Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2003:AF4772

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
08-01-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
72251
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector civiel

Enkelvoudige handelskamer

Zaaknr/rolnr: 72251 / HA ZA 02-22

Uitspraak: 8 januari 2003

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

1. de besloten vennootschap ROS B.V.,

gevestigd te Almere,

2. de besloten vennootschap VAN SCHIJNDEL MAASBRACHT B.V.,

gevestigd te Maasbracht,

3. [X],

wonende te Maasbracht,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

advocaat mr. P.C.A. van Baaren te Venlo,

en

1. [Y],

wonende te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,

2. [Z],

wonende te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,

3. de besloten vennootschap VARIO TECH HOLDING B.V.,

gevestigd te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,

procureur mr. E.A.M. Claassen,

advocaat mr. A.K. Doornbosch te Assen.

Eisers en gedaagden zullen hierna tesamen worden aangeduid als Van Schijndel c.s. en [Y] c.s., of afzonderlijk als respectievelijk Ros B.V., Van Schijndel B.V., [X], [Y], [Z] en Vario Tech B.V..

PROCESGANG

In deze zaak is op 10 juli 2002 een tussenvonnis gewezen, waarbij een comparitie van partijen is gelast. De comparitie heeft op 12 november 2002 plaatsgevonden. Vervolgens is op het griffiedossier vonnis bepaald.

MOTIVERING

1 Vaststaande feiten

1.1 Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist -mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden- het volgende vast.

1.2 [X] is via zijn vennootschappen actief in de het onderhoud en de reparatie van afvalsystemen, meer in het bijzonder vuilniswagens. Van Schijndel B.V. is een vennootschap van [X]. [Y] is directeur en aandeelhouder van Vario Tech B.V.

1.3 In het voorjaar van 2001 kwamen [Y] en [Z] in contact met [X] over een mogelijke samenwerking in een (op te starten) bedrijf dat zich zou richten op de reparatie, het onderhoud en het verlenen van service ten behoeve van de afvalinzamelings- en reinigingsbranche.

1.4 Naar aanleiding van een gesprek over de mogelijke samenwerking hebben [Y] en [Z] op 3 mei 2001 per fax een brief naar [X] gestuurd, die als volgt luidt:

Hierbij doen wij u zoals besproken een opzet toekomen van het service bedrijf. Uitgangspunt is dat het een richting aangeeft hoe we kunnen gaan werken. Al wat op de bijlagen is vermeld zal op korte termijn worden besproken, toegelicht en verder uitgewerkt. Aanpassingen c.q. veranderingen worden daar dan in meegenomen. Het nieuw op te richten service bedrijf heeft als (tijdelijke) naam ROS afvalsystemen B.V. Start van dit bedrijf zal met ingang van 1 juli 2002 plaats kunnen vinden. In de maand juli zal H. [Z] dan voorbereidend werk gaan verrichten. Bovendien zal H. [Z] in de maand juli klanten benaderen c.q. werven. Het geen betekent dat er vanaf 1 augustus 2001 werk aangenomen en uitgevoerd kan gaan worden.

De bij de brief gevoegde opzet bevat een organigram waarop is aangegeven dat [Z] directeur zal zijn van Ros B.V. en [Y] belast zal zijn met de administratie, de planning en de inkoop. Omtrent de verhouding met [X] wordt opgemerkt:

De werkzaamheden die uitgevoerd worden door Hennie [Y] vinden in de meest voorkomende gevallen in nauw overleg met [X] plaats. M.a.w. de bevoegdheden zijn conform afspraken gelijkwaardig. Zie hiervoor de bijlagen.

Verder bevat de opzet een voorstel voor een pand in Almere en een voorstel voor de verdeling van de aandelen in Ros B.V., te weten 50% voor Van Schijndel B.V. en 50% voor Vario Tech B.V. Omtrent de inbreng van de partners wordt opgemerkt dat Van Schijndel voor het financiële gedeelte zorgt en Vario Tech B.V. voor de noodzakelijke technische en commerciële kennis. Over de voorgestane werkwijze wordt onder meer opgemerkt dat beide partners dagelijks zullen overleggen, dat [Y] in overleg met [X] de administratie zal verzorgen, dat Ernst & Young als accountant zal fungeren en dat [Z] de dagelijkse leiding van het bedrijf zal hebben.

1.5 Begin juni 2001 heeft [Z] een bedrijfsplan opgesteld. In dit plan wordt onder meer het volgende vermeld:

Oprichting ROS afvaltechnieken b.v.

De besloten vennootschap is opgericht in juni 2001 door twee aandeelhouders t.w. van Schijndel b.v. en Vario Tech Holding b.v. i.o.

(...)

De firma Vario Tech b.v. i.o. is in juni 2001 opgericht. Het bedrijf gaat zich bezig houden met Research en Development.

(...)

Vestigingsplaats

De hoofdvestiging wordt gevestigd aan de Palmpotstraat op het bedrijventerrein "De Veluwsekant Oost"te Almere-Stad.

(...)

Personeel

Directeur: H. [Z] Datum indiensttreding : 01 - juli - 2001

Hij zal de dagelijkse bedrijfsvoering voeren.

