dat een terugplaatsing bij de vader niet meer in het belang van [de minderjarige] is.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat de gezinsvoogdij-instelling met de thans te nemen beslissing niet ontslagen wordt van de plicht de vader voldoende te informeren omtrent [de minderjarige], alsmede een zodanige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] te bewerkstelligen dat zij in staat zijn een goed contact met elkaar op te bouwen.

De rechtbank is van de benoeming van de gezinsvoogdij-instelling tot voogdes, niet van bezwaren gebleken.

Derhalve zal dienovereenkomstig worden beslist.

BESLISSING

Ontheft de vader, [vader] voornoemd, van het gezag over de vermelde minderjarige.

Benoemt tot voogdes over de minderjarige:

Stichting Bureau Jeugdzorg Amsterdam,

Helmholzstraat 61,

1098 LE Amsterdam.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad met ingang van heden.

Aldus gegeven door mr. W. Miltenburg (voorzitter), mr. A. M. Koene en mr. M. Moussault, rechters, tevens plaatsvervangend kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.E.van Zeijl als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2003.

Uit de tussenbeschikking:

De Raad heeft verzocht de vader te ontheffen van het ouderlijk gezag over [de minderjarige]. De raad heeft tevens verzocht de gezinsvoogdij-instelling met de voogdij over [de minderjarige] te belasten.

De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek een onderzoek ingesteld en daarvan op 17 juni 2002 een rapport uitgebracht.

De raad stelt -zakelijk weergegeven- dat [de minderjarige] in het verleden veel heeft meegemaakt en dat zij zich thans veilig en gehecht voelt in het pleeggezin. Vader heeft van meet af aan veel strijd gevoerd tegen de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige]. Naar vader toe is [de minderjarige] angstig. Zij is bang dat hij haar bij zich wil laten wonen. De raad acht -ondanks het feit dat vader momenteel zegt aan alles mee te werken en niet meer in beroep te willen gaan- het in het belang van [de minderjarige] dat er een verderstrekkende maatregel wordt uitgesproken.

De raad acht het voor de rust en evenwichtige ontwikkeling van [de minderjarige] noodzakelijk dat de vader wordt ontheven van het gezag over [de minderjarige] en dat de gezinsvoogdij-instelling met de voogdij wordt belast.

De gezinsvoogdij-instelling heeft ter zitting eveneens informatie verstrekt.

De vader heeft zich steeds tegen de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verzet en tegen die beslissingen beroep aangetekend. Omstreeks oktober 2001 heeft hij verklaard zich daarbij neer te leggen. Sinds oktober 2001 is niet gebleken dat hij probeert om [de minderjarige] over te halen om bij hem te komen wonen. Wel heeft de vader in de maand mei of juni 2002 -toen in verband met een geplande vakantie van [de minderjarige] zijn medewerking voor de afgifte van een paspoort nodig was- aanvankelijk zijn medewerking daarvoor geweigerd.

Tussen de vader en [de minderjarige] heeft ook enige tijd (onbegeleid) een omgangsregeling gelopen. Daarbij bleek dat de vader op een prettige manier met [de minderjarige] omging.

Omstreeks eind juni/begin juli 2002 is vader in verband met het overlijden van een familielid voor een kortere periode naar Egypte gegaan. Sindsdien is er geen enkel contact meer met hem geweest.