Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AF4987

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
26-02-2003
Zaaknummer
185009 cv 02-6847
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E

sector kanton - locatie Lelystad

Zaaknr.: 185009 CV 02-6847

datum : 19 februari 2003

Vonnis in de zaak van:

Eiseres,

wonende te Lelystad,

eisende partij,

gemachtigde Utrechtse Juristen Groep te Utrecht,

tegen

de vennootschap onder firma Gedaagde

gevestigd te Lelystad,

en haar vennoten

Vennoot 1 en

Vennoot 2,

beiden wonende te Lelystad,

gedaagde partijen, nader te noemen: "[gedaagde]",

verschenen bij respectievelijk procederend in persoon.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding van 11 oktober 2002

- het antwoord van [gedaagde]

- de nadere toelichting van partijen.

Het geschil

De vordering van [eiseres] strekt er - na vermindering van eis - toe dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] hoofdelijk, zo dat wanneer de één heeft betaald, de ander zal zijn gekweten, om aan [eiseres] te betalen:

A. een bedrag van € 170,68 netto ter zake van achterstallig loon;

B. een bedrag van € 283,47 bruto ter zake van niet genoten extra vakantiedagen;

D. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50% over de sub A en B vermelde posten;

E. een bedrag van € 136,13 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

F. de wettelijke rente over alle voornoemde gevorderde bedragen vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd;

alsmede de kosten van het geding.

[gedaagde] hebben de vorderingen van [eiseres] bestreden en de afwijzing daarvan bepleit.

Vaststaande feiten

1.

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. [eiseres] is in de periode van 10 april 2000 tot 10 augustus 2001 bij [gedaagde] in dienst geweest als leidinggevende prikruimte en expeditie. Haar laatst verdiende salaris bedraagt per 4 weken € 1.457,53 bruto exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. Op de arbeidsover-eenkomst is toepasselijk de CAO voor het vleesverwerkende bedrijf.

b. Door teloorgaan van het bedrijfspand van [gedaagde] is bedrijfsvoering per 1 mei 2001 (tijdelijk) verplaatst van Lelystad naar Zoeterwoude. In verband met de reistijd hebben [gedaagde] aan al haar medewerkers een vergoeding toegekend van fl. 13,75 per dag voor compensatie aan reistijd, onder bepaling dat deze vergoeding niet zal worden uitgekeerd bij vakantie en ziekte. [gedaagde] hebben voorts ter compensatie van de reistijd aan al haar medewerkers per persoon op jaarbasis 14 dagen extra vakantie toegekend.

c. Vanaf periode 6 van het jaar 2001 hebben [gedaagde] voorschotten aan [eiseres] betaald. [gedaagde] hebben over de periodes 6 tot en met 8 een bedrag van fl. 8.118,-- netto betaald.

d. [gedaagde] hebben met de specificatie over periode 8 aan [eiseres] een eindafrekening gezonden. Op de specificatie over periode 6 staat een nettobedrag van fl. 2.353,85 vermeld. Op de specificatie over periode 7 staat een nettobedrag van fl. 3.079,85 (inclusief fl. 726,-- aan reisurenvergoeding) vermeld. Op de specificatie over periode 8 annex eindafrekening staat een nettobedrag van fl. 2.353,85 aan loon en nettobedrag van fl. 706,59 aan vakantiebijslag en vergoeding van niet-opgenomen vakantiedagen vermeld, onder aftrek van een nettobedrag van

fl. 900,-- aan "reiskosten woon/werk". De specificatie sluit op een nettobedrag van fl. 2.160,44.