Afgesproken is dat hij de beide aandeelhouders voorziet van de dagelijkse bedrijfsvoering. Alle afspraken die worden aangegaan met betrekking tot overeenkomsten etc. moeten voorzien zijn van de handtekeningen van beide aandeelhouders.

De financiële zaken worden door H.J.J. [Y] en [X] verzorgd.

Alle afspraken die gemaakt zijn komen op schrift te staan dit zal door accountants kantoor Ernst en Young verzorgd worden.

(...)

Van Schijndel b.v. (toeleverancier)

De firma Van Schijndel b.v. verzorgt en levert alle onderdelen die nodig zijn voor werkzaamheden aan de voertuigen en perscontainers. Er is afgesproken dat er een vast percentage aan korting op de onderdelen wordt gerekend. Dit dient nog verder uitgewerkt te worden ...

(...)

Er zal door Van Schijndel b.v. en ROS Afvaltechnieken een overeenkomst worden afgesloten waarin de verplichting van levering zoals bovenstaand goed staat omschreven.

[X] (aandeelhouder 52 %)

Met de heer [X] zijn de volgende afspraken gemaakt:

Hij draagt zorg voor de financiële zaken. Dit betekent dat hij voor voldoende financiën zorgt om als overbrugging te dienen in de aanloopkosten.

Deze aanloopkosten bedragen o.a.: borg pand Almere, huur Almere minimaal voor drie maanden vooruit te voldoen, salarissen voor al de personeelsleden, afdrachten belastingen en gak, investeringen zoals o.a. gereedschap & materialen, bedrijfsvoertuigen, kantoorbenodigdheden, diversen.

(...)

Vario Tech Holding b.v.i.o. (aandeelhouder 48%)

Bij aanvang is er sprake van één aandeelhouder dus spreken we hier over de Directeur grootaandeelhouder t.w. de heer ing. H.J.J. [Y].

Er zijn afspraken gemaakt door bovengenoemde aandeelhouder en H. [Z] dat op ieder daarvoor geschikt tijdstip gekozen door H. [Z] er een overdracht van aandelen ten grootte van 50% in deze besloten vennootschap Vario Tech Holding b.v i.o. zal plaats vinden.

Deze mondelinge overeenkomst zal bekrachtigd worden door een advocaat en in bewaring gesteld worden bij een notaris. Zowel de advocaat als de notaris worden gekozen door H. [Z]. Ook is de heer [X] op de hoogte van deze overeenkomst.

Met betrekking tot de werkzaamheden van H. [Y] is afgesproken dat hij diverse werkzaamheden verricht voor ROS Afvaltechnieken b.v i.o. zoals administratie, technische zaken en leiding geeft waar nodig. Dit zolang er sprake is van minimale bezetting in personeel bij ROS Afvaltechniek b.v .i.o. Er zijn geen afspraken vooraf gemaakt over het aantal uren zodat er ook geen sprake is van een dienstverband in welke vorm dan ook. Wel zal een uurtarief worden overeengekomen.

Bovendien zal H. [Y] ook voor Van Schijndel b.v. in Maasbracht werkzaamheden verrichten indien men een beroep op hem doet. Ook hier worden de dan gewerkte uren in rekening gebracht door Vario Tech b.v. i.o.

(...)

Afrekening tussen de aandeelhouders

Er is afgesproken dat er een verdeling plaats vindt met een maximum van 50% van de netto winst. Dit betekent dat 50% van de netto winst in ROS Afvaltechnieken b.v .i.o. aanwezig blijft. Hierdoor zal er een goede cash-flow ontstaan. De opgenomen 50% van de winst zal naar gelijkheid van aandelen 52% - 48% verdeeld worden.

[X], [Y] en [Z] hebben dit bedrijfsplan in de eerste week van juni 2001 besproken.

1.6 In een fax van 11 juni 2001 verzoekt [Z] [X], onder referte aan een telefoongesprek, om een door [Z] opgestelde brief aan makelaardij Van der Linden over te nemen en te versturen. In deze brief wordt Van der Linden gevraagd of zo spoedig mogelijk een afspraak gemaakt kan worden om diverse zaken met betrekking tot het aangaan van een huurovereenkomst inzake een bedrijfspand aan de Palmpotstraat te Almere door te nemen.

Op 19 juli wordt een huurcontract getekend terzake de verhuur van dit pand aan Ros B.V. met ingang van 1 augustus 2001. In het contract is aangegeven dat Ros B.V. vertegenwoordigd wordt door [Y] en [X]. Laatstgenoemden hebben het huurcontract ook ondertekend.

1.7 Op 24 juli 2001 ondertekent [X] op verzoek van [Z] een door [Z] opgestelde brief aan een garagebedrijf inzake de aankoop van een Ford Mondeo ten behoeve van [Z] door Ros B.V.

Op 24 juli 2001 verstrekken [X] en [Y] tevens CAD service de opdracht een 3D CAD werkplek te leveren aan Ros B.V.

1.8 Vanaf 1 augustus 2001 zijn [Z] en [Y] geregeld in het pand van Ros B.V. te Almere aanwezig om de voorkomende werkzaamheden te verrichten.

