Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2002:AE7087

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
04-06-2002
Datum publicatie
02-09-2002
Zaaknummer
AWB 01/981
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tegemoetkoming in de vervoerskosten in het kader van de WVG is geen eigendom als bedoeld in art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM.

Eiser is medegedeeld dat diens tegemoetkoming in de vervoerskosten ingaande 1 april 2001 wordt gehalveerd en ingaande 1 juli 2001 wordt beëindigd. Eiser is onder meer van mening dat dit in strijd is met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM.

De rechtbank is van oordeel dat dit beroep niet slaagt. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. In art. 1 Eerste Protocol EVRM staat onder meer: “Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden in de wet voorzien en in de algemene beginselen van internationaal recht”.

De rechtbank is primair van oordeel dat de tegemoetkoming van eiser geen eigendom is als hier bedoeld. Van een recht op ongestoord genot van eigendom dat art. 1 beoogt te beschermen is immers geen sprake, aangezien de gelden worden gegeven ter dekking van reeds gemaakte of nog te maken autokosten. Dit is een verschil met verzekeringsuitkeringen op grond van de AAW en de ANW die volgens de jurisprudentie wel als eigendom in de zin van art. 1 gelden. Deze laatste uitkeringen beogen aan de rechthebbenden middelen te verschaffen, die zij vrijelijk kunnen besteden. Het zijn bovendien uitkeringsrechten die voortvloeien uit een (volks)verzekering. Zij hebben daardoor een ander karakter dan de om niet gegeven voorziening zoals in casu aan de orde.

Subsidiair overweegt de rechtbank, dat indien wel van eigendom in de zin van art. 1 sprake zou zijn, het de vraag is of er sprake is van ontneming. Immers, de vervoersvoorziening wordt eiser niet ontnomen maar in een andere vorm voortgezet.

Daargelaten of van ontneming sprake is, is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de vereisten voor een ontneming, zoals in de jurisprudentie ontwikkeld.

Het primaat van de Stadstaxi is “in de wet (de WVG) voorzien”. Aan de wetgever en met hem aan het gemeentebestuur komt een “wide margin of appreciation” toe bij de wijze waarop zij de vervoersvoorziening voor gehandicapten willen vormgeven. Buiten deze marge is met het primaat van de Stadstaxi niet getreden. Voorts is het primaat met het oog op het algemeen belang - bezuiniging en een eenvoudiger aanbod in plaats van een keur van individuele voorzieningen - in het leven geroepen. Of het systeem als geheel inderdaad op den duur voordeliger is, nu als aanvulling nogal eens dure scootermobielen worden verstrekt, zal de tijd wel leren. Het is in ieder geval in het algemeen belang, het systeem met de Stadstaxi een kans te geven en zo te pogen de kosten voor de vervoersvoorzieningen daarmee in de hand te krijgen.

Het door de wetgever beoogde doel, te weten het voorzien in vervoer voor gehandicapten, wordt zeker ook middels de Stadstaxi, zo nodig aangevuld met een scootermobiel, bereikt.

Gelet op het bovenstaande is voldaan aan de vereisten van fair balance en het proportionaliteitsbeginsel zoals in de jurisprudentie bij art. 1 ontwikkeld.

Het college van burgemeester en wethouders van Lelystad, verweerder.

mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 01/981

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. G.J.A. Gloudi, advocaat te Lelystad,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 9 augustus 2001.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 9 maart 2001 heeft verweerder eisers financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) met ingang van 1 april 2001 gehalveerd en met ingang van 1 juli 2001 beëindigd.

Tegen dit besluit is op 11 maart 2001 een bezwaarschrift ingediend.

Naar aanleiding van dit bezwaarschrift is op 21 mei 2001 een hoorzitting gehouden, waarbij eiser in de gelegenheid is gesteld om het bezwaarschrift mondeling toe te lichten.

Bij het bestreden besluit is het bezwaarschrift ongegrond verklaard, onder toepassing van de juiste overgangsregeling, hetgeen inhoudt dat eiser tot 1 juli 2001 de volledige vergoeding ontvangt en met ingang van 1 juli 2001 tot 1 januari 2002 de vergoeding wordt gehalveerd. Met ingang van 1 januari 2002 wordt de vergoeding beëindigd.

Op 27 augustus 2001 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 15 mei 200 ter zitting behandeld.

Eiser is verschenen bij gemachtigde mr. Gloudi, voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door H. Evink.

3. Motivering

In geding is de vraag of verweerder op goede gronden tot het besluit heeft kunnen komen eisers financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer te beëindigen.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser, geboren […] 1923, kan slechts 30 meter lopen en is incontinent. Nadat eiser vele jaren een vervoerskostenvergoeding op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) had ontvangen, heeft verweerder hem in het kader van de WVG met ingang van 1 april 1994 een tegemoetkoming in de vervoerskosten toegekend tot een bedrag van ƒ 2275,-- per jaar.

