Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AF6104

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
20-03-2003
Zaaknummer
62956 / HA ZA 01-133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector civiel

Enkelvoudige handelskamer

Zaaknr/Rolnr : 62956 / HA ZA 01-133

Uitspraak : 19 februari 2003

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

1. [X],

2. [Y],

beiden wonende te [woonplaats 1],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. H. den Besten,

en

[Z],

wonende te [woonplaats 1],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. M.J.M. Groen.

Partijen worden hierna aangeduid als [XY] en [Z].

PROCESGANG

De zaak is bij op 22 januari 2001 uitgebrachte dagvaarding aanhangig gemaakt. Partijen zijn verschenen, waarna de volgende processtukken zijn gewisseld:

- een conclusie van eis van de zijde van [XY];

- een conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie met producties van de zijde van [Z];

en vervolgens nadat ingevolge tussenvonnis van 28 maart 2001 een comparitie van partijen was gehouden:

- een akte uitlating van de zijde van [XY];

- een akte uitlating na comparitie en descente van de zijde van [Z];

- een conclusie van repliek tevens vermeerdering van eis in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte deponering videoband met producties van de zijde van [XY];

- een conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie van de zijde van [Z];

- een conclusie van dupliek in reconventie van de zijde van [XY].

Vervolgens is op verzoek van partijen op het griffiedossier vonnis bepaald.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

In conventie

De vordering van [XY] in conventie, na vermeerdering van eis, strekt ertoe dat de rechtbank bij vonnis, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (i) de erfdienstbaarheid zoals omschreven in de dagvaarding opheft en [Z] gebiedt mee te werken aan de doorhaling van de erfdienstbaarheid in de akte van vestiging op straffe van een dwangsom van f 1.500,-- per dag met een maximum van f 100.000,-- voor iedere dag dat [Z] in gebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, (ii) [Z] veroordeelt drie hoge bomen van ongeveer 10 meter (wilgen) staande op 20, 30 en 40 cm van de erfafscheiding, de berberisstruiken staande tegen het hek , vier vuurdoorns staande tegen het hek, drie sparren staande op 35 cm van de erfafscheiding vanaf de straatkant, een conifeer staande op 30 cm van het hek, de kamperfoelie en de klimop die door het hek woekeren te verwijderen en het hek te verwijderen, voorzover dit op de erfafscheiding danwel op het terrein van [XY] staat en de stagen en de lijnen dusdanig vast te zetten dat deze geen geluidsoverlast meer veroorzaken, in ieder geval niet meer dan 20 decibel, onder verbeurte van een dwangsom van f 1.000,-- per dag met een maximum van f 50.000,--, met veroordeling van [Z] in de kosten van de procedure.

Daartegen is door [Z] verweer gevoerd met conclusie dat het de rechtbank behage [XY] in zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans deze hem te ontzeggen, althans deze vordering toe te wijzen met inachtneming van het gestelde in sub. 26, met veroordeling van [XY] in de kosten van dit geding, het salaris van de procureur van [Z] daaronder begrepen.

In reconventie

De vordering van [Z] in reconventie strekt ertoe dat de rechtbank [XY], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt:

a. tot verwijdering van de steiger (met toebehoren, daaronder de aan de steiger verbonden palen), staande en gelegen op het erf, althans in het water van de woning aan het adres [adres 1] te [woonplaats 1], een en ander ter linkerzijde, gerekend vanaf de oeverlijn, voor zover deze steiger langer dan 5 meter is, gerekend vanaf de oeverlijn, een en ander op straffe van een dwangsom van f 3.000,-- per dag voor iedere dag dat [XY] na betekening van het ten dezen te wijze vonnis daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van f 200.000,--;

b. tot verwijdering van het hek van de sub a. genoemde steiger, een en ander op straffe van een dwangsom van f 3.000,-- per dag voor iedere dag dat [XY] na betekening van het ten deze te wijzen vonnis daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van f 200.000,--;

c. tot verwijdering van de steigerpalen (en het tussenliggende touw), als gespecificeerd onder 30, een en ander op straffe van een dwangsom van f 3.000,-- per dag, voor iedere dag dat [XY] na betekening van het in dezen te wijzen vonnis daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van f 200.000,--;

d. in de kosten van deze procedure, het salaris van de procureur daaronder begrepen.