1.9 Op 14 augustus 2001 stuurt mr. ing. Bruininks, de adviseur van [X], een contract dat wordt aangeduid als samenwerkingsovereenkomst naar de adviseur van [Y] en [Z]. In het contract worden Van Schijndel B.V., Vario Tech en [Z] als contractspartij vermeld. Enkele relevante bepalingen uit het contract zijn de volgende:

In artikel 1 wordt verwezen naar het door [Z] begin juni opgestelde bedrijfsplan, welk bedrijfsplan aan het contract wordt gehecht en geacht wordt een geheel te vormen met het contract.

In artikel 2 wordt vermeld dat Van Schijndel B.V. 48 % van de aandelen in Ros B.V. tegen nominale waarde aan Vario Tech B.V. zal overdragen. In deze bepaling worden verder regels gesteld aan de beoogde overdracht van aandelen Vario Tech B.V. aan [Z] of aan derden.

In artikel 3 wordt bepaald dat [Z] naast Van Schijndel Holding B.V. statutair bestuurder van Ros B.V. zal zijn en dat salaris en arbeidsvoorwaarden van [Z] nog zullen worden vastgesteld.

In artikel 6 wordt voor wat betreft het commerciële beleid verwezen naar het bedrijfsplan en wordt tevens bepaald dat Ros B.V. gedurende het eerste jaar van haar activiteiten een omzet van fl. 500.000,00 per maand dient te realiseren.

De artikelen 7 en 8 bepalen dat de door Ros te gebruiken voertuigen en onderdelen door Van Schijndel B.V. geleverd dienen te worden en dat terzake een aparte toeleveringsovereenkomst dient te worden opgesteld.

In artikel 9 wordt vastgelegd dat Vario Tech B.V. research en development zal verrichten ten behoeve van Ros tegen nog vast te stellen en in een overeenkomst vast te leggen voorwaarden. Eventuele intellectuele eigendomsrechten uit door Ros B.V. vergoede activiteiten van Vario Tech worden op naam van Ros B.V. gesteld.

In artikel 14 wordt bepaald dat de overeenkomst ingaat per 1 augustus 2001 en alleen met instemming van alle partijen kan worden opgezegd, waarbij overeenstemming moet worden bereikt over de gevolgen van de opzegging.

1.10 Op 15 augustus 2001 staken [Z] en [Y] hun werkzaamheden in het gehuurde pand te Almere. Het inmiddels geleverde CAD systeem wordt enkele dagen later door [Y] ter beschikking gesteld van de leverancier van het systeem.

1.11 Nadat de adviseur van [X], mr. ing. Bruininks voornoemd, en de adviseurs van [Y] cs , mr. Niebuir van Ernst & Young, op 22 augustus en op 29 augustus 2001 telefonisch contact hebben gehad, schrijft Bruininks op 30 augustus de volgende per fax verzonden brief aan Niebuhr:

De inhoud van ons telefoongesprek van gisteren besprak ik gisteravond om 19.00 uur en zoëven nog met de heer [X] van cliënte Van Schijndel B.V. Door het wederom en voor de zoveelste keer uitblijven van enige schriftelijke reactie uwerzijds c.q. telefonisch contact met zijn beoogde compagnons is zijn vertrouwen in de hele zaak inmiddels tot kort bij het absolute nulpunt gedaald. En volkomen terecht dunkt mij.

Op zijn verzoek deel ik u daarom mede, dat uw cliënten thans nog maar op een manier het vertrouwen in de zaak kunnen herstellen door zich (al dan niet vergezeld door u of een andere raadsman of -vrouwe) a.s. dinsdag 4 september om 10.00 op het bedrijf in Maasbracht te vervoegen, teneinde in één sessie de zaak af te ronden en onmiddellijk daarna weer aan het werk te gaan. Cliënte is -m.i. evenzeer terecht- niet bereid om wederom tot donderdag 6 september te moeten wachten, na alle voorafgaande uitstel.

Indien uw cliënten daartoe niet bereid zijn, zijn er voor cliënte nog maar twee opties t.w.:

1. Uw cliënten nemen op zo kort mogelijke termijn alle aandelen van Ros B.V. over met vergoeding aan cliënte van de gemaakte kosten en, als zij daartoe niet bereid zijn:

2. Verhaal van de kosten gemaakt door cliënte door de door uw cliënten opgewekte verwachtingen langs juridische weg met alle daartoe dienstige middelen.

Dezerzijds wordt tot dinsdag a.s. niet meer gereageerd op een eventueel alsnog door u te sturen schriftelijke reactie, simpelweg omdat het dan nog genoeg op tijd is om de zaak af te ronden en, als de samenkomst op dinsdag a.s. niet doorgaat, omdat een reactie alsdan verder overbodig is.

De bevestiging van voor welke optie uw cliënten kiezen zie ik graag voor vandaag 18.00 tegemoet. Daarna vervalt voor wat betreft de heer [X] de optie voor dinsdag a.s., omdat zowel hij als ik efficiënt met de tijd moeten omgaan en deze dag anders zullen inplannen.

1.12 In reactie op deze brief van Bruininks stuurt Niebuir Bruininks op 30 augustus 2001 per fax de volgende brief:

Onder referte aan uw schrijven van 30 augustus 2001 vragen wij uw aandacht voor het volgende.