Standpunten van partijen

2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij over de weken 21 tot en met 32 aan loon, vakantiebijslag en vakantiedagen aanspraak had op uitbetaling van een bedrag van fl. 8.494,14 netto terwijl [gedaagde] slechts een bedrag van fl. 8.118,- netto hebben betaald. Er resteert nog een nettobedrag van fl. 376,14. Zij heeft voorts pro rato aanspraak op vergoeding van de extra toegekende vakantiedagen die, gelet op de reisperiode van 1 mei tot 10 augustus 2001, op 3,89 dagen dient te worden gesteld. Ten onrechte weigeren [gedaagde] uitbetaling van die dagen omdat geen voorwaarde was dat men dan minimaal één jaar in dienst moest blijven. Hetzelfde geldt voor inhouding van eerder betaalde reistijdvergoeding van fl. 900,-- netto. [gedaagde] zijn derhalve tevens de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten verschuldigd aldus [eiseres].

3.

[gedaagde] voeren ten verwere aan dat zij meer aan [eiseres] hebben betaald dan waartoe zij gehouden waren. Zij waren over de weken 21 tot en met 32 aan loon, vakantiebijslag en vakantiedagen een bedrag van fl. 7.418,14 verschuldigd, daar waar zij een bedrag van fl. 8.118,- hebben betaald, zodat zij een bedrag van fl. 700,- teveel hebben betaald. [eiseres] heeft geen aanspraak op uitbetaling van extra vakantiedagen aangezien zij niet minimaal een jaar in dienst is gebleven, zoals als voorwaarde was gesteld bij toekenning daarvan als extra voor de reistijd van Lelystad naar Zoeterwoude. [eiseres] heeft daardoor ook geen recht op de reistijdvergoeding van fl. 13,75 per dag. Zij zijn dan ook geen wettelijke rente, wettelijke verhoging of incassokosten verschuldigd, aldus [gedaagde]

De beoordeling

4.

Tussen partijen is in geschil of aan de toezegging van [gedaagde] om, in verband met de dagelijkse extra reistijd van Lelystad naar Zoeterwoude en vice versa, per dag een vergoeding van fl. 13,75 te betalen en op jaarbasis 14 extra vakantiedagen toe te kennen, de voorwaarde was verbonden dat de betrokken werknemer dan minimaal één jaar in dienst moest blijven, zoals [gedaagde] stellen en [eiseres] bestrijdt.

5.

Voorop zij gesteld dat uit de stellingen van partijen moet worden afgeleid dat bedoelde reistijd als extra geldt nu deze tijd naast de bedongen arbeidsduur van 38 uur per week, verdeeld over 5 dagen per week, moest worden besteed.

6.

Het antwoord op de onder r.o. 4. weergegeven vraag kan evenwel in het midden worden gelaten.

Immers, zelfs indien [eiseres] in de door [gedaagde] gestelde voorwaarde heeft toegestemd, zoals [gedaagde] aanvoeren, komt het inroepen van deze voorwaarde in de gegeven omstandigheden in strijd met hun verplichting om zich als een goed werkgever te gedragen.

[gedaagde] konden immers slechts van hun werknemers vergen dat zij een extra inspanning zouden verrichten indien zij daarvoor op hun beurt een redelijke compensatie tegenover zouden stellen. [eiseres] had in dit geval geen keuze om de van haar verlangde extra inspanning te verrichten nu haar (bedongen) plek van tewerkstelling door brand teloor was gegaan en vervolgens door [gedaagde] (tijdelijk) was verplaatst van Lelystad naar Zoeterwoude. Wat daar verder ook van zij, dit teloorgaan en de daaruit voortvloeiende (tijdelijke) verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten is een omstandigheid die voor rekening en risico van [gedaagde] als werkgever komt. Het maken van extra reistijd was derhalve voor [eiseres] een nadere, onvoor-ziene voorwaarde om haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst te kunnen nakomen.