Daartegen is door [XY] verweer gevoerd met conclusie [Z] niet ontvankelijk te verklaren, de vordering te ontzeggen met veroordeling in de kosten van de procedure.

MOTIVERING

1. Vaststaande feiten

In conventie en in reconventie

1.1 [XY] en [Z] zijn elk eigenaar van een woning in het plan "[naam plan]" te [woonplaats 1]. Hun percelen, respectievelijk kavel 453 en 452 grenzen aan elkaar en liggen aan de kop van een landtong. Aan de achterzijde van beide percelen maakt een strook water deel uit van elk perceel.

1.2 Op deze strook water is op 5 mei 1992 over en weer een erfdienstbaarheid van vaarweg gevestigd met de volgende inhoud:

"1. Bij alle kavels behoort een strook water. (...)

3. Over en weer ten behoeve van en ten laste van de in het vorige lid bedoelde strook water en het water behorende bij de overige kavels, nummers 438 tot en met 506, wordt bij deze gevestigd de erfdienstbaarheid van vaarweg, om te komen van en te gaan naar openbaar water, op welke erfdienstbaarheid van toepassing zijn de navolgende bepalingen:

a. Het is de eigenaar van het lijdend erf toegestaan om, voor zijn rekening en risico, op het lijdend erf steigers aan te leggen, casu quo vaartuigen aan te leggen in een strook water:

1. voor wat betreft de kavels 438 tot en met 455 en 487 tot en met 506 ter breedte van maximaal vijf (5) meter gerekend vanuit de (standaard) oeverlijn, en (...)".

1.3 In de strook water aan de achterzijde van het perceel van [Z] bevindt zich evenwijdig aan de oeverlijn een steiger. Aan de linkerzijde van het perceel gezien vanaf de oever steekt een golfbreker het water in. Over een lengte van ongeveer 7 meter op ongeveer 10 meter vanuit de oeverlijn bevindt zich evenwijdig aan de oeverlijn een tweede golfbreker.

1.4 In de strook water aan de achterzijde van het perceel van [XY] steekt aan de linker zijde bezien vanaf de oever een steiger van 7 meter lengte het water in. In het verlengde van de steiger zijn twee steigerpalen in het water aangebracht, die het mogelijk maken de steiger tot 12 meter te verlengen. In het midden van de strook water is ongeveer 10,5 meter vanuit de oeverlijn een meerpaal geplaatst. Tussen de palen zijn touwen gespannen. Op de steiger is een schutting aangebracht die 130 cm boven de waterspiegel en 80 cm boven het loopvlak van de steiger uitkomt. Dit loopvlak is gelijk aan het loopvlak van het uitgebouwde terras over het water bij [Z].

1.5 Tussen beide percelen heeft [Z] een hek geplaatst. Aan weerszijden van het hek hebben [XY] respectievelijk [Z] bomen en struiken aangeplant.

2. Standpunten van partijen

In conventie en in reconventie

[XY]

2.1 [XY] stelt dat [Z] geen redelijk belang heeft bij de erfdienstbaarheid op de strook water achter zijn perceel, nu hij het open water ook via een andere vaarweg kan bereiken. Voorts stelt [XY] dat [Z] de strook water achter zijn perceel zodanig heeft ingericht en zijn boot zodanig afmeert dat [XY] nog maar één mogelijkheid rest een steiger aan te leggen waar hij zijn boot veilig kan afmeren, maar dat de gevestigde erfdienstbaarheid daaraan in de weg staat. Er is dan ook sprake van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van hem niet kan worden gevergd. Uit dien hoofde vordert [XY] opheffing van de erfdienstbaarheid. Emmerik c.s. stelt voorts dat een aantal bomen, struiken, heesters en coniferen op het perceel van [Z] op 40 cm of minder van de erfafscheiding c.q. het hek staan. Deze dienen te worden verwijderd. Het hek dat [Z] heeft geplaatst dient, voorzover dit op de het perceel van [XY] danwel op de erfafscheiding staat, eveneens te worden verwijderd. Tenslotte ondervinden [XY] geluidshinder van klapperende stagen/lijnen van de zeilboot van [Z] en vordert hij ter zake een gebod dat [Z] deze lijnen goed vastzet.

