Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2002:AE6911

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
15-08-2002
Datum publicatie
14-10-2002
Zaaknummer
AWB 01/1264 WAO/WAZ Z S
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meerdere bedrag (nl. franchise van ƒ 20.000,- overtreffend) aan desinvesteringsbijtelling dient bij bepaling van de hoogte van eiseres inkomen uit arbeid i.h.k.v. het Inkomensbesluit WAZ buiten beschouwing te worden gelaten.

Verweerder heeft eiser medegedeeld diens WAO- en WAZ-uitkering gedurende 1 januari 1999 tot 1 januari 2000 niet uit te betalen in verband met inkomsten uit arbeid in voormelde periode.

Rechtbank: In de uitspraak van de CRvB van 2 januari 2002, zaaknr. 99/4263, LJN: url(''AE0501'',../../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=AE0501) , is geoordeeld dat als door de betrokkene de keuze is gemaakt om fiscaal in de winst een bedrag als desinvesteringsbijtelling en niet als stakingswinst op te nemen, in het kader van een anticumulatie als daar en ook thans aan de orde, de betreffende bijtelling terecht door verweerder niet is uitgezonderd bij de vaststelling van de inkomsten uit arbeid.

De Raad is er daarbij van uitgegaan dat in de Wet IB 1964 een duidelijke onderscheid aanwijsbaar is in de regeling van de zogenaamde stakingswinst en de desinvesteringsbijtelling.

De rechtbank heeft dit onderscheid in zó absolute zin, dat onder het begrip stakingswinst in art. 57.1.b Wet IB 1964 niet de desinvesteringsbijtelling is te rekenen, noch in de Wet IB noch in de literatuur kunnen aantreffen.

Evenals de Raad onderkent de rechtbank dat een zeer duidelijke samenhang bestaat tussen de bijtelling en de zogenoemde investeringsaftrek en is van oordeel dat het dan ook alleszins redelijk zou zijn als bij de bepaling van de inkomsten uit arbeid in het kader van de toepassing van art. 58 WAZ wél rekening zou worden gehouden met (meerdere) bedrag aan investeringsbijtelling, om te voorkomen dat anticumulatie voor betrokkene dubbel gunstig uitvalt (althans kan uitvallen), nl. zowel in de jaren waarin bij de hoogte van de winst rekening wordt gehouden met de investeringsaftrek en de winst dus lager uitvalt, als in het jaar waarin sprake is van staking c.q. vervreemding van het bedrijf en de tengevolge van de desinvesteringsbijtelling hoger uitvallende winst buiten beschouwing moet blijven.

Nu evenwel in art. 2.2 Inkomensbesluit WAZ op dit punt geen enkele nuancering valt te lezen en de desinvesteringsbijtelling naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar onderdeel uitmaakt van de winst, behaald met of bij het staken van een onderneming a.b.i. art. 57 Wet IB 1964, concludeert de rechtbank dat verweerder ook het meerdere bedrag aan desinvesteringsbijtelling ad ƒ 19.819,- bij de bepaling van de hoogte van eisers inkomen uit arbeid buiten beschouwing had moeten laten.

Raad van bestuur van het UWV, verweerder.

mr. J.J. Szauer-Bos

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 01/1264 WAO/WAZ Z S

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde: A.A.B. van Gurp, accountant-administratieconsulent Kroese Wevers te Deventer,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverze-keringen (UWV), gevestigd te Amsterdam (uitvoeringsinstelling: UWV GAK, kantoor Apeldoorn), als rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 15 november 2001, nummer B&B 94902023/fw 138694576.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 11 juli 2001 heeft verweerder besloten eisers uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) niet uit te betalen in verband met inkomsten uit arbeid over de periode van 1 januari 1999 tot 1 januari 2000. Bij besluit van 11 juli 2001 heeft verweerder besloten eisers uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) eveneens niet uit te betalen in verband met inkomsten uit arbeid over voornoemde periode.

Bij besluit van 18 juli 2001 heeft verweerder hetgeen eiser gedurende de periode van 1 februari 1999 tot 1 januari 2000 ten onrechte aan WAO- en WAZ-uitkering is uitbetaald ad f 23.832,17 (€ 10.814,57) bruto en inclusief overhevelingstoeslag van eiser teruggevorderd.

Namens eiser is op 20 juli 2001 bezwaar aangetekend tegen de besluiten van 11 juli 2001. Eiser en zijn gemachtigde hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid het bezwaarschrift nader toe te lichten tijdens een hoorzitting.

Bij het besluit van 15 november 2001 heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiser is tegen dit besluit op 22 november 2001 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 21 december 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 27 juni 2002 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. A.Kreijkes, werkzaam bij Kroese Wevers te Deventer.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.L.M. Liesting, werkzaam bij UWV GAK, kantoor Apeldoorn.

