Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2002:AE3236

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
06-05-2002
Datum publicatie
30-05-2002
Zaaknummer
AWB 01/1387
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 22 Wet individuele huursubsidie verplicht belanghebbenden tot het gedurende 5 jaar doorgeven van adreswijzigingen aan verweerder.

De rechtbank is, in navolging van de ABRS bij uitspraak van 15 augustus 2001, JSV 2001/183, en anders dan de rechtbank eerder heeft uitgesproken, van oordeel dat verweerders besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Een bestuursorgaan mag er in beginsel vanuit gaan dat een opgegeven correspondentieadres juist is. Gebleken noch voldoende aannemelijk gemaakt is dat eiser een adreswijziging aan verweerders ministerie heeft gestuurd. Verweerder had derhalve ten tijde van het verzenden van het besluit van 7 april 2000 (inzake hervaststelling en terugvordering huursubsidie tijdvak 1-7-96/1-7-97) geen reden om aan te nemen dat eiser niet meer op het opgegeven adres te Leiden woonachtig zou zijn.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser niet in verzuim is geweest wat betreft het te laat indienen van bezwaar. Eiser had zich er, gelet op bij de aanvraag verstrekte informatie, rekenschap van behoren te geven dat een achteraf gebleken feitelijke inkomenssituatie, anders dan bij de aanvraag voorzien, zou kunnen leiden tot een hervaststelling van de aanspraak op huursubsidie over het betreffende tijdvak. Reeds met het oog op een mogelijke hervaststelling (gevolgd door terugvordering) binnen vijf jaar na afloop van enig tijdvak, waarvoor art. 22 van de Wet individuele huursubsidie (Wih) de grondslag vormt, kan dan ook niet gesteld worden dat van enige relatie tussen eiser en verweerders ministerie geen sprake (meer) was. Eiser had er niet op mogen vertrouwen dat hij geen nadere berichten meer van verweerder zou ontvangen en had om die reden verweerder van zijn adreswijziging in kennis dienen te stellen. Door zulks na te laten heeft eiser het risico genomen dat besluiten van verweerder niet aan zijn actuele woonadres werden verzonden met als consequentie daarvan het niet tijdig (kunnen) indienen van bezwaar hiertegen.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 01/1387

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder,

gemachtigde mw mr. A.M.M. Stevens, advocaat te Den Haag.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 27 november 2001.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 7 april 2000 heeft verweerder de bij besluit van 27 september 1996 aan eiser toegekende huursubsidie over het tijdvak 1 juli 1996 – 1 juli 1997 gewijzigd, in die zin dat het bedrag van de huursubsidie van ƒ 4.764,- naar ƒ 2.844,- is teruggebracht, alsmede teveel verleende huursubsidie ad ƒ 1.920,- teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 15 september 2000 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend, welk bezwaarschrift verweerder bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Bij brief van 17 december 2001 heeft eiser tegen laatstbedoeld besluit beroep ingesteld. Desgevraagd heeft verweerder op 14 februari 2002 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is, gevoegd met enkele vergelijkbare beroepszaken, ter zitting behandeld op 26 april 2002, alwaar eiser niet is verschenen en verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. J.C.A. Stevens, kantoorgenoot van gemachtigde voornoemd.

3. Motivering

In geding is of het besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaarschrift van eiser in rechte stand kan houden.

Verweerder is tot het bestreden besluit gekomen op grond van de overwegingen dat het bezwaarschrift van eiser is ingediend na het verstrijken van de daarvoor ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldende termijn van zes weken na bekendmaking van het besluit waartegen het is gericht en dat de termijnoverschrijding niet op grond van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar is. Laatstgenoemde overweging baseert verweerder op het standpunt dat de termijnoverschrijding het gevolg is van een verzuim van eiser, erin gelegen dat eiser verweerder niet in kennis heeft gesteld van de adreswijziging wegens verhuizing van X naar B, tengevolge waarvan eiser het primaire besluit van 7 april 2000 –dat door verweerder op 6 september 2000 opnieuw is toegezonden aan het huidige woonadres van eiser– niet eerder dan op 10 september 2000 heeft ontvangen en daardoor te laat bezwaar heeft gemaakt.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij heel zeker weet dat hij zijn nieuwe adres heeft doorgegeven aan verweerders ministerie en in zoverre dus niet in verzuim is geweest.

De rechtbank is, in navolging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 15 augustus 2001, JSV 2001/183 [red: url('AE3239',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=34428)], en anders dan de rechtbank eerder heeft uitgesproken, van oordeel dat verweerders besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Een bestuursorgaan mag er in beginsel vanuit gaan dat een opgegeven correspondentieadres juist is. Gebleken noch voldoende aannemelijk gemaakt is

dat eiser een adreswijziging aan verweerders ministerie heeft gestuurd. Verweerder had derhalve ten tijde van het verzenden van het besluit van 7 april 2000 geen reden om aan te nemen dat eiser niet meer op het opgegeven adres te Leiden woonachtig zou zijn. Verweerder mocht er dan ook van uitgaan dat dit adres juist was. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat het besluit van 7 april 2000 op de in artikel 3:41, eerste lid van de Awb voorgeschreven wijze aan eiser is bekendgemaakt.

Hiervan uitgaande staat vast dat het bezwaarschrift van eiser is ingediend na het verstrijken van de ingevolge de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb geldende termijn.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser niet in verzuim is geweest wat betreft het te laat indienen van bezwaar.

Eiser had zich er, gelet op bij de aanvraag verstrekte informatie, rekenschap van behoren te geven dat een achteraf gebleken feitelijke inkomenssituatie, anders dan bij de aanvraag voorzien, zou kunnen leiden tot een hervaststelling van de aanspraak op huursubsidie over het betreffende tijdvak. Zulks gegeven het feit dat redengevend is voor de toekenning van huursubsidie een verhouding tussen de hoogte van de huur en de hoogte van het inkomen, alsmede gelet op het feit dat ten tijde van de aanvraag door de aanvrager een verwachting wordt uitgesproken omtrent de ontwikkeling van het inkomen over opeenvolgende kalenderjaren en daarmee omtrent het voor het desbetreffende tijdvak in aanmerking te nemen inkomen.

Door eiser is voorts bij het aanvraagformulier verklaard dat hij, als blijkt dat (een deel van) de huursubsidie, aan de hand van later gebleken inkomensgegevens, ten onrechte is toegekend, het teveel toegekende terug zal betalen.

Reeds met het oog op een mogelijke hervaststelling (gevolgd door terugvordering) binnen vijf jaar na afloop van enig tijdvak, waarvoor artikel 22 van de Wet individuele huursubsidie de grondslag vormt, kan dan ook niet gesteld worden dat van enige relatie tussen eiser en verweerders ministerie geen sprake (meer) was. Eiser had er niet op mogen vertrouwen dat hij geen nadere berichten meer van verweerder zou ontvangen en had om die reden verweerder van zijn adreswijziging in kennis dienen te stellen.

Door zulks na te laten heeft eiser het risico genomen dat besluiten van verweerder niet aan zijn actuele woonadres werden verzonden met als consequentie daarvan het niet tijdig (kunnen) indienen van bezwaar hiertegen.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het beroep ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mw mr. M.H.P. Beukelman en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2002 in tegenwoordigheid van A.H. Rijkens als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

afschrift verzonden op