[Z]

2.2 [Z] stelt primair dat [XY] geen belang heeft bij zijn vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid en doorhaling in de openbare registers, nu de echtgenote van [Z] niet mede in de procedure is betrokken. [Z] bestrijdt dat hij geen redelijk belang zou hebben bij de erfdienstbaarheid. In het vaarseizoen bij het uitvaren en afmeren van zijn zeilboot maakt [Z] regelmatig gebruik van de erfdienstbaarheid (via de noordoostelijke aanvaarroute). Dat is bij een bepaalde windrichting en/of windkracht en in het geval er meerdere boten afgemeerd liggen ook noodzakelijk. Ook indien [Z] in de toekomst zou besluiten een grotere boot aan te schaffen, is deze vaarroute noodzakelijk. De keuzes die [Z] heeft gemaakt bij de inrichting van zijn perceel kunnen niet tot het oordeel leiden dat [Z] geen redelijk belang heeft bij de erfdienstbaarheid van vaarweg. [Z] bestrijdt eveneens de aanwezigheid van onvoorziene omstandigheden op grond waarvan ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid van [XY] niet gevergd zou kunnen worden. [XY] kan zijn boot net als [Z] aan een steiger evenwijdig aan de oeverlijn aanleggen. De erfdienstbaarheid wordt tenietgedaan, althans ernstig belemmerd doordat [XY] in strijd met de erfdienstbaarheid aan de linkerzijde van zijn perceel gezien vanaf de oever een steiger van 7 meter lengte heeft aangelegd en in het verlengde daarvan twee steigerpalen heeft geplaatst, waartussen touwen zijn gehangen en in het midden van de strook water ongeveer 10,5 meter vanuit de oeverlijn een meerpaal heeft geplaatst. Op de steiger aan de zijde van het perceel van [Z] is in strijd met de erfdienstbaarheid een hek geplaatst, waardoor zijn uitzicht ernstig wordt belemmerd. Uit dien hoofde vordert [Z] gedeeltelijke verwijdering van de steiger, verwijdering van het hek op de steiger en verwijdering van de steigerpalen en de

daar tussen hangende touwen en de meerpaal. Tenslotte stelt [Z] dat op het perceel van [XY] tegen de erfafscheiding, binnen 50 cm van de grenslijn bomen en/of struiken, waaronder coniferen, zijn geplaatst, zonder dat hij daar toestemming voor heeft gegeven. [Z] vordert verwijdering van deze bomen en struiken.

3. Beoordeling van het geschil

In conventie

Belang

3.1 De rechtbank zal eerst ingaan op het verweer van [Z] dat [XY] geen belang heeft bij zijn vordering. De rechtbank volgt [Z] hierin niet. Daargelaten of een veroordeling van [Z] nimmer het voor [XY] gewenste effect kan hebben, ontneemt het feit dat de echtgenote van [Z] niet in de procedure is betrokken immers noch het materieel, noch het processueel belang in de zin van artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek aan de vordering van [XY] tegen [Z]. Dat een eventuele executoriale titel jegens [Z] niet tegen zijn echtgenote ten uitvoer kan worden gelegd doet niet af aan het belang van de vordering van [XY] jegens [Z].

Erfdienstbaarheid

3.2 [XY] baseert zijn vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid op twee grondslagen. De rechtbank zal eerst ingaan op de primaire grondslag. Daartoe stelt [XY] dat [Z] bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid geen redelijk belang heeft, omdat hij het open water c.q. zijn steiger ook via een andere vaarroute kan bereiken, en dus geen gebruik hoeft te maken van de erfdienstbaarheid. Via deze andere route kan [Z] eenvoudig zijn boot op de motor afmeren. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft [XY] een video-opname ter griffie gedeponeerd, waarop te zien is dat [Z] bij nagenoeg windstil weer zijn boot via deze route aan zijn steiger afmeert. [Z] erkent dat hij zijn steiger via deze andere vaarroute kan bereiken, maar heeft uitgebreid en gemotiveerd bestreden dat hij daarom geen redelijk belang zou hebben bij de erfdienstbaarheid. Afhankelijk van de windrichting en de windkracht is het geboden gebruik te maken van de erfdienstbaarheid teneinde zijn steiger te bereiken. Ook indien meerdere boten aan de steiger moeten worden afgemeerd is dit geboden. Mocht [Z] in de toekomst met een grotere boot gaan varen, dan zal hij ook gebruik moeten maken van de erfdienstbaarheid teneinde aan zijn steiger af te kunnen meren. Dit verweer komt de rechtbank aannemelijk voor. [XY] is met geen woord inhoudelijk ingegaan op dit verweer. Gelet daarop heeft [XY] niet voldaan aan de op hem rustende stelplicht, zodat thans voor het bewijs van zijn stelling geen ruimte is. Waar [XY] betoogt dat [Z] geen redelijk belang heeft bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid, omdat eventuele hinder bij het uitvaren en afmeren te wijten is aan de wijze waarop [Z] zijn steiger en golfbrekers heeft aangelegd, volgt de rechtbank [XY] niet. Daargelaten of enige beperking bij het uitvaren en/of afmeren het gevolg is van de wijze waarop de steiger en de twee golfbrekers zijn aangelegd, ontneemt dit immers niet het redelijk belang dat [Z] heeft bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Op deze grondslag kan de vordering derhalve niet slagen.

