Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2002:AE4980

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
08-07-2002
Datum publicatie
09-07-2002
Zaaknummer
175544 VV 02-25
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 668a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2002/197 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp
KG 2002, 216
JAR 2002, 197

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E

sector kanton - locatie Zwolle

zaaknr.: 175544 VV 02-25

datum : 8 juli 2002

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiseres]

wonende te Zwolle

eiseres, hierna aangeduid als werkneemster,

gemachtigde mr. L.J.H.M. Achten, advocaat te (8000 GB) Zwolle, Postbus 1278,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SODEXHO B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagde, hierna aangeduid als werkgeefster,

gemachtigde mr. J.J. Willemsen, advocaat te (3000 BC) Rotterdam, Postbus 1100.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het dagvaardingsexploot d.d. 11 juni 2002

- een brief van mr. Achten d.d. 19 juni 2002 met producties.

De mondelinge behandeling is gehouden op 24 juni 2002.

Verschenen zijn:

- werkneemster met haar gemachtigde

- werkgeefster bij haar personeelsfunctionaris B.W. Nieuwenhuizen en haar gemachtigde voornoemd.

Het geschil

Werkneemster vordert bij wege van voorlopige voorziening om werkgeefster, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € Euro 1441,67 bruto loon met vakantietoeslag over de periode van 9 maart tot 1 juni 2002, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente, en tot doorbetaling van loon van tenminste € Euro 444,96 bruto per maand vanaf juni 2002 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, met afgifte van bruto-nettospecificaties op straffe van een dwangsom en onder veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

Volgens werkgeefster is de arbeidsovereenkomst op 9 maart 2002 van rechtswege geëindigd, zodat de vordering moet worden afgewezen.

De beoordeling

1.

Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, het volgende vast.

1. Werkneemster is op 10 september 2001 voor bepaalde tijd tot en met 9 maart 2002 als cateringmedewerkster B in dienst getreden bij werkgeefster, voorheen geheten Van Hecke B.V., voor 14 uur per week en tegen een salaris van € Euro 444,96 bruto exclusief vakantietoeslag, blijkens het arbeidscontract per 4 weken.

2. Werkgeefster heeft deze arbeidsovereenkomst niet verlengd.

3. Op deze arbeidsovereenkomst is de CAO voor de Contractcateringbranche van toepassing.

4. Voor indiensttreding bij werkgeefster werkte werkneemster via uitzendbureau Tempo Team bij verschillende inleners, onder wie Van Hecke/Sodexho op onder meer de locatie Wärtsilä. Ook na indiensttreding bij werkgeefster is werkneemster voor 31/2 uur per week via Tempo Team blijven werken bij inlener Twickel. Op de overeenkomst tussen werkneemster en Tempo Team is de CAO voor Uitzendkrachten van toepassing (de ABU-CAO). Art. 11 daarvan bepaalt dat de uitzendovereenkomst van rechtswege geacht wordt te zijn overeengekomen voor onbepaalde tijd, indien en zodra de uitzendkracht 18 maanden aaneengesloten voor een en dezelfde inlener uitzendarbeid heeft verricht.

5. Per 7 januari 2002 is werkneemster arbeidsongeschikt geraakt, en zij is nog niet hersteld.

2.

Volgens werkneemster is haar arbeidsovereenkomst met werkgeefster niet van rechtswege geëindigd na afloop van de bepaalde tijd, omdat op grond van art. 7:667, vierde lid, BW voorafgaande opzegging was vereist.

Daartoe voert zij aan dat werkgeefster op de voet van het vijfde lid van voormeld wetsartikel beschouwd moet worden als de opvolgster van Tempo Team, nu zij hetzelfde werk is blijven doen dat zij voordien op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd voor het uitzendbureau heeft verricht.

Zij heeft immers vanaf week 20 van 1999 tot 10 september 2001 voor Tempo Team bij Van Hecke gewerkt.

3.