Als bijlage zenden wij hierbij onze reactie op de concept samenwerkingsovereenkomst tussen Vario Tech Holding B.V. en ROS B.V. Ondanks uw schrijven is het nog steeds de bedoeling van de heren [Y] en [Z] aan de beoogde samenwerking vorm te geven. Het stellen van een ultimatum voor het uitspreken van deze intentie is ons inziens in deze fase van de onderhandelingen dan ook overbodig.

Wij stellen voor zo spoedig mogelijk contact te leggen voor het maken van een afspraak op een voor alle partijen passende datum en plaats.

De bijlage is een brief van Niebuir en mevrouw mr. Oving van Ernst & Young aan Bruininks waarin wordt gereageerd op het door Bruininks opgestelde contract. In de inleiding van de brief is onder meer het volgende vermeld:

Op vrijdag 14 augustus 2001 heeft u ons een exemplaar van de door u opgestelde samenwerkingsovereenkomst toegezonden. In het voornoemde telefoongesprek (verwezen wordt naar een eerder in de brief aangehaald telefoongesprek d.d. 22 augustus 2001 tussen Oving en Bruininks - toevoeging rechtbank)is met u afgesproken dat wij u een schriftelijke reactie op deze samenwerkingsovereenkomst doen toekomen. Deze reactie kan dan als grondslag dienen voor een bespreking met partijen en hun adviseurs, teneinde een basis te leggen voor een goede samenwerking in de toekomst.

In de brief wordt voorgesteld om met betrekking tot de beoogde levering van de aandelen Ros B.V. door Van Schijndel B.V. aan Vario Tech B.V. een aparte intentieovereenkomst op te stellen. Voorts wordt aangegeven dat nu [Z] nog niet als overnemer van aandelen Ros B.V. optreedt, hij niet als partij bij de intentieovereenkomst heeft te gelden. Wel dienen de bevoegdheden van [Z] als statutair directeur van Ros B.V. correct te worden vastgelegd. Ingevolge het bedrijfsplan is aangegeven dat [Z] als directeur verantwoordelijk zal zijn voor de dagelijkse bedrijfsvoering. In het handelsregister staan als bestuurders van Ros B.V. de vennootschappen Van Schijndel Holding B.V. en C.G. van Schijndel Holding B.V. ingeschreven. Het is van belang dat voorkomen wordt dat [Z] zijn taak als dagelijks bestuurder kan uitoefenen zonder dat hij in zijn besluitvorming kan worden overruled door deze vennootschappen. Bruininks wordt in overweging gegeven een intentieverklaring inzake koop en verkoop aandelen Ros B.V. op te stellen met als partijen Vario Tech Holding B.V. en Van Schijndel B.V., waarbij rekening wordt gehouden met de in de brief genoemde aandachtspunten.

Verder wordt in de brief voorgesteld om een aparte aandeelhoudersovereenkomst op te stellen, waarin afspraken worden vastgelegd omtrent de overdracht van aandelen Vario Tech B.V., maar ook van aandelen Van Schijndel B.V. In deze overeenkomst zou ook geregeld moeten worden dat bepaalde belangrijke besluiten slechts met instemming van alle aandeelhouders genomen kunnen worden.

Tenslotte bevat de brief een aantal algemene opmerkingen over de samenwerkingsovereenkomst. In dat kader wordt onder meer opgemerkt dat [Z] geen partij dient te zijn bij de samenwerkingsovereenkomst, dat een en ander dient te worden vastgelegd ten aanzien van marktconform optreden van Van Schijndel B.V. bij de door Van Schijndel B.V. aan Ros B.V. te leveren producten en diensten en dat door Vario Tech B.V. ontwikkelde intellectuele eigendomsrechten eigendom blijven van Vario Tech B.V. tenzij Ros B.V. deze rechten koopt.

1.13 Op 4 september 2001 vindt geen bespreking tussen partijen plaats. Op 10 september 2001 schrijft Bruininks een brief aan Niebuir met de volgende inhoud:

Op verzoek van de heer [X] van cliënte Van Schijndel deel ik u het volgende mede.

Na wederom elf dagen taal noch teken van u en uw cliënten is zijn vertrouwen om ooit te komen tot een vruchtbare samenwerking thans volledig verdwenen. Hij heeft zich niet alleen mateloos gestoord aan de luchtigheid waarmee u over de gerezen situatie en de inhoud van mijn brief van 30 augustus j.l. heenstapt; ook de inhoud van uw commentaar op mijn concept van de samenwerkingsovereenkomst heeft bij hem alle hoop de bodem ingeslagen. De verwarrende en nodeloze gecompliceerdheid van uw voorstellen roept alleen maar vele nieuwe vragen op, c.q. getuigt naar het gevoelen van de heer [X] van een zodanig starre houding uwerzijds om ten voordele van uw cliënten absoluut het onderste uit de kan te willen halen, dat hij niet kan inzien (en ik met hem) hoe daar ooit uit te komen. Dit soort condities hadden zijdens uw cliënten duidelijk vooraf kenbaar moeten worden gemaakt en niet achteraf. Uw voorstellen getuigen overigens op zijn zachtst gezegd van weinig realiteitszin ten aanzien van de feitelijke positie van uw cliënten ten opzichte van cliënte. Om daarbij nog maar niet te spreken van een bewust aansturen op een breuk in de begonnen samenwerking zijdens uw cliënten om hen moverende -en voor cliënte duistere- redenen, waarvoor in de afgelopen weken ook allerlei aanwijzingen konden worden waargenomen.