3.3 Subsidiair baseert [XY] zijn vordering op onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van hem kan worden gevergd. Ter onderbouwing daarvan voert [XY] aan dat toen hij de woning kocht het de bedoeling was om te zijner tijd een boot bij zijn woning af te meren, maar dat dit door de handelswijze van [Z] onmogelijk is geworden. Daarmee, zo begrijpt de rechtbank, doelt [XY] op de wijze waarop [Z] in de strook water aan de achterzijde van zijn perceel, in strijd met de erfdienstbaarheid die op deze strook water rust, een steiger en twee golfbrekers heeft aangelegd, en de wijze waarop hij zijn boot afmeert. Als gevolg daarvan kan [XY], teneinde zijn boot veilig af te meren, enkel in strijd met de erfdienstbaarheid aan de achterkant van zijn perceel een steiger aanleggen, waaraan hij zijn boot veilig kan afmeren. Daargelaten of deze stelling juist is, kan de vordering van [XY] tot opheffing van de erfdienstbaarheid ook op deze grondslag niet slagen, nu, naar het oordeel van de rechtbank, de gedragingen die [Z] worden verweten naar hun aard niet als onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 5:78 van het Burgerlijk Wetboek die opheffing van de erfdienstbaarheid rechtvaardigen kunnen worden beschouwd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het oogpunt van de stabiliteit van de rechtsverhoudingen die voorvloeien uit de over en weer bestaande erfdienstbaarheden op de strook water achter de percelen van [XY] en [Z], terughoudendheid past bij een wijziging in die verhoudingen, terwijl [XY] minder vergaande vorderingen ten dienste staan, in het geval de aan [Z] verweten gedragingen onrechtmatig mochten zijn. Op deze grondslag slaagt de vordering van [XY] derhalve evenmin.

De verwijdering van bomen, struiken en een hek

3.4 [XY] stelt dat drie wilgen, berberisstruiken, vier vuurdoorns, drie sparren, drie meter heesters van 2 meter hoog, een conifeer, een kamperfoelie en een klimop op het perceel van [Z], in strijd met de wettelijke bepalingen binnen 2 meter respectievelijk 0,5 meter van de erfgrens staan en vordert deswege verwijdering van deze bomen en struiken. [Z] heeft dit niet bestreden, maar stelt dat [XY] daarover eerst in de onderhavige procedure klaagt en dat hij deze

bomen en struiken inmiddels heeft verwijderd. [XY] stelt daartegenover dat de stammen van de bomen en de wortels nog aanwezig zijn en weer tot bomen uit kunnen groeien. Daaruit leidt de rechtbank af dat [Z] de bomen in elk geval zodanig heeft ingekort c.q. afgezaagd dat de onrechtmatige toestand daarmee is komen te ontvallen. Die zou kunnen herleven indien de stammen weer tot bomen uitgroeien, maar dat is kennelijk nog niet het geval, zodat [XY] bij zijn vordering tot verwijdering van de bomen thans geen belang meer heeft. Voorts stelt [XY] dat de vuurdoorns, de kamperfoelie en de klimop niet zijn verwijderd en door het hek woekeren, terwijl de overige struiken slechts zouden zijn gesnoeid. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende. [XY] heeft als motief voor zijn vordering aangevoerd dat hij niet kon achterblijven bij [Z], die de reconventionele vordering tot verwijdering van bomen en planten naar zijn overtuiging heeft ingesteld als tegenzet in onderhandelingen, dat hij dit nimmer heeft gewild en dat verwijdering van bomen en planten over en weer tot een kaalslag zal leiden. Gesteld noch gebleken is ook dat [XY] hinder ondervindt van de beplanting. Op de foto's die [XY] heeft overgelegd (productie 5e) is

zichtbaar dat aan weerszijden van het hek bomen en struiken zijn geplant, zodanig dat een ogenschijnlijk dichte haag tussen beide percelen is ontstaan en het zicht op het hek aan weerszijden goeddeels is verdwenen. Gelet hierop is het belang van [XY] bij verwijdering van de vuurdoorns, de kamperfoelie, de klimop en de overige struiken naar het oordeel van de rechtbank niet evenredig aan het belang dat door de aanwezigheid daarvan wordt geschaad, zodat de vordering tot verwijdering ter zake dient te worden afgewezen.

