Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AF5303

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
74809 HA ZA 02-342
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector civiel

Enkelvoudige handelskamer

Zaaknr/rolnr: 74809 / HA ZA 02-342

Uitspraak: 5 februari 2003

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

[eiseres],

wonende te [plaats 1],

eiseres,

procureur mr. W.F.A. Zwart-Peters,

en

[gedaagde],

wonende te [plaats 2], [land 1],

gedaagde,

procureur mr. J. Vlug,

PROCESGANG

De zaak is bij op 20 februari 2002 uitgebrachte dagvaarding aanhangig gemaakt. Partijen zijn verschenen, waarna de volgende processtukken zijn gewisseld:

- een conclusie van eis van de zijde van eiseres;

- een conclusie van antwoord van de zijde van gedaagde

en vervolgens, nadat ingevolge tussenvonnis van 31 juli 2002 een comparitie van partijen was gehouden:

- een akte houdende overlegging produkties van de zijde van eiseres;

- een antwoordakte van de zijde van gedaagde.

Ten slotte is op verzoek van partijen op het griffiedossier vonnis bepaald.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

De vordering van eiseres strekt ertoe dat de rechtbank bij vonnis, mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I de verdeling van het door gedaagde als rechthebbende bij RVS Levensverzekering N.V. opgebouwde ouderdomspensioen met polisnummer 3216051 aldus vast zal stellen dat dit pensioen aan gedaagde wordt toedebeeld en aan eiseres een vordering wegens overbedeling op gedaagde wordt toegedeeld ter grootte van de helft van de afkoopwaarde ofwel € 8.194,59 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 1988 tot aan de dag der algehele voldoening;

II gedaagde zal veroordelen ten behoeve van eiseres te betalen op de rekening met nr. 66.26.98.401 t.n.v. Stichting Gelden Derden De Jonge Peters Remmelink, o.v.v. Bourgondiën/pensioenen 549042700, een bedrag van € 8.194,59 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 1988 tot aan de dag der algehele voldoening;

III gedaagde zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

Daartegen is door gedaagde verweer gevoerd met conclusie eiseres in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren, althans haar die te ontzeggen, met veroordeling van eiseres in de kosten van het geding.

MOTIVERING

Vaststaande feiten

Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest. Bij vonnis van de rechtbank te Utrecht van 6 oktober is 1982 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Dit vonnis werd op 26 november 1982 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Krachtens een door partijen ondertekend echtscheidingsconvenant heeft de boedelscheiding eveneens op 26 november 1982 plaatsgevonden.

Vorenbedoeld convenant bevat een regeling op het punt van kinder- en partneralimenatie en ouderlijk gezag en voorts regelingen met betrekking tot de verdeling van de echtelijke woning, de door de man gedreven vennootschap, de tot de gemeenschap behorende personenauto's en overige roerende zaken en tenslotte een regeling met betrekking tot bepaalde door eiseres te maken medische kosten alsmede met betrekking tot uitgaven ten behoeve van de hond van partijen.

De slotparagraaf van het convenant luidt als volgt:

"Partijen verklaren dat aldus de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen naar wederzijds genoegen is gescheiden en gedeeld en dat zij met inachtneming van het bovenstaande niets van elkaar te vorderen hebben en elkaar over en weer volledig kwijting en décharge verlenen."

Op 1 februari 1988 heeft gedaagde een levensverzekeringspolis afgekocht, welke (in ieder geval gedeeltelijk) tijdens het huwelijk werd opgebouwd. De afkoopwaarde bedroeg fl. 36.117,-- (thans € 16.389,18).

Standpunt eiseres

De (afkoopwaarde van de) betreffende polis dient nog te worden gescheiden en gedeeld.

Deze pensioenpolis is bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant niet aan de orde geweest en maakt daar dientengevolge ook geen deel van uit. Gedaagde heeft het bestaan van de polis indertijd bewust verzwegen.

Het is niet meer dan redelijk dat eiseres in de waarde van deze polis meedeelt; het is beslist niet zo dat gedaagde bij de scheiding en deling is onderbedeeld en dat eiseres veel schulden bespaard zijn gebleven.

Eiseres maakt voorts aanspraak op vergoeding van de rente die zij, indien het bedrag haar tijdig zou zijn uitgekeerd, zou hebben ontvangen.

Standpunt gedaagde

Het echtscheidingsconvenant c.q. de daarin opgenomen finale kwijting, omvat wel degelijk ook de betreffende pensioenpolis. Van verzwijging aan de kant van gedaagde is geen sprake; de pensioenvoorziening is in de onderhandelingen die aan het convenant vooraf gingen aan de orde gekomen. De waarde van de polis werd overigens deels buiten de huwelijkse periode opgebouwd.

Voor zover ervan uit zou moeten worden gegaan dat er tussen partijen op dit punt ook na sluiting van het convenant nog een gemeenschap heeft bestaan, is deze met het afkopen van de polis in 1988 ten einde gekomen. De vordering van eiseres strekt tot betaling van een geldsom en is mitsdien verjaard.

In ieder geval handelt eiseres in strijd met de goede trouw door nu, bijna twintig jaar later, nog een betaling te verlangen: eiseres werd bij de scheiding en deling van de tussen partijen bestaande gemeenschap in ruime mate overbedeeld, doordat gedaagde alle gemeenschapsschulden op zich nam.

Tenslotte is van belang dat het afkoopbedrag van de polis is aangewend om een huwelijkse schuld af te lossen, zodat een eventuele vordering van eiseres door verrekening teniet is gegaan.

Voor vergoeding van rente is geen plaats, aangezien er geen sprake is van verzuim.

Beoordeling van het geschil

Gelet op de wijze waarop eiseres haar vordering heeft ingericht betreft het hier in de eerste plaats een vordering tot scheiding en deling van (een onderdeel van) een gemeenschap en niet louter een vordering tot betaling van een geldsom. Een dergelijke vordering is, gelet op art. 3: 178 juncto 3:189, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, niet aan verjaring onderhevig.

De in het tussen partijen geldende convenant opgenomen finale kwijting strekt zich naar het oordeel van de rechtbank mede uit over de litigieuze polis.

Uit de opzet en het karakter van het - kennelijk met rechtskundige bijstand opgestelde - convenant leidt de rechtbank af dat partijen met een eenvoudige regeling hebben willen volstaan. Door niet voor een uitputtende beschrijving van alle boedelbestanddelen te kiezen hebben partijen bewust de mogelijkheid voor lief genomen, dat bepaalde zaken buiten de regeling zouden blijven; terzake daarvan hebben zij elkaar over en weer kwijting verleend. Blijkens de in het kader van de aan het convenant voorafgaande onderhandelingen gevoerde correspondentie waren beide partijen er ook van op de hoogte dat de boedel meer bestanddelen omvatte dan de in het convenant benoemde.

Voorts blijkt uit diezelfde correspondentie dat gedaagde, zoals hij ook heeft gesteld, de niet onaanzienlijke huwelijkse schulden voor zijn rekening heeft genomen, hetgeen eveneens een aanwijzing is voor het feit dat eiseres indertijd bewust van haar aanspraken op baten als de onderhavige heeft afgezien.

Reeds op het voorgaande stuit eiseres' vordering af; de overige door gedaagde opgeworpen weren behoeven mitsdien geen bespreking.

De rechtbank zal de vordering afwijzen.

Eiseres wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, verwezen in de kosten van het geding.

BESLISSING

De rechtbank wijst de vordering af.

Eiseres wordt veroordeeld in de kosten van dit geding. Deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van gedaagde gevallen, bepaald op € 892,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken op woensdag 5 februari 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.