Omdat de heer [X] de afgelopen weken voortdurend wordt benaderd door de relaties waarmee verplichtingen zijn aangegaan -omdat uw cliënten op geen enkele wijze bereikbaar zijn of dat opzettelijk zo houden- kan hij thans niet anders doen dan beginnen een aantal zaken af te wikkelen om verder oplopende schade te voorkomen. Over verder te nemen acties beraadt hij zich nog, doch dienen uw cliënten nu reeds rekening te houden met verhaal van door cliënte geleden schade waaraan zij debet zijn.

2 Standpunten van partijen

2.1 Van Schijndel c.s. verwijten [Y] c.s. dat zij de samenwerking in Ros B.V. feitelijk beëindigd hebben. Dat [Y] c.s. de samenwerking beëindigd hebben, leiden Van Schijndel c.s af uit het feit dat [Y] en [Z] op 15 augustus 2001 de werkplek in Almere verlaten hebben, uit het feit dat [Z] [X] heeft meegedeeld dat [Y] de samenwerking wilde staken, uit het feit dat [Y] c.s. in hun reactie op de concept samenwerkingsovereenkomst aanvullende voorwaarden hebben gesteld en uit het feit dat zij niet bereid waren op 4 september 2001 ten kantore van [X] de onderhandelingen af te ronden.

Van Schijndel c.s. stellen dat [Y] c.s. door aldus te handelen toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen jegens Van Schijndel c.s., althans onrechtmatig jegens hen gehandeld hebben. Van Schijndel c.s. lijden daardoor schade. Zij hebben forse kosten gemaakt, bijvoorbeeld inzake de huurovereenkomst, en er is sprake van winstderving. [Y] c.s. zijn in de visie van Van Schijndel c.s. voor deze kosten en winstderving aansprakelijk.

2.2 [Y] c.s. stellen voorop dat [Y] en [Z] niet voor zichzelf doch ten behoeve van Vario Tech B.V. gehandeld hebben. Zij betwisten dat definitieve overeenstemming bereikt is. Van Schijndel c.s. zijn op het resultaat van de onderhandelingen vooruit gelopen door, zonder dat definitieve overeenstemming bereikt was, Ros B.V. op te richten en een huurovereenkomst aan te gaan. Bovendien had [X] zonder overleg met [Y] c.s. en verhuurder wijzigingen in het pand aangebracht en leverde hij via Van Schijndel B.V. onderdelen aan Ros B.V. met een winstmarge voor Van Schijndel B.V. van 50%.

Op aanraden van hun adviseurs hebben [Y] c.s. pas op de plaats gemaakt totdat de onderhandelingen over een definitief contract afgerond zouden zijn. De onderhandelingen zijn echter niet afgerond, doordat Van Schijndel c.s. [Y] c.s. in de brief van Bruininks van 30 augustus 2001 sommeerden op 4 september op het kantoor van Van Schijndel B.V. te verschijnen om de onderhandelingen af te ronden. Van Schijndel c.s waren niet bereid in te gaan op het verzoek van [Y] c.s. de bespreking te laten plaats vinden op een andere, [Y] c.s. wel passende, datum.

[Y] c.s. stellen dat zij diverse pogingen hebben gedaan om de onderhandelingen te hervatten. Zij betwisten dat zij op een beëindiging van de onderhandelingen hebben aangestuurd. Zij betwisten tevens dat [Y] aan [Z] heeft laten weten dat hij met de samenwerking wilde stoppen en dat [Z] dat aan [X] zou hebben gezegd.

[Y] c.s. stellen dat Ros B.V. en [X] so wie so geen vordering hebben, nu geen onderhandelingen zijn gevoerd met Ros B.V. en [X] niet voor zichzelf maar voor Van Schijndel B.V. onderhandelde.

3 Beoordeling van het geschil

3.1 Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag of tussen hen op enig moment een samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend.

Tussen partijen staat vast dat het bedrijfsplan van [Z] van begin juni 2001 in de eerste week van juni 2001 door hen besproken is. Ter comparitie heeft [X] verklaard dat alle betrokkenen zich met dit stuk konden verenigen en dat afgesproken was dat zijn adviseur op basis van dit stuk een samenwerkingsovereenkomst zou opstellen. [Y] heeft aangegeven dat [X] zich enthousiast over het stuk toonde, maar dat hij zich er nog over wilde beraden. [Y] ging er na deze bespreking, heeft hij ter comparitie verklaard, van uit dat partijen op basis van het bedrijfsplan verder zouden gaan, maar dat dit stuk nog wel verder zou moeten worden uitgewerkt.