3. Motivering

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten eisers WAO- en de WAZ-uitkering over de periode van 1 februari 1999 tot 1 januari 2000 niet uit te betalen.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze laatste vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is sedert 1 januari 1991 werkzaam geweest als zelfstandig transportondernemer/ chauffeur in een VOF met zijn echtgenote. Eiser heeft zich vrijwillig verzekerd voor de WAO. Per 1 januari 1999 is deze VOF omgezet in een B.V. met eiser als directeur/grootaandeelhouder (X B.V.). In 1996 is eiser samen met zijn broer een tweede bedrijf gestart. Dit bedrijf houdt zich bezig met de recycling van kunstgras. Eiser is eveneens directeur /grootaandeelhouder van dit bedrijf, Y B.V..

Op 2 februari 1998 is eiser gedeeltelijk ongeschikt geworden tot het verrichten van zijn werkzaamheden. Eiser is gedurende een onafgebroken periode van 52 weken arbeidsongeschikt geweest. In aansluiting hierop heeft verweerder eiser met ingang van 1 februari 1999 een WAO- en een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Naar aanleiding van door eiser overgelegde jaarstukken en de belastingaangifte over het jaar 1999 heeft verweerder de hiervoor onder de feiten genoemde besluiten van 11 juli 2001 (en het door eiser niet bestreden besluit van 18 juli 2001) genomen.

3.1. Wettelijk kader

Indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, wordt ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a van de WAO en artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a van de WAZ, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid van de WAO, respectievelijk artikel 2, vierde lid van de WAZ, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering niet betaald, indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid van de WAO, respectievelijk artikel 2, vierde lid van de WAZ, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%, respectievelijk 25%.

In artikel 2, tweede lid, van het Inkomensbesluit WAZ is bepaald dat onder winst niet worden verstaan de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 57, eerste lid, onder a, b en c van de (inmiddels vervallen) Wet op de Inkomstenbelasting 1964, hierna te noemen: Wet IB 1964.

3.2. Beoordeling van het beroep

De rechtbank stelt voorop dat zij ervan uitgaat dat vorenbedoeld Inkomensbesluit WAZ, welk besluit berust op artikel 8, achttiende lid, van de WAZ, evenals het vroegere Inkomensbesluit AAW overeenkomstige toepassing vindt bij een anticumulatie op grond van artikel 58 van de WAZ als hier aan de orde.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser betoogd dat op grond van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964, welke (inmiddels ingetrokken) wet ten tijde hier van belang van toepassing was, een desinvesteringsbijtelling in verband met het staken van een onderneming tot de stakingswinst behoort en als zodanig in aanmerking komt voor de stakingsvrijstelling. Hij heeft er op gewezen dat dit impliciet ook door verweerder is erkend, omdat verweerder slechts rekening heeft gehouden met het bedrag aan desinvesteringsbijtelling dat resteerde na aftrek van de stakingsvrijstelling.

Verder heeft hij aangevoerd dat de door verweerder genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 januari 2002, nr. 99/4263 AAW in casu niet van toepassing is, omdat in de aangifte van de heer A duidelijk is gekozen om een bedrag aan stakingswinst fiscaal in de winst op te nemen.

De rechtbank stelt vast dat uit de literatuur blijkt dat onder stakingswinst moet worden verstaan dat gedeelte van de totale winst van het jaar dat ten gevolge van staking van een onderneming tot uitdrukking is gekomen.

In casu is sprake van het staken van de VOF, welke is overgedragen aan X B.V. Bij een dergelijke overgang zijn blijkens de literatuur alle daarop betrekking hebbende bepalingen als bijvoorbeeld stakingsvrijstelling en desinvesteringsbijtelling van toepassing.

Aldus bezien kan de rechtbank eisers gemachtigde volgen in diens standpunt dat de desinvesteringsvrijstelling kan worden gekwalificeerd als stakingsresultaat.

Desinvesteringsbijtelling vindt plaats als binnen vijf jaar na aanvang van het kalenderjaar waarin de investering in bijvoorbeeld een bedrijfsmiddel heeft plaats gevonden het bedrijfsmiddel wordt vervreemd, bijvoorbeeld door staking c.q. overgang van een bedrijf. Het percentage van de bijtelling is gelijk aan dat van de aftrek welke ten tijde van de investering is toegepast.

In artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d van de Wet IB 1964 is, voor zover hier relevant, bepaald dat niet tot de winst uit onderneming behoren : voordelen, behaald met of bij het staken van een onderneming tot een bedrag van (ten tijde hier van belang) f 20.000,-.

Verweerder heeft derhalve terecht bij de bepaling van de hoogte van eisers inkomsten uit arbeid in het jaar 1999 evenbedoeld zogenoemd franchisebedrag buiten beschou-wing gelaten.

Eiser heeft in zijn belastingaangifte over 1999 bij de post “Winst uit onderneming” onder het hoofdje “stakingsresultaat” een bedrag ad f 39.819,-- opgevoerd als ‘desinvesteringsbijtelling’.

Eisers standpunt dat hij aldus nadrukkelijk heeft gekozen een bedrag als stakingswinst fiscaal in de winst op te nemen deelt de rechtbank niet. Eiser heeft er immers juist voor gekozen om het door hem onder de post stakingsresultaat opgevoerde bedrag ad f 39.819,- de kwalificatie “desinvesteringsbijtelling” te geven en dit zal, gelet op hetgeen in de Wet IB 1964 in artikel 11a te dien aanzien is bepaald, niet zonder reden zijn gebeurd.

