Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2002:AE7090

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
29-07-2002
Datum publicatie
10-09-2002
Zaaknummer
AWB 02/669
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Onzekerheid over recht op loon a.b.i. art. 47a.2 ZW.

Ingaande 15 augustus 2001 is verzoeker ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de verdere vervulling van zijn functie anders dan wegens ziekte of gebreken. Op 6 augustus 2001 is verzoeker uitgevallen wegens ziekte. Verweerder heeft ziekengeld geweigerd met ingang van 15 augustus 2001 overwegende dat niet vaststaat of verzoeker recht heeft op doorbetaling van zijn loon, nu hij bezwaar heeft aangetekend tegen het ontslagbesluit.

Rechtbank: Gelet op de Memorie van toelichting (MvT) op lid 2 van art. 47a ZW zal de wetgever bij de totstandkoming daarvan met betrekking tot de daarin genoemde ”onzekerheid” niet het oog hebben gehad op situaties als de onderhavige. Er staat immers vast dat de betrokkene óf recht heeft op ziekengeld ingevolge de ZW, óf (alsnog) recht heeft op doorbetaling van zijn loon. In het laatste geval kan verrekening plaatsvinden. Het kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat een werknemer in een dergelijke situatie gedurende onaanvaardbaar lange tijd verstoken zou zijn van enig inkomen waarop hij recht heeft, omdat, zoals in casu, op grond van de rechtspositieregeling geen loon wordt doorbetaald als aanspraak bestaat op een ziekengelduitkering, terwijl deze laatste uitkering, althans voorschotten daarop, niet wordt c.q. worden verstrekt omdat mogelijk recht bestaat op loondoorbetaling als het ontslag na een bezwaar-, c.q. beroepsprocedure ongedaan wordt gemaakt.

Het lijkt, gezien de alsdan ontstane volstrekte patstelling, aannemelijk dat de wetgever op dit punt andere omstandigheden voor ogen hebben gestaan, zoals bijvoorbeeld het niet nakomen van de inlichtingenplicht, het niet verstrekken van voldoende gegevens e.d., op grond waarvan (nog) niet kan worden vastgesteld of er recht op uitkering bestaat.

Voor dit standpunt meent de voorzieningenrechter steun te vinden in de in bedoelde MvT neergelegde passage dat voorkomen moet worden dat onnodig uitkering moet worden betaald die vervolgens teruggevorderd dient te worden. Achterliggende gedachte zal daarbij zijn geweest dat er ten aanzien van een eventuele terugvordering risico’s zijn verbonden aan de doorbetaling van de uitkering in die zin dat problemen kunnen ontstaan met betrekking tot de terugvordering daarvan.

Deze problemen behoeven zich in een geval als het onderhavige echter niet snel voor te doen, nu ten onrechte uitbetaalde voorschotten verrekend kunnen worden met het bij eventueel herstel van het dienstverband door de werkgever alsnog te betalen loon.

In casu is voldoende aannemelijk geworden dat ter zake sprake is van onverwijlde spoed.

Toewijzing voorlopige voorziening.

De Raad van bestuur van het UWV, verweerder.

mr. J.J. Szauer-Bos

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

De Voorzieningenrechter

Reg.nr.: AWB 02/669

UITSPRAAK

betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

A,

wonende te B,

verzoeker,

gemachtigde: mr. E. Hoekstra,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam,

(uitvoeringsinstelling UWV Uszo, kantoor Groningen) als rechtsopvolger van het Lisv, verweerder.

1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Het besluit van 15 mei 2002.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker uitkering met ingang van 15 augustus 2001 ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd onder de overweging dat nog niet vast staat, of hij recht heeft op loondoorbetaling. Op 25 juni 2002 heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend. Bij verzoekschrift van gelijke datum heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 16 juli 2002.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is niet verschenen.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Dit in aanmerking genomen dient te worden nagegaan of met betrekking tot het besluit van verweerder d.d. 15 mei 2002, het belang van verzoeker bij een onverwijlde voorlopige voorziening opweegt tegen het belang van onmiddellijke uitvoering van bedoeld besluit.