In het licht van deze twee verklaringen valt de verklaring van [Z] ter comparitie, inhoudende dat het bedrijfsplan slechts een serieus praatstuk was en dat [X] er na overleg met zijn adviseur op terug zou komen, uit de toon. De rechtbank kent dan ook geen gewicht toe aan deze verklaring, ook omdat [Z] in het door hem opgestelde, in rechtsoverweging 1.5 aangehaalde, bedrijfsplan zelf vermeld heeft dat partijen op diverse onderdelen al afspraken gemaakt hebben. Bovendien valt niet in te zien waarom [Z], indien partijen in het bewuste gesprek in de eerste week van juni geen consensus zouden hebben bereikt over het door [Z] opgestelde bedrijfsplan, een week later [X], blijkens de in rechtsoverweging 1.6 aangehaalde fax van 11 juni 2001, verzocht uitvoering te geven aan een onderdeel van het bedrijfsplan, te weten het aangaan van een huurovereenkomst voor een bedrijfsgebouw in Almere.

3.2 Partijen hebben, zoals hiervoor is overwogen, consensus bereikt over het door [Z] opgestelde bedrijfsplan, in dier voege dat zij het er over eens waren dat de door hen beoogde samenwerking binnen de in dat plan aangegeven kaders zou moeten worden vormgegeven en uitgewerkt. Dat betekent echter nog niet dat tussen hen definitieve overeenstemming is bereikt over de samenwerking. Diverse belangrijke onderwerpen, bijvoorbeeld omtrent de zeggenschapsverhouding in Ros B.V., de samenwerking tussen Ros B.V. enerzijds en van Schijndel B.V. en Vario Tech B.V. anderzijds, de inhoud van de arbeidsovereenkomst tussen Ros B.V. en [Z], diens bevoegdheden als statutair bestuurder daaronder begrepen, en de grondslag van de financiering van Ros B.V. door Van Schijndel B.V., dienden nog te worden uitgewerkt.

Wèl was na de acceptatie door alle partijen van het bedrijfsplan een zodanige situatie bereikt dat alle partijen er van uit gingen, en er ook redelijkerwijs van uit mochten gaan, dat tussen hen, op basis van het door [Z] opgestelde bedrijfsplan, een samenwerkingsovereenkomst tot stand zou komen. Dat volgt ook al uit het feit dat partijen in de daarop volgende periode uitwerking hebben gegeven aan onderdelen van het bedrijfsplan, zoals het aangaan van een huurovereenkomst voor een bedrijfspand in Almere, de aanschaf van bedrijfsmiddelen en het beginnen met de werkzaamheden, terwijl de onderhandelingen over de samenwerkingsovereenkomst nog niet waren afgerond en zelfs stagneerden in afwachting van een door Bruininks op te stellen samenwerkingsovereenkomst.

3.3 Voorzover de vordering van Van Schijndel c.s. gebaseerd is op de stelling dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen en [Y] c.s. in hun verplichtingen uit die overeenkomst zijn tekort geschoten, faalt ze derhalve. Van Schijndel c.s. hebben aan hun vordering echter ook ten grondslag gelegd dat [Y] c.s. onrechtmatig gehandeld hebben door de samenwerking tussen partijen af te breken. De rechtbank zal deze grondslag van de vordering hierna bespreken. Zij stelt daarbij voorop dat zij de stellingen van [X] naar aanleiding van hetgeen ter comparitie namens Van Schijndel c.s. is aangevoerd, zo opvat dat Van Schijndel c.s. tevens (al dan niet subsidiair) bedoeld hebben te stellen dat [Y] c.s. onrechtmatig gehandeld hebben door de facto de onderhandelingen tussen partijen af te breken.

3.4 De rechtsverhouding tussen partijen die met elkaar onderhandelen wordt beheerst door de goede trouw. Indien de onderhandelingen zo ver gevorderd zijn dat partijen er op mochten vertrouwen dat de onderhandelingen zullen resulteren in een overeenkomst (totstandkomingsvertrouwen), kunnen partijen de onderhandelingen en de in het kader van de onderhandelingen en vooruitlopend op de overeenkomst al gestarte samenwerking niet te goeder trouw afbreken. De partij die de samenwerking en de onderhandelingen toch eenzijdig beëindigt, is in beginsel schadeplichtig. In beginsel, omdat het afbreken van onderhandelingen nadat totstandkomingsvertrouwen is ontstaan gerechtvaardigd, en niet in strijd met de goede trouw, kan zijn indien zich onvoorziene omstandigheden voordoen dan wel indien de onderhandelingspartner zodanig onredelijk handelt dat van de ander niet gevergd kan worden dat hij de onderhandelingen en / of de samenwerking voortzet. In dat geval kan die ander, onder omstandigheden, aanspraak maken op vergoeding van de schade die het gevolg is van het door zijn contractspartner veroorzaakte afbreken van de onderhandelingen.

Van Schijndel c.s. hebben gesteld dat [Y] c.s. de samenwerking beëindigd hebben door op 15 augustus 2001 het bedrijfspand in Almere te verlaten, door mee te delen dat [Y] van verdere samenwerking afzag en door de onderhandelingen te traineren. De rechtbank zal deze stelling van Van Schijndel c.s. eerst bespreken.

3.5 Tussen partijen staat vast dat [Y] en [Z] op 15 augustus 2001 het bedrijfspand in Almere verlaten en gedeeltelijk ontruimd hebben. Dat [Y] en [Z] hun besluit om hun werkzaamheden te staken of op te schorten vooraf aan [X] hebben meegedeeld, is gesteld noch gebleken. Door zonder mededeling vooraf het bedrijfspand te verlaten en hun werkzaamheden op te schorten, handelden [Y] en [Z] onzorgvuldig jegens Van Schijndel c.s. Zulks klemt te meer nu de rechtbank niet gebleken is van zodanig klemmende redenen dat een opschorting van de werkzaamheden met onmiddellijke ingang en zonder aankondiging vooraf gerechtvaardigd was.