In het kader van een hercontrole is eiser op 13 februari 2001 verschenen op het spreekuur van de verzekeringsgeneeskundige drs. A.R. Zielhuis. In zijn rapport van 13 februari 2001 is deze verzekeringsgeneeskundige tot de conclusie gekomen dat eiser in staat is gebruik te maken van het aanvullend gehandicaptenvervoer (de Stadstaxi).

Naar aanleiding van dit rapport heeft verweerder eisers vervoerskostenvoorziening, onder toepassing van de overgangsregeling, met ingang van 1 juli 2001 beëindigd.

In de bezwarenprocedure is vervolgens gebleken dat de overgangsregeling niet op de juiste wijze was toegepast. Bij het bestreden besluit is de vervoerskostenvergoeding beëindigd per 1 januari 2002, onder de juiste toepassing van de overgangsregeling.

Standpunt verweerder

Verweerders besluit tot intrekking van de autokostenvoorziening is gebaseerd op de overweging dat eiser in staat moet worden geacht gebruik te maken van de Stadstaxi, desgewenst aangevuld met een door verweerder te verstrekken scootermobiel voor de zeer korte afstanden.

Standpunt eiser

Van de zijde van eiser is aangevoerd dat de nieuwe Verordening voorzieningen gehandicapten 1999 (verder: de Verordening) eiser in een slechtere financiële positie heeft gebracht in vergelijking met de oude verordening, zulks in strijd met rechtszekerheid en zorgvuldigheid. Naar het oordeel van eiser dient de nieuwe Verordening slechts van toepassing te zijn op nieuwe aanvragen voor een vervoersvoorziening. Daarbij heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 8.1, lid 1, van de Verordening, de zogenoemde hardheidsclausule. De door verweerder geboden voorzieningen zijn voor verweerder niet goedkoop en voor eiser noch verweerder adequaat. Eiser heeft geen behoefte aan de Stadstaxi en een scootermobiel, omdat hij al een auto heeft en zal de door verweerder geboden voorzieningen dan ook niet gebruiken.

Tevens is eiser van oordeel dat de wijziging in de regelgeving en de overgangsbepaling in strijd is met de bedoeling van de WVG en met artikel 1, eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aangezien de uitkering, verstrekt op basis van de (WVG), beschouwd moet worden als eigendom in de zin van artikel 1, eerste Protocol bij het EVRM. Er is niet voldaan aan de vereisten van “fair balance” en proportionaliteit.

Beroordeling

Medische aspecten.

Eiser wil gebruik blijven maken van zijn eigen auto, vooral in verband met zijn incontinentie problematiek.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) hoeft incontinentie geen aanleiding te geven tot het oordeel dat collectief vervoer voor deelname aan het leven van alledag inadequaat zou zijn. Immers bij deze vervoersvoorziening gaat het als regel om vrij korte ritten in de directe omgeving waarbij mag worden verwacht dat de betrokkene over adequaat incontinentiemateriaal beschikt. Eiser wil echter geen incontinentiemateriaal dragen omdat hij daar psychische problemen mee heeft. Dit is echter geen reden aan te nemen dat de Stadstaxi voor eiser een ongeschikt vervoermiddel is. Talloze leeftijdgenoten van eiser hebben zich over dezelfde begrijpelijke schaamte heen moeten zetten en dragen incontinentiemateriaal. Ook van eiser mag zulks gevergd worden.

Ook overigens is eiser in staat te achten van de Stadstaxi gebruik te maken. De vering is niet minder dan bij een gewone auto en bij het instappen kan zonodig hulp worden geboden. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek en het oordeel van de geneeskundige Zielhuis. De medische situatie ten tijde van een vorige beroepszaak in 1994 legt in de huidige zaak geen gewicht in de schaal.

Medisch gezien is er derhalve geen grond de voormalige autokostenvoorziening te blijven voortzetten.

Toepasselijkheid/verbindendheid van de Verordening en de rechtszekerheid.

Ingevolge de WVG dient het gemeentebestuur gehandicapten door middel van vervoersvoorzieningen in staat te stellen deel te nemen aan het maatschappelijk leven. De WVG geeft aan gemeentebesturen daarbij de ruimte door middel van een verordening eigen oplossingen te kiezen en een eigen beleid te voeren. Uiteraard mogen gemeentebesturen hun beleid en hun regels desgewenst wijzigen, mits ze binnen de grenzen van de wet blijven.

Artikel 3.3.1 van de Verordening, inhoudende dat een tegemoetkoming in de extra vervoerskosten (bijvoorbeeld door gebruik van eigen auto) slechts wordt verstrekt indien op medische gronden niet van de Stadstaxi gebruik kan worden gemaakt – ook wel het primaat van de Stadstaxi genoemd - blijft binnen de in de WVG gestelde grenzen. Gehandicapten blijven immers onder dit artikel niet verstoken van vervoersmogelijkheden; ze houden recht op een vervoersvoorziening, alleen in een andere vorm.

Wijzigen van de Verordening mag ook als bepaalde mensen daardoor in een minder gunstige positie geraken dan onder de oude regeling. Het is dus niet zo dat een gewijzigde regeling alleen maar zou mogen gelden voor de nieuwe gevallen.