Onomstreden is dat [eiseres] vervolgens enige maanden de van haar verlangde extra inspanning, het maken van extra reistijd, heeft verricht. In dat licht getuigt het niet van goed werkgever-schap dat het beëindigen van de arbeidsovereenkomst leidt tot een aanmerkelijke financiële consequentie voor de opzeggende werknemer, bestaande in het (alsnog) terugbetalen van genoten reistijdcompensatie en het alsnog mislopen van extra vakantiedagen, eveneens ter compensatie van extra reistijd, met als resultaat dat de werkgever de door de werknemer verrichte extra inspanning (alsnog) onbeloond laat. Een dergelijke uitwerking komt, nu de gestelde voorwaarde niet verbonden is met en/of afhankelijk gesteld is van enige door [gedaagde] geleden of te lijden schade, neer op een door de werkgever op het beëindigen van arbeids-overeenkomst gestelde boete, hetgeen in strijd komt met het bepaalde in artikel 7:650 BW.

De door [gedaagde] gestelde voorwaarde kan derhalve niet worden ingeroepen.

7.

Het feit dat [gedaagde] met bedoelde voorwaarde beoogden hun personeel te behouden totdat zij hun onderneming weer op hun locatie in Lelystad in bedrijf hadden, maakt het voorgaande niet anders. Om dat doel te realiseren stonden hen immers andere middelen ten dienste, zoals onder meer het (alsnog) bedingen van een daartoe strekkende opzegtermijn of contractsduur dan wel het personeel laten reizen in de bedongen arbeidsduur.

8.

De slotsom uit het voorgaande is dat [gedaagde] ten onrechte een bedrag van fl. 900,-- netto aan eerder gecompenseerde reistijd op de eindafrekening in mindering heeft gebracht. Dit leidt tot de conclusie dat [gedaagde] over de door [eiseres] gestelde perioden in totaal een nettobedrag van fl. 8.494,14 was verschuldigd, zoals [eiseres] heeft betoogd. Nu vaststaat dat [gedaagde] slechts een bedrag van fl. 8.118,- netto aan [eiseres] hebben betaald, resteert nog een nettobedrag van fl. 376,14, zijnde € 170,68. Vordering sub A. is derhalve toewijsbaar.

9.

Een en ander betekent dat [eiseres] tevens pro rato recht heeft op extra vakantiedagen. Nu [gedaagde] niet hebben weersproken dat deze aanspraak, gelet op de periode van 1 mei tot 10 augustus 2001, op 3,89 dagen dient te worden gesteld, te waarderen op een bedrag van € 283,47 bruto, is ook vordering sub B. toewijsbaar.

10.

[eiseres] vordert verder de maximale wettelijke verhoging van 50% als bedoeld in artikel 7:625 BW. Gelet op de omstandigheden van het geval matigt de kantonrechter deze verhoging tot een bedrag van € 100,--.

11.

[eiseres] vordert verder een bedrag van € 136,13 aan vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Nu zij evenwel niet heeft gesteld dat die kosten daadwerkelijk door haar zijn gemaakt, en zij kennelijk op basis van haar vakbondslidmaatschap in de incassofase door een gemachtigde van de vakbond is bijgestaan, moet dit gedeelte van haar vordering als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

Daaraan kan nog worden toegevoegd dat [eiseres] heeft nagelaten een omschrijving te geven van de verrichtingen die niet als ter voorbereiding van de processtukken en ter instructie van de zaak kunnen gelden. Uit het dossier blijkt slechts van een aantal aanmaningen. De kosten die daarmee verband houden, moeten - nu daaromtrent toelichting ontbreekt - worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Ook op die grond moet dit gedeelte van de vordering worden afgewezen.

12.

De gevorderde wettelijke rente is als niet afzonderlijk weersproken voor toewijzing vatbaar als nader in het dictum te melden.

13.

[gedaagde] zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden verwezen.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn gekweten, tegen bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen:

a. een bedrag van € 170,68 netto aan achterstallig loon;

b. een bedrag van € 283,47 bruto aan niet genoten extra vakantiedagen;

c. een bedrag van € 100,-- aan wettelijke verhoging;

d. de wettelijke rente over de onder sub a. tot en met c. genoemde bedragen vanaf 1 september 2001 tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op:

* € 270,-- voor salaris gemachtigde

* € 77,56 voor explootkosten

* € 116,-- voor vastrecht;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 19 februari 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.