De voor hun handelwijze door [Y] en [Z] aangegeven redenen

-Van Schijndel c.s. zouden te hard van stapel lopen en zonder overleg ten laste van Ros B.V. verplichtingen aangaan- vormen geen klemmende reden, al was het alleen maar omdat gesteld noch gebleken is dat [Y] en [Z] [X] daar voor 15 augustus 2001 (vergeefs) op aangesproken hebben. Niet valt in te zien waarom zij voor 15 augustus 2001 kennelijk geen reden hebben gezien hun werkzaamheden op te schorten en juist op 15 augustus, één dag nadat hun adviseurs een concept contract van de adviseur van [X] ontvangen hadden, ineens wel. Dat [Y] c.s. zich niet volledig met de concept samenwerkingsovereenkomst konden verenigen, doet aan het vorenstaande niet af. Het concept contract wijkt niet af van de door [Z] in zijn bedrijfsplan aangegeven kaders, maar werkt dat plan slechts uit. Uit de reactie van de adviseurs van [Y] c.s. op het plan, zoals weergegeven in het in rechtsoverweging 1.11 aangegeven stuk, volgt ook geenszins dat de concept overeenkomst volstrekt onbespreekbaar was voor [Y] c.s. en geen basis kon vormen voor verder overleg.

Het feit dat [Y] c.s., naar zij gesteld hebben, op aanraden van hun adviseurs op 15 augustus 2001 hun werkzaamheden hebben opgeschort, verschoont hen uiteraard niet.

3.6 Het enkele feit dat [Y] en [Z] hun werkzaamheden -onzorgvuldig en, derhalve, in strijd met de précontractuele goede trouw- hebben opgeschort, betekent nog niet dat zij de samenwerking met Van Schijndel c.s. daarmee de facto beëindigd hebben, zoals Van Schijndel c.s. stellen. Gesteld noch gebleken is dat Van Schijndel c.s. in augustus 2001 de opschorting van de werkzaamheden door [Z] en [Y] hebben opgevat als een beëindiging van de samenwerking. Evenmin is gesteld noch gebleken dat Van Schijndel c.s. [Y] en [Z] hebben gesommeerd hun werkzaamheden te hervatten, dan wel hebben aangegeven dat zij het voortduren van de opschorting van de werkzaamheden door [Y] en [Z] zouden opvatten als een beëindiging van de samenwerken. Wel hebben de adviseurs van partijen, blijkens de in rechtsoverweging 1.12 aangehaalde brief van Niebuir aan Bruininks, in de desbetreffende periode telefonisch contact met elkaar gehad en in dat kader met elkaar gesproken over de door Bruininks opgestelde samenwerkingsovereenkomst. Daaruit hebben [Y] c.s. in redelijkheid kunnen afleiden dat ook Van Schijndel c.s. nog van mening waren dat de onderhandelingen tussen partijen niet beëindigd waren.

3.7 Partijen verschillen van mening over de vraag of [Z] [X] in een telefoongesprek op 15 augustus 2001 heeft meegedeeld dat [Y] de samenwerking wilde beëindigen, zoals [X] stelt, maar [Y] en [Z] betwisten. [X] heeft in het door hem in het geding gebrachte verslag van de gebeurtenissen op 15 en 16 augustus 2001 aangegeven dat hij op 16 augustus 2001 telefonisch contact heeft gehad met [Y] en dat [Y] toen ontkende de samenwerking te willen beëindigen. Zelfs indien [Z] [X] op 15 augustus 2001 zou hebben meegedeeld dat [Y] niet verder wilde, mocht [X] daar op 16 augustus 2001, nadat hij [Y] zelf gesproken had, niet (meer) van uit gaan. Ook deze stelling van [X] rechtvaardigt dan ook niet de conclusie dat de samenwerking en de onderhandelingen tussen partijen door [Y] c.s. beëindigd zijn.

3.8 De vraag die resteert is of [Y] c.s. de onderhandelingen over een definitieve samenwerkingsovereenkomst getraineerd hebben, zoals Van Schijndel c.s. betogen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Allereerst hebben de adviseurs van [Y] c.s. ruim twee weken nodig gehad voor een uitvoerige reactie op het stuk van de adviseur van Van Schijndel c.s. Dat is niet onaanvaardbaar lang, gezien de complexiteit van de materie, zeker niet in het licht van het feit dat de adviseur van Van Schijndel c.s. , om allerlei redenen, pas twee maanden nadat partijen consensus hadden bereikt over het bedrijfsplan een concept samenwerkingsovereenkomst gereed had, een concept dat bovendien niet volledig was, omdat de aanvullende contracten waarnaar het verwees (de arbeidsovereenkomst met [Z], het contract tussen Ros B.V. en Van Schijndel B.V. en tussen Ros B.V. en Vario Tech B.V.) nog ontbraken.