De rechtbank sluit met dit oordeel aan bij de uitspraak van de CRvB d.d. 29 oktober 1996, JSV 1997/29. Uit oogpunt van rechtszekerheid en zorgvuldigheid is soms voor de “oude gevallen” een overgangsregeling geboden. Ook moeten de betrokkenen tijdig worden geïnformeerd. Aan deze vereisten is in casu voldaan.

Hardheidsclausule.

Zowel verweerder als de rechter moeten zich aan de (gewijzigde) wettelijke regels en dus aan de Verordening houden. Verweerder moet de keuzen die in de Verordening zijn gemaakt respecteren en heeft dit in dit geval ook gedaan. Slechts in bijzondere gevallen kan worden afgeweken (artikel 8). Noch het feit dat eiser jarenlang wel een financiële tegemoetkoming heeft genoten, noch zijn leeftijd maken eisers geval bijzonder. Bovendien is het geleidelijk afbouwen van de financiële tegemoetkoming onder aanbieding van andere vervoersvoorzieningen geen onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 8 van de Verordening.

Kostenbesparing.

Verweerder hoeft niet bij een besluit in een individueel geval aan te tonen, dat dat besluit tevens tot kostenbesparing leidt, zoals eiser wil. Kostenbesparing is geen voorwaarde voor toekenning van een bepaalde verstrekking. De omstandigheid dat de Stadstaxipas plus een scootermobiel waarop eiser recht zou hebben samen meer kosten dan eisers autokostenvergoeding geeft verweerder niet de vrijheid van het in de Verordening gestelde primaat van de Stadstaxi af te wijken. Overigens heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting opgemerkt, dat het primaat van de Stadstaxi ingegeven was door budgettaire overwegingen. Dat dat in een individueel geval anders zou kunnen uitpakken, betekent nog niet, dat de regel buiten toepassing moet blijven.

EVRM.

Tenslotte acht de gemachtigde van eiser het besluit de jarenlang genoten tegemoetkoming stop te zetten in strijd met artikel 1 van het eerste Protocol bij het EVRM.

In dat artikel staat onder meer: “Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden in de wet voorzien en in de algemene beginselen van internationaal recht”.

De rechtbank is primair van oordeel dat de tegemoetkoming van eiser geen eigendom is als hier bedoeld. Van een recht op ongestoord genot van eigendom dat artikel 1 beoogt te schermen is immers geen sprake, aangezien de gelden worden gegeven ter dekking van reeds gemaakte of nog te maken autokosten. Dit is een verschil met verzekeringsuitkeringen op grond van de AAW en de ANW die volgens de jurisprudentie wel als eigendom in de zin van artikel 1 gelden. Deze laatste uitkeringen beogen aan de rechthebbenden middelen te verschaffen, die zij vrijelijk kunnen besteden. Het zijn bovendien uitkeringsrechten die voortvloeien uit een (volks)verzekering. Zij hebben daardoor een ander karakter dan de om niet gegeven voorziening zoals in casu aan de orde.

Subsidiair overweegt de rechtbank, dat indien wel van eigendom in de zin van artikel 1 sprake zou zijn, het de vraag is of er sprake is van ontneming. Immers, de vervoersvoorziening wordt eiser niet ontnomen maar in een andere vorm voortgezet.

Daargelaten of van ontneming sprake is, is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de vereisten voor een ontneming, zoals in de jurisprudentie ontwikkeld.

Het primaat van de Stadstaxi is “in de wet (de WVG) voorzien”. Aan de wetgever en met hem aan het gemeentebestuur komt een “wide margin of appreciation” toe bij de wijze waarop zij de vervoersvoorziening voor gehandicapten willen vormgeven. Buiten deze marge is met het primaat van de Stadstaxi niet getreden. Voorts is het primaat met het oog op het algemeen belang - bezuiniging en een eenvoudiger aanbod in plaats van een keur van individuele voorzieningen - in het leven geroepen. Of het systeem als geheel inderdaad op den duur voordeliger is, nu als aanvulling nogal eens dure scootermobielen worden verstrekt, zal de tijd wel leren. Het is in ieder geval in het algemeen belang, het systeem met de Stadstaxi een kans te geven en zo te pogen de kosten voor de vervoersvoorzieningen daarmee in de hand te krijgen.

Het door de wetgever beoogde doel, te weten het voorzien in vervoer voor gehandicapten, wordt zeker ook middels de Stadstaxi, zo nodig aangevuld met een scootermobiel, bereikt.

Gelet op het bovenstaande is voldaan aan de vereisten van fair balance en het proportionaliteitsbeginsel zoals in de jurisprudentie bij artikel 1 ontwikkeld.

Eisers beroep op het EVRM en het eerste Protocol kan derhalve niet slagen.

Op grond van het vorenoverwogene beantwoordt de rechtbank de in de aanvang van deze rubriek gestelde vraag bevestigend. Het beroep is ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mw. mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2002 in tegenwoordigheid van mw. Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op