3.5 [XY] stelt dat het hek dat zijn perceel scheidt van dat van [Z], door [Z] én gedeeltelijk op zijn perceel én gedeeltelijk op de erfafscheiding is geplaatst. [Z] bestrijdt dat het hek over de erfafscheiding staat, en stelt dat gedwongen verwijdering in strijd zou zijn met het bepaalde in de artikelen

5: 48 en 5: 49 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank kan dat verweer niet volgen. Het recht om een erf af te sluiten legitimeert [Z] immers niet om een erfafscheiding in strijd met andere wettelijke bepalingen van het burenrecht te plaatsen, terwijl [Z] niet heeft bestreden dat het hek doorzichtig is en het in beginsel dan ook niet is te beschouwen als een muur in de zin van artikel 5:49 van het Burgerlijk Wetboek. Waar het hek is geplaatst op de erfafscheiding zou dit derhalve dienen te worden verplaatst dan wel te worden verwijderd. Zoals de rechtbank in 3.3 heeft overwogen, zijn aan weerszijden van het hek bomen en struiken geplant, zodanig dat er ogenschijnlijk een dichte haag tussen beide percelen is ontstaan, waardoor het zicht op het hek aan beide zijden goeddeels is verdwenen. Daarmee wijkt de feitelijke situatie nauwelijks af van die waarin op de erfafscheiding een ondoorzichtige en daarmee toelaatbare afsluiting zou zijn geplaatst. Een belang bij verwijdering van het hek, voorzover dat op de erfafscheiding is geplaatst ontbreekt dan ook. Dat het hek deels op het perceel van [XY] zou zijn geplaatst heeft [Z] bestreden. Hoewel daartoe uitgenodigd door [Z] heeft [XY] geen kadastrale gegevens in het geding gebracht die zijn stelling ondersteunen. Bovendien stelt [XY] noch welk deel van het hek op zijn terrein is geplaatst, noch in welke mate dat is gebeurd. [XY] beperkt zich enkel tot de stelling dat het hek gedeeltelijk op zijn perceel is geplaatst en voldoet daarmee onvoldoende aan de op hem rustende stelplicht. Er is dan ook geen ruimte om [XY] tot bewijslevering van zijn stelling toe te laten. De beoordeling of het hek al dan niet voldoet aan de eisen van de plaatselijke verordening

-welke daarmee ook bedoeld moge zijn- behoort niet tot de competentie van de burgerlijke rechter. De vordering tot verwijdering van het hek dient dan ook integraal te worden afgewezen.

3.6 De vordering van [XY] tot een gebod aan [Z] tot het goed vastzetten en vastgezet houden van de stagen/ lijnen van zijn boot (bedoeld zal inderdaad zijn de vallen van de zeilen), kan evenmin slagen. [XY] heeft niet voldoende gesteld om deze vordering te kunnen dragen. [XY] stelt dat er vele meldingen zijn bij de politie en dat de politie vele malen is geweest, dat er geluidsmetingen zijn gedaan en video-opnamen bestaan waaruit blijkt dat er geen

voorzieningen zijn getroffen om de geluidsoverlast te voorkomen. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [XY] als productie 7 één brief overgelegd van de politie Flevoland, waaruit blijkt dat Van Emmerik c.s heeft geklaagd over overlast van klapperende vallen. Deze brief dateert van 17 november 1998. Enige concrete

onderbouwing van de gestelde overlast nadien, in welke periode en op welke

tijdstippen deze zich zou hebben voorgedaan, ontbreekt. Ook met betrekking tot de

geluidsmetingen en de meetresultaten ontbreekt enige concrete onderbouwing. De video-opname, die [XY] ter griffie heeft gedeponeerd, bevat weliswaar beeld en geluid van klapperende vallen, maar het gaat hier om een momentopname, naar de rechtbank uit de beelden afleid, bij zeer krachtige wind, zonder dat overigens duidelijk is van wanneer de opname is. In zijn verplichting om voldoende en gemotiveerd feiten te stellen waaruit aannemelijk wordt dat het klapperen van de vallen van de boot van [Z] structureel overlast veroorzaakt schiet Van

Emmerik c.s. dan ook tekort, zodat de vordering dient te worden afgewezen.