Vervolgens is ook de inhoud van de reactie op het concept contract niet onzorgvuldig. Anders dan Van Schijndel c.s. -overigens zonder dat te onderbouwen- stellen, worden in vergelijking tot het bedrijfsplan geen nieuwe eisen gesteld. Wel worden voorstellen gedaan over de wijze waarop de afspraken tussen partijen moeten worden vastgelegd -in afzonderlijke overeenkomsten- en wordt aandacht geschonken aan de bevoegdheden van [Z] en aan de zeggenschap tussen de aandeelhouders, maar die voorstellen wijken niet meer of minder van het bedrijfsplan af dan de door de adviseur van Van Schijndel c.s. in de concept overeenkomst verwerkte voorstellen. De voorstellen zijn ook niet onoverzichtelijk of complex. Dat de reactie van de adviseurs van [Y] c.s. nodeloos ingewikkeld en verwarrend is, zoals Bruininks in zijn in rechtsoverweging 1.13 aangehaalde brief stelt, vermag de rechtbank dan ook niet in te zien, terwijl zij de stelling van Bruininks in deze brief dat de adviseurs van [Y] c.s. het onderste uit de kan willen evenmin kan volgen.

Tenslotte kan ook het feit dat [Y] c.s. niet zijn ingegaan op de sommatie van Van Schijndel c.s van 30 augustus 2001 om op 4 september 2001 ten kantore van [X] te verschijnen, de conclusie van Van Schijndel c.s. niet dragen dat [Y] c.s. de samenwerking beëindigd hebben, nu datum en plaats van deze bijeenkomst niet in overleg tussen partijen waren vastgesteld, de adviseurs van [X] een uitvoerige schriftelijke reactie hebben verzorgd en zij tevens hebben aangegeven bereid te zijn de zaak te bespreken op een in overleg met alle betrokkenen gekozen plaats en tijdstip.

3.9 De conclusie is dat [Y] c.s weliswaar ten aanzien van de opschorting van hun werkzaamheden onzorgvuldig gehandeld hebben, maar dat zij daarmee, gelet op alle omstandigheden van het geval de samenwerking en de onderhandelingen met Van Schijndel c.s. inzake Ros B.V. niet beëindigd hebben, zoals Van Schijndel c.s. [Y] c.s. verweten hebben.

3.10 Niet [Y] c.s. maar Van Schijndel c.s. hebben de onderhandelingen afgebroken en de samenwerking met [Y] c.s. beëindigd. Dat blijkt uit de in rechtsoverweging 1.13 aangehaalde brief van Bruininks d.d. 10 september 2001, die het vervolg is op de in rechtsoverweging 1.11 aangehaalde brief van Bruininks van 30 augustus 2001, waarin [Y] c.s. voor de keuze werden gesteld om of op 4 september 2001 te verschijnen of te kiezen tussen twee beëindigingsscenario's.

Omdat Van Schijndel c.s zelf de samenwerking beëindigd hebben en de onderhandelingen hebben afgebroken, dienen zij in beginsel de daardoor bij hen ontstane schade zelf te dragen. Dat zou anders zijn indien zij door de handelwijze van [Y] c.s. redelijkerwijze gedwongen waren om de onderhandelingen te beëindigen, om op die manier te voorkomen dat de onderhandelingen zonder zicht op resultaat werden gerekt, alleen omdat geen van beide partijen de onderhandelingen durfde af te breken. Die situatie doet zich echter niet voor. Nu Van Schijndel c.s. in het (op zichzelf onzorgvuldige) opschorten van de werkzaamheden door [Y] en [Z] kennelijk geen beletsel hebben gezien om de onderhandelingen voort te zetten, zij [Y] en [Z] ook niet hebben gesommeerd hun werkzaamheden te hervatten, [Y] c.s. blijkens de brief van hun adviseurs bereid waren tot verdere onderhandelingen en in dat kader ook constructieve voorstellen hebben gedaan en zij ook bereid waren een en ander op korte termijn -zij het niet op 4 september 2001 ten kantore van Van Schijndel B.V.- te bespreken, kan niet worden gezegd dat Van Schijndel c.s. op 11 september 2001 redelijkerwijs gedwongen waren de onderhandelingen te beëindigen.

De rechtbank houdt het ervoor dat Van Schijndel c.s. en hun adviseur eind augustus en begin september 2001 gekozen hebben voor de confrontatie en voor het "opblazen" van de samenwerking waar zij in redelijkheid hadden moeten kiezen voor het (voortgezette) overleg, eventueel onder voorwaarden bijvoorbeeld de voorwaarde van hervatting van de werkzaamheden door [Y] en [Z].

3.11 De conclusie is dat [Y] c.s. niet aansprakelijk zijn voor de schade die Van Schijndel c.s. , naar zij stellen, geleden hebben door het beëindigen van de samenwerking. Gelet op deze conclusie kan de vraag door wie van eisers deze schade geleden is, en daarmee samenhangend of alle jegens alle eisers onrechtmatig gehandeld is, in het midden blijven.

3.12 Van Schijndel c.s. zijn in het ongelijk gesteld en zullen om die reden worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De rechtbank wijst de vordering af.

Van Schijndel c.s. worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Deze kosten worden, voorzover tot op heden aan de zijde van [Y] c.s. gevallen, bepaald op

€ 8.804,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Hek en in het openbaar uitgesproken op woensdag 8 januari 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.