Daarbij komt ook in beeld de vraag, of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het aangevallen besluit in stand zal blijven.

Voor zover echter hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Voor beoordeling van het onderhavige verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker was sedert 12 november 1984 in dienst van het X Gemeente Y. Bij besluit van 15 juni 2001 is hem met ingang van 15 augustus 2001 ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de verdere vervulling van zijn functie anders dan wegens ziekte of gebreken. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit ontslagbesluit.

Op 6 augustus 2001 is verzoeker uitgevallen wegens ziekte.

Ter zake van deze arbeidsongeschiktheid heeft verzoeker zich tot verweerder gewend met het verzoek in aanmerking gebracht te worden voor een uitkering op grond van de Ziektewet.

Bij het besluit van 15 mei 2002 heeft verweerder met ingang van 15 augustus 2001 uitkering krachtens de Ziektewet geweigerd. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet vaststaat of verzoeker recht heeft op doorbetaling van zijn loon, nu hij bezwaar heeft gemaakt tegen het ontslagbesluit.

4. Beoordeling van het verzoek

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening in een zaak als de onderhavige, waarin het geschil een financiële aanspraak betreft, is in beginsel slechts plaats indien op grond van de beschikbare gegevens met een grote mate van waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en bovendien feiten en omstandigheden aanwijsbaar zijn die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.

Verweerders besluit van 15 mei 2002 vermeldt niet op welk artikel van de Ziektewet het besluit is gebaseerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het niet zijn gebaseerd op artikel 29, eerste lid, onder b van de Ziektewet, aangezien bij eiser ten tijde van zijn verzoek om uitkering krachtens de Ziektewet geen sprake was van verhindering wegens ziekte om zijn dienst te verrichten. Hij was immers ontslagen. Verweerders besluit zal dan ook blijkens de overwegingen zijn gebaseerd op artikel 47a Ziektewet. Dit artikel bepaalt in het tweede lid dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzeke-ringen (UWV) geen voorschot betaalt indien onzekerheid bestaat over het recht op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of het recht op bezoldiging op grond van artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim.

Verweerder stelt zich kennelijk op het standpunt dat ten gevolge van het bezwaar tegen het ontslagbesluit onzekerheid is ontstaan omtrent de vraag of verzoeker onder de vangnetvoorziening van de Ziektewet valt dan wel (alsnog) recht heeft op doorbetaling van loon, tengevolge waarvan op verzoeker het bepaalde in het tweede lid van artikel 47a van de Ziektewet van toepassing is.

Namens verzoeker is ter zitting aangevoerd dat het tegen het ontslagbesluit ingediende bezwaar geen schorsende werking ten aanzien van de werking van dat besluit heeft. Het dienstverband is derhalve per 15 augustus 2001 tot een einde gekomen. Er bestaat geen recht op loondoorbetaling. Gelet op artikel 531, lid 3, onder a, van de rechtspositieregeling van de gemeente Y heeft de gewezen ambtenaar wegens ziekte ontstaan voor de datum van ingang van zijn ontslag geen aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, indien hij aanspraak kan maken op een uitkering krachtens de Ziektewet. Nu ook overigens niet is gesteld, noch is gebleken dat verzoeker om een andere reden geen aanspraak zou kunnen maken op ziekengeld, is verweerder naar verzoekers oordeel gehouden aan hem uitkering krachtens de Ziektewet te verlenen.

Zoals blijkt uit hetgeen eerder in deze uitspraak is overwogen is de voorzieningenrechter met verzoeker van oordeel dat de weigering van ziekengeld niet op artikel 29 van de Ziektewet kan zijn gebaseerd. Ten aanzien van de toepassing van het tweede lid van artikel 47a van de Ziektewet merkt de voorzieningenrechter het volgende op.