In reconventie

De verwijdering van bomen, struiken en de schutting

3.7 [Z] stelt dat het hek (bedoeld zal zijn de schutting) dat is geplaatst op de steiger aan de linkerzijde van het perceel van [XY] gezien vanaf de oever, zijn uitzicht ernstig belemmert, hetgeen onrechtmatig is. [XY] heeft gemotiveerd bestreden dat [Z] hinder van de schutting ondervindt, die 80 cm boven het loopvlak van de steiger uitsteekt. Beide partijen hebben foto's overgelegd waarop de schutting vanuit verschillend perspectief wordt afgebeeld. Daaruit leidt de rechtbank af dat, de hoogte en de lengte van de schutting mede in aanmerking genomen, het uitzicht vanaf het perceel van [Z] niet zodanig wordt belemmerd dat hij daarvan hinder ondervindt. Van onrechtmatige hinder is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De vordering van [Z] tot verwijdering van de schutting zal dientengevolge worden afgewezen.

3.8 [Z] stelt dat [XY] over een lengte van circa 35 meter tegen de erfgrens bomen en/of struiken en daaronder coniferen binnen 50 cm van de grenslijn heeft geplaatst, zonder dat [Z] daar toestemming voor heeft verleend en dat de beplanting op verschillende plaatsen hoger is dan 2,5 meter. [XY] heeft dat niet bestreden. [Z] heeft evenwel nooit eerder geklaagd over de aanwezigheid van deze beplanting. [XY] ziet de vordering als een tegenzet in de onderhandelingen, en verwijdering van de beplanting aan weerszijden van de erfgrens zal leiden tot een kaalslag, waarmee geen van partijen is gediend. [Z] bestrijdt dit niet, maar stelt dat hij bij verwijdering van de coniferen een wettelijk erkend belang heeft, zonder overigens aan te geven welk ander belang met verwijdering is gediend. Daarmee miskent [Z] dat hij niet zonder meer gebruik kan maken van aan hem in het burenrecht toegekende bevoegdheden. Ook voor [Z] geldt dat hij niet heeft gesteld en dat evenmin is gebleken dat hij ook maar enige hinder ondervindt van de beplanting. Zoals hiervoor in 3.4 is overwogen is op foto's die [XY] heeft

overgelegd (productie 5e) zichtbaar dat aan weerszijden van het hek bomen en struiken zijn geplant, zodanig dat een ogenschijnlijk dichte haag tussen beide percelen is ontstaan. Dat heeft [Z] niet bestreden. Gelet hierop is ook het belang van [Z] bij verwijdering van de bomen, struiken en coniferen naar het oordeel van de rechtbank niet evenredig aan het belang dat door de aanwezigheid daarvan wordt geschaad, zodat de vordering tot verwijdering dient te worden afgewezen.

De verwijdering van de steiger, de steigerpalen en de meerpaal

3.9 [Z] stelt dat de steiger van [XY] aan de linkerzijde van zijn perceel gezien vanuit de oever en in het verlengde daarvan de steigerpalen, en een meerpaal, in strijd met de geldende erfdienstbaarheid zijn geplaatst, en dat de vaarweg via deze route voor hem tengevolge daarvan wezenlijk wordt belemmerd. [XY] bestrijdt niet dat de steiger gedeeltelijk, en de steigerpalen en de meerpaal geheel, in strijd met de erfdienstbaarheid zijn geplaatst, en evenmin dat de vaarweg via deze route wezenlijk wordt belemmerd, maar stelt dat [Z] geen enkel belang heeft bij verwijdering daarvan, nu hij gebruik kan maken van een andere vaarroute. Dat verweer slaagt echter niet. [Z] heeft immers, zoals de rechtbank in 3.2 heeft overwogen, een redelijk belang bij de vaarweg over de strook water achter het perceel van [XY] en daarmee bij de erfdienstbaarheid.