Rest derhalve de vraag of moet worden gezegd dat deze desinvesteringsbijtelling, waarvan de rechtbank uit de literatuur is gebleken dat deze onmiskenbaar deel uit maakt van de stakingswinst c.q. het stakingsresultaat, op grond van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van het Inkomensbesluit WAZ bij de bepaling van de hoogte van eisers inkomsten uit arbeid volledig buiten beschouwing moet worden gelaten.

Evenbedoeld artikel verwijst –voor zover hier van belang-naar het tweede lid onder b juncto het eerste lid van artikel 57 van de wet IB 1964, waarin is bepaald dat een –afwijkend- tarief van 45% geldt voor het totaal van de in dat lid genoemde bestanddelen, waaronder winst behaald met of bij het staken van een onderneming. Uit de literatuur blijkt dat het hier gaat om de met of bij het staken behaalde winst voor zover deze de franchise van f 20.000 overtreft. Dit (meerdere) deel van de stakingswinst behoort voor de toepassing van de Wet IB 1964 dus wél tot de winst uit onderneming, maar wordt, gelet op de tekst van artikel 2, tweede lid, van het Inkomensbesluit WAZ voor de toepassing van (in elk geval artikel 8) van de WAZ niet als zodanig aangemerkt.

In de hiervoor reeds genoemde uitspraak van 2 januari 2002, nr. 99/4263 heeft de Centrale Raad van Beroep ( op basis van het gelijkluidende Inkomensbesluit AAW) geoordeeld dat als door de betrokkene de keuze is gemaakt om fiscaal in de winst een bedrag als desinvesteringsbijtelling en niet als stakingswinst op te nemen, in het kader van een anticumulatie als daar en ook thans aan de orde, de betreffende bijtelling terecht door verweerder niet is uitgezonderd bij de vaststelling van de inkomsten uit arbeid.

De Centrale Raad is er daarbij van uitgegaan dat in de Wet IB 1964 een duidelijk onderscheid aanwijsbaar is in de regeling van de zogenaamde stakingswinst en de desinvesteringsbijtelling.

Zoals eerder in deze uitspraak overwogen heeft de rechtbank dit onderscheid in zó absolute zin, dat onder het begrip stakingswinst in artikel 57, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 1964 niet de desinvesteringsbijtelling is te rekenen, noch in de Wet IB noch in de literatuur kunnen aantreffen.

De rechtbank onderkent evenals de Centrale Raad van Beroep dat een zeer duidelijke samenhang bestaat tussen evenbedoelde bijtelling en de zogenoemde investeringsaftrek en is van oordeel dat het dan ook alleszins redelijk zou zijn als bij de bepaling van de inkomsten uit arbeid in het kader van de toepassing van artikel 58 van de WAZ wél rekening zou worden gehouden met het (meerdere) bedrag aan investeringsbijtelling, om te voorkomen dat anticumulatie voor betrokkene dubbel gunstig uitvalt (althans kan uitvallen), n.l. zowel in de jaren waarin bij de hoogte van de winst rekening wordt gehouden met de investeringsaftrek en de winst dus lager uitvalt, als in het jaar waarin sprake is van staking c.q. vervreemding van het bedrijf en de tengevolge van de desinvesteringsbijtelling hoger uitvallende winst buiten beschouwing moet blijven.

Nu evenwel in meerbedoeld artikel 2, tweede lid, van het Inkomensbesluit WAZ op dit punt geen enkele nuancering valt te lezen en de desinvesteringsbijtelling naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar onderdeel uitmaakt van de winst, behaald met of bij het staken van een onderneming als bedoeld in artikel 57 van de Wet IB 1964, is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat verweerder ook het meerdere bedrag aan desinvesteringsbijtelling ad f 19.819,- bij de bepaling van de hoogte van eisers inkomen uit arbeid buiten beschouwing had moeten laten.

De rechtbank merkt in dit kader ten overvloede nog op dat dit in het onderhavige geval, waar eiser eerst met ingang van 1 februari 1999 uitkering krachtens de WAO|WAZ ontvangt, ook niet leidt tot het genieten van een “dubbel voordeel” als hiervoor bedoeld.

De in geding zijnde vraag wordt, gelet op het vorenoverwogene, bevestigend beantwoord en het bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet (Awb) bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking omdat het een deugdelijke motivering ontbeert.

De rechtbank heeft aanleiding gevonden om met gebruikmaking van haar bevoegdheid op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt.

De rechtbank acht het voorts, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, bestaande uit de kosten terzake van rechtsbijstand.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verstaat dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- gelast dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 27,23 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 644 terzake van de kosten van rechtsbijstand;

- wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt, te betalen aan eiser.

Gewezen door mw. mr. J.J. Szauer-Bos in tegenwoordigheid van C. Kuiper als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2002 in tegenwoordigheid van mw. W. Veldman als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op