Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2002:AE0743

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
13-03-2002
Datum publicatie
05-04-2002
Zaaknummer
AWB 01/4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stamrechtuitkering is aanvulling op loondervingsuitkering die niet valt onder art. 7.2.b Inkomensbesluit Toeslagenwet.

Toekenning toeslag ad ƒ 16,80 per week. Eisers dienstbetrekking is door de kantonrechter ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan eiser van ƒ 65.000,- bruto, ten laste van zijn werkgever. De werkgever heeft dit bedrag betaald aan Zürich Leven voor een stamrecht, waaruit eiser een uitkering ontvangt over de periode 1 juli 1996 tot 1 juli 2007 van ƒ 649,- per maand.

Eiser meent dat deze stamrechtuitkering niet gezien kan worden als inkomen in verband met arbeid, maar als inkomen uit vermogen.

Rechtbank: Eisers stamrechtuitkering moet gezien worden als een aanvulling op een loondervingsuitkering die niet valt onder art. 7, lid 2, sub b van het Inkomensbesluit Toeslagenwet, nu er geen sprake is van een eenmalige uitkering die aan een werknemer in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking wordt betaald. Vaststaat immers dat de door de kantonrechter toegekende ontbindingsvergoeding door de werkgever is betaald aan de verzekeringsmaatschappij en niet aan eiser. Juist door deze wijze van betaling geniet eiser - naar tussen partijen niet in geschil is - een fiscaal voordeel daarin bestaande dat hij niet naar bijzonder tarief belasting behoefde te betalen over de ontbindingsvergoeding. Het gaat dan niet aan dat eiser thans ten opzichte van verweerder volhoudt dat wèl sprake was van een eenmalige uitkering.

Beroep ongegrond.

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

mrs. F.G. van Arem, L.E.C. van Rijckevorsel-Besier, W.J.B. Cornelissen

Wetsverwijzingen
Toeslagenwet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Meervoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 01/4

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mw. mr. K.J.M. Kuijpers, juridisch medewerkster bij Rechtshulp CNV te Hilversum,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen (UWV) gevestigd te Amsterdam (uitvoeringsinstelling: UWV Cadans), als rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 29 november 2000, nummer B&B/A/2000.58607/JH.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 23 juni 2000 heeft verweerder besloten eiser een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (verder te noemen: de TW) toe te kennen, van ƒ 16,80 per week, in aanvulling op zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

Tegen dit besluit is op 10 juli 2000 een voorlopig bezwaarschrift ingediend, waarna bij schrijven van 3 oktober 2000 de gronden voor het bezwaar zijn aangevuld.

Naar aanleiding van dit bezwaarschrift is op 22 november 2000 een hoorzitting gehouden, waarbij eiser in de gelegenheid is gesteld om het bezwaarschrift mondeling toe te lichten.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Op 2 januari 2001 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden voor het beroep zijn bij schrijven van 5 februari 2001 aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 21 februari 2002 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde, voornoemd.

Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen.

3. Motivering

In geding is de vraag of verweerder op goede gronden tot het besluit heeft kunnen komen eiser ƒ 16,80 per week toeslag ingevolge de TW toe te kennen.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze laatste vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is op 1 april 1986 als verkoper in dienst getreden bij X B.V. te B.

Bij beschikking van 12 juni 1996 heeft de kantonrechter te Lelystad de arbeidsovereenkomst tussen eiser en zijn werkgever met ingang van 15 juni 1996 ontbonden, onder toekenning van een vergoeding aan eiser van ƒ 65.000,-- bruto, ten laste van zijn werkgever. De werkgever heeft dit bedrag betaald aan Zürich Leven voor een stamrecht, waaruit eiser een uitkering ontvangt over de periode van 1 juli 1996 tot 1 juli 2007 van ƒ 649,-- per maand.

Verweerder heeft eiser met ingang van 15 juni 1996 een loongerelateerde uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend.

Op 27 mei 2000 heeft eiser verweerder verzocht hem met ingang van 17 juni 2000 in aanmerking te brengen voor een toeslag ingevolge de TW op zijn Werkloosheidsuitkering.