De rechtbank kan [Z] echter niet volgens in zijn stelling dat de steiger van 7 meter lengte, ook al zou deze gedeeltelijk in strijd met de erfdienstbaarheid zijn aangelegd, hem wezenlijk belemmert in zijn vaarweg. Uit de door [Z] als productie 2 overgelegde situatietekening en de als productie 6 overgelegde foto's leidt de rechtbank af dat de steiger van [XY] weliswaar verder uitsteekt dan de steiger van [Z], hetgeen de vaarweg van [Z] enigszins belemmert, maar dat die belemmering niet zodanig is dat dit verwijdering van -een deel van- de steiger rechtvaardigt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vaarweg van [Z] mogelijk in een zelfde mate belemmerd zal worden indien [XY] besluiten om hun boot op dezelfde wijze af te meren als [Z] thans doet. De boot van [Z] steekt daarbij verder uit dan de steiger van [XY] De vordering van [Z] tot verwijderring van de steiger voorzover deze langer is dan 5 meter dient derhalve te worden afgewezen.

Ook de meerpaal is naar het oordeel niet zodanig geplaatst dat de vaarweg van [Z] daardoor wezenlijk wordt belemmerd. Dit ligt anders met betrekking tot de twee steigerpalen die in het verlengde van de steiger zijn geplaatst. Uit de situatietekening en de foto's leidt de rechtbank af dat de twee steigerpalen in het verlengde van de steiger van [XY] de vaarweg van [Z] naar zijn steiger wel wezenlijk belemmeren. Dit wordt door [XY] ook niet bestreden. De vordering van [Z] tot verwijdering van deze twee steigerpalen en daarmee de daartussen hangende touwen, is derhalve toewijsbaar. De rechtbank zal er rekening mee houden dat [XY] enige tijd nodig zal hebben om de steigerpalen te -doen- verwijderen, terwijl de noodzaak tot verwijdering niet onmiddellijk aanwezig is. Het vaarseizoen laat immers nog enige maanden op zich wachten, terwijl [Z] via een andere vaarweg kan uitvaren en afmeren. De rechtbank ziet eveneens termen om de gevorderde dwangsom te matigen en te maximeren.

3.10 Overigens, maar zulks ten overvloede, merkt de rechtbank op dat [Z] zich dient te realiseren dat de wijze waarop de steiger en de golfbekers in de strook water achter zijn perceel zijn gesitueerd, een belemmering van de vaarweg van [XY] kunnen vormen. Partijen zouden er verstandig aan doen om in gezamenlijk overleg met een deskundige, zoals dat tijdens de comparitie van partijen is besproken, na te gaan op welke wijze zij de strook water achter hun percelen zodanig kunnen inrichten dat er voor beide percelen voldoende bescherming is tegen golfslag, en voor beide percelen de mogelijkheid tot uitvaren en afmeren eveneens voldoende gewaarborgd is.

3.11 Het voorgaande leidt tot de slotsom:

In conventie

De vorderingen van [XY] dienen te worden afgewezen, met veroordeling van [XY] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure.

In reconventie

De vordering van [Z] tot verwijdering door [XY] van twee steigerpalen, die zijn geplaatst in de strook water achter het perceel van [XY] in het verlengde van de steiger aan de linkerzijde van het perceel Van [XY] gezien vanuit de oever, dient te worden toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt als in het dictum gematigd en gemaximeerd. [XY] zal als de gedeeltelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

Hetgeen meer of anders is gevorderd zal worden afgewezen.

BESLISSING

In conventie

1. De rechtbank wijst de vorderingen af.

2. [XY] wordt veroordeeld in de kosten van dit geding. Deze kosten worden, voorzover tot op heden aan de zijde van [Z] gevallen, bepaald op € 1.741,51.

In reconventie

1. De rechtbank veroordeelt [XY] tot verwijdering van de twee steigerpalen die zijn geplaatst in de strook water achter het perceel van [XY] in het verlengde van de steiger aan de linkerzijde van het perceel van [XY] gezien vanuit de oever, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag voor iedere dag dat [XY] na drie maanden na betekening van dit vonnis daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,--.

2. [XY] wordt veroordeeld in de kosten van dit geding. Deze kosten worden, voorzover tot op heden aan de zijde van [Z] gevallen, bepaald op € 780,--.

3. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

4. Hetgeen meer of anders is gevorderd wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen en in het openbaar uitgesproken door mr. W.N. Everts op woensdag 19 februari 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.