Werkgeefster betwist dat zich de situatie van art. 7:667, vierde lid, BW voordoet. De uitzendovereenkomst is niet (anders dan door opzegging of ontbinding door de rechter) geëindigd. De uitzendovereenkomst geldt voorts niet voor onbepaalde tijd, omdat uit het door werkneemster verstrekte overzicht geenszins blijkt van één en dezelfde opdrachtgever gedurende 18 aaneengesloten maanden. Er waren meerdere inleners. Bovendien bepaalt art. 7, tweede lid, van de CAO voor de Contractcateringbranche dat een voorafgaande uitzendrelatie met dezelfde werknemer niet wordt meegerekend in de keten, bedoeld in art. 7:668a BW.

4.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter snijdt het op art.7:668a toegespitste verweer geen hout. Dat artikel gaat immers over de vraag wanneer elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten (al dan niet met elkaar opvolgende werkgevers) leiden tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Van die wettelijke regeling kan bij CAO worden afgeweken, maar in dit geval beroept werkneemster zich op een andere CAO die meebrengt dat binnen haar arbeidsverhouding met het uitzendbureau al een overeenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen, die in tijd voorafgaat aan de daarop gevolgde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met werkgeefster. Is er eenmaal een overeenkomst voor onbepaalde tijd met Tempo Team, dan kan een latere overeenkomst met werkgeefster die status niet wijzigen.

5.

De vraag is echter of er een uitzendovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen werkneemster en Tempo Team was op de voet van art. 11 van de ABU-CAO. Terecht heeft werkgeefster gewezen op de andere inleners, waarbij werkneemster in de bewuste periode werkte. Bovendien vraagt de kantonrechter zich af of sprake is van een aaneengesloten periode van 18 maanden. In het overzicht ontbreken werkzaamheden voor Van Hecke in de weken 22, 23, 30-35, 40-43, 50-51 in 1999 en de weken 5, 17-18, 30-35, 39 en 43 over 2000. In 2001 bedroeg het gemiddelde aantal uren per week voor Van Hecke meer dan 10, terwijl in de jaren ervoor tot medio 2000 vaak niet meer dan 2 tot 4 uur per week voor deze inlener werd gewerkt.

Voorshands is de kantonrechter van oordeel dat onvoldoende vaststaat dat de uitzendovereenkomst is verkeerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op de voet van art. 11 van de ABU-CAO.

6.

Maar zelfs als dat wel zou moeten worden aangenomen, dan is de volgende vraag of de daarop volgende arbeidsovereenkomst met werkgeefster valt onder de werking van art. 7:667, vierde en vijfde lid, BW. Is die uitzendovereenkomst -ten aanzien van de werkzaamheden bij Van Hecke/Sodexho- niet rechtsgeldig opgezegd? Hierover ontbreekt informatie van werkneemster, die daaromtrent niets gesteld heeft. Vast staat wel dat er nog steeds een uitzendovereenkomst is met hetzelfde uitzendbureau ten behoeve van andere inleners.

Moet Sodexho 'redelijkerwijs' geacht worden ten aanzien van de verrichte arbeid de opvolger te zijn van Tempo Team, terwijl haar eigen CAO -weliswaar in een andere, maar toch aanpalende kwestie- het snoer doorsnijdt waarmee een ketting wordt gemaakt die moet leiden tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met de laatste werkgever?

De kantonrechter is van oordeel dat het antwoord op deze vragen niet zo duidelijk is, dat aangenomen moet worden dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst met werkgeefster had moeten worden opgezegd (hetgeen niet rechtsgeldig kon tijdens ziekte).

7.

Het voorgaande brengt mee dat in kort geding de gevorderde voorziening moet worden geweigerd.

Werkneemster wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De beslissing bij wege van voorlopige voorziening

De kantonrechter:

- wijst de vordering van werkneemster af;

- veroordeelt werkneemster in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van werkgeefster vastgesteld op €€ Euro 360,00 voor salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, kantonrechter te Zwolle, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 8 juli 2002, in tegenwoordigheid van G.H. van der Heide als griffier.