Bij besluit van 23 juni 2000 heeft verweerder eiser een toeslag toegekend van ƒ 16,80 per week.

Beoordeling van het beroep

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de stamrechtuitkering van eiser gezien moet worden als inkomen in verband met arbeid.

Van de zijde van eiser is aangevoerd dat zijn stamrechtuitkering niet gezien kan worden als inkomen in verband met arbeid, maar aangemerkt moet worden als inkomen uit vermogen. Schadeloosstelling bij de beëindiging van de dienstbetrekking is geen inkomen in verband met arbeid ingevolge het Inkomensbesluit Toeslagenwet (artikel 7, lid 2, sub b). Derhalve dient dit inkomen buiten beschouwing te worden gelaten bij de berekening van de toeslag in de zin van de TW. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat verweerder slechts in het algemeen gesteld heeft dat artikel 7 van het Inkomensbesluit Toeslagenwet van toepassing is, maar niet gesteld heeft op welk alfabetisch onderdeel van dat artikel het standpunt is gefundeerd.

Verweerder is van oordeel dat de stamrechtuitkering moet worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.

Met eiser is de rechtbank van oordeel dat in het bestreden besluit door verweerder niet expliciet verwezen is naar het artikelonderdeel waarop het besluit gebaseerd is, doch dit kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen hierna is overwogen.

Artikel 6, lid 1 van de TW bepaalt kort gezegd dat als inkomen wordt aangemerkt het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven.

In het Inkomensbesluit Toeslagenwet is nader uitgewerkt wat onder inkomen uit arbeid en inkomen in verband met arbeid moet worden verstaan.

In het eerste lid van artikel 7 van het Inkomensbesluit worden de inkomensbestanddelen aangewezen welke als inkomen in verband met arbeid moeten worden aangemerkt. Het gaat hierbij om een limitatieve opsomming van inkomensbestanddelen, waarmee bij de vaststelling van de toeslag volledig rekening wordt gehouden.

In artikel 7, lid 1, sub a, van het Inkomensbesluit is onder meer bepaald dat onder inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven wordt verstaan een loondervingsuitkering in de zin van de wet alsmede een uitkering die naar aard en strekking daarmede overeenkomt.

De toevoeging “die naar aard en strekking daarmede overeenkomt” ziet op uitkeringen op grond van de ‘oude’ Werkloosheidswet, uitkeringen op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening, vergelijkbare uitkeringen voor overheidspersoneel, uitkeringen op grond van de invaliditeitswetten en de ongevallenwetten, vergelijkbare buitenlandse sociale verzekeringsuitkeringen en aanvullingen op loondervingsuitkeringen.

Artikel 7, lid 2, sub b van het Inkomensbesluit Toeslagenwet luidt:

“2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen in verband met arbeid beschouwd:

b. een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beëindiging wordt betaald.”

De rechtbank is van oordeel dat de stamrechtuitkering van eiser gezien moet worden als een aanvulling op een loondervingsuitkering die niet valt onder artikel 7, lid 2, sub b van het Inkomensbesluit Toeslagenwet, nu er geen sprake is van een eenmalige uitkering die aan een werknemer in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking wordt betaald. Vaststaat immers dat de door de kantonrechter toegekende ontbindingsvergoeding door de werkgever is betaald aan de verzekeringsmaatschappij en niet aan eiser. Juist door deze wijze van betaling geniet eiser – naar tussen partijen niet in geschil is – een fiscaal voordeel daarin bestaande dat hij niet naar bijzonder tarief belasting behoefde te betalen over de ontbindingsvergoeding. Het gaat dan niet aan dat eiser thans ten opzichte van verweerder volhoudt dat wèl sprake was van een eenmalige uitkering.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de in de aanhef van deze rubriek opgeworpen vraag bevestigend dient te worden beantwoord.

Het beroep van eiser dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. F.G. van Arem, voorzitter, mw.mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en mr. W.J.B. Cornelissen, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2002

in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op