Gelet op de Memorie van toelichting (MvT) op dit artikellid zal de wetgever bij de totstandkoming daarvan met betrekking tot de daarin genoemde ”onzekerheid” niet het oog hebben gehad op situaties als de onderhavige. Er staat immers vast dat de betrokkene óf recht heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet, óf (alsnog) recht heeft op doorbetaling van zijn loon. In het laatste geval kan verrekening plaatsvinden. Het kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat een werknemer in een dergelijke situatie gedurende onaanvaardbaar lange tijd verstoken zou zijn van enig inkomen waarop hij recht heeft, omdat, zoals in casu, op grond van de rechtspositieregeling geen loon wordt doorbetaald als aanspraak bestaat op een ziekengelduitkering, terwijl deze laatste uitkering, althans voorschotten daarop, niet wordt c.q. worden verstrekt omdat mogelijk recht bestaat op loondoorbetaling als het ontslag na een bezwaar-, c.q. beroepsprocedure ongedaan wordt gemaakt.

Het lijkt, gezien de alsdan ontstane volstrekte patstelling, aannemelijk dat de wetgever op dit punt andere omstandigheden voor ogen hebben gestaan, zoals bijvoorbeeld het niet nakomen van de inlichtingenplicht, het niet verstrekken van voldoende gegevens e.d., op grond waarvan (nog) niet kan worden vastgesteld of er recht op uitkering bestaat.

Voor dit standpunt meent de voorzieningenrechter steun te vinden in de in bedoelde MvT neergelegde passage dat voorkomen moet worden dat onnodig uitkering moet worden betaald die vervolgens teruggevorderd dient te worden. Achterliggende gedachte zal daarbij zijn geweest dat er ten aanzien van een eventuele terugvordering risico’s zijn verbonden aan de doorbetaling van de uitkering in die zin dat problemen kunnen ontstaan met betrekking tot de terugvordering daarvan.

Deze problemen behoeven zich in een geval als het onderhavige echter niet snel voor te doen, nu ten onrechte uitbetaalde voorschotten verrekend kunnen worden met het bij eventueel herstel van het dienstverband door de werkgever alsnog te betalen loon.

Ter zitting heeft verzoeker gewezen op zijn precaire financiële situatie. Hij heeft aangegeven vanaf 15 augustus 2001 zonder regulier inkomen te zijn. Een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet is hem geweigerd, omdat hij door eigen toedoen ontslagen zou zijn. Bovendien is hem gezegd dat hij uitkering ingevolge de Ziektewet zou ontvangen. Hij heeft inmiddels te maken met deurwaarders en hij heeft de laatste 3 maanden niet meer aan zijn hypothecaire verplichtingen kunnen voldoen.

Op grond van de geschetste omstandigheden is voldoende aannemelijk gemaakt dat ter zake sprake is van onverwijlde spoed als in artikel 8:81 van de Awb bedoeld. De voorzieningenrechter is dan ook, mede gelet op het eerder overwogene, van oordeel dat bij afweging van de wederzijdse belangen het belang van verzoeker bij een onverwijlde voorlopige voorziening zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van het besluit van 15 mei 2002.

De voorzieningenrechter acht voldoende termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten te veroordelen die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken.

5. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toe;

- gelast dat verweerder vanaf 25 juni 2002 (datum verzoek) aan verzoeker voorschotten op een uitkering krachtens de ZW betaalbaar stelt op basis van 70% van het voor verzoeker geldende dagloon;

- bepaalt dat deze voorschotten zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen twee weken na dagtekening van deze uitspraak aan verzoeker betaalbaar worden gesteld;

- gelast dat het UWV aan verzoeker het door hem gestorte griffierecht ad € 29,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten, die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 644,00;

- wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt, te betalen aan verzoeker.

Gewezen door mevrouw mr. J.J. Szauer-Bos, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2002 in tegenwoordigheid van H.C. Koopmans als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

afschrift verzonden op