Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2002:AD9792

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
21-01-2002
Datum publicatie
11-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/645
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen 22 en 29 Wih verplichten belanghebbenden niet tot het gedurende 5 jaar doorgeven van adreswijzigingen aan verweerder.

Bezwaar tegen herziening en terugvordering van huursubsidie 1996/1997 bij besluit d.d. 23 oktober 2000 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Subsidierelatie beëindigd op 1 juli 1997 en sindsdien geen contacten meer tussen eiseres en verweerder.

Verweerder stelt weliswaar - met verwijzing naar het bepaalde in de artikelen 22 en 29 Wet individuele huursubsidie (verder: Wih) - dat het op de weg van eiseres lag om eigener beweging, onder meer, adreswijzigingen door te geven, doch de rechtbank kan dit standpunt niet delen. Daargelaten of redelijkerwijs van eiseres mag worden verwacht van de inhoud van art. 22 Wih op de hoogte te zijn, is naar het oordeel van de rechtbank in elk geval geen enkele steun te vinden voor de stelling van verweerder dat eiseres op grond van deze bepaling - welke zich uitsluitend richt tot verweerder - verplicht zou zijn om gedurende de daarin opgenomen termijn van vijf jaar adreswijzigingen door te geven aan verweerder. Het bestaan van een dergelijke verplichting kan evenmin worden afgeleid uit art. 29 Wih. Een verhuizing als in casu, welke heeft plaatsgevonden op een tijdstip gelegen buiten het in geding zijnde tijdvak, kan niet worden beschouwd als een in het kader van dit artikel relevant gegeven. Nu eiseres de ontvangst van het bestreden besluit op een datum eerder dan 23 december 2000 op een niet ongeloofwaardige wijze heeft ontkend en verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit feitelijk naar een juist adres is verzonden, is niet aannemelijk geworden dat het wijzigingsbesluit van 23 oktober 2000 eerder dan 23 december 2000 door eiseres is ontvangen. Op grond van het zorgvuldigheidsvereiste had het op de weg van verweerder gelegen om voorafgaande aan de toezending van besluit een adresverificatie te doen plaatsvinden.

Nu dat niet is gebeurd, kan niet worden gezegd dat het besluit eerder dan 23 december 2000 overeenkomstig art. 3:41 Awb aan eiseres bekend is gemaakt.

Gegrond beroep.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder.

mr. H. Heins

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:41, geldigheid: 2002-01-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 01/645

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A e.v. B, wonende te C, eiseres,

gemachtigde: Mr. E.T. de Jong van ARAG Rechtsbijstand te Leusden,

en

Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder,

gemachtigde: Mr. A.M.M. Stevens, advocaat.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder, d.d. 3 mei 2001, kenmerk Awb22/VBC4/538, waarbij het besluit van 23 oktober 2000, inhoudende herziening van de bijdrage huursubsidie en terugvordering van fl. 3.960,-- ter zake te veel ontvangen huursubsidie, is gehandhaafd en het daartegen ingediende bezwaar wegens termijnoverschrijding niet- ontvankelijk is verklaard.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 23 oktober 2000 heeft verweerder in het kader van een herziening van de bijdrage huursubsidie een geldbedrag van fl. 3.960,-- van eiseres teruggevorderd ter zake te veel ontvangen huursubsidie.

Tegen dit besluit is op 23 december 2000 door eiseres een bezwaarschrift ingediend.

Eiseres is vervolgens door verweerder bij brief d.d. 21 februari 2001 in de gelegenheid gesteld om het bezwaarschrift schriftelijk nader toe te lichten.

Eiseres heeft daarvan bij brief d.d. 23 februari 2001 gebruik gemaakt.

Verweerder heeft het bezwaarschrift vervolgens bij besluit d.d. 3 mei 2001 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Op 6 juni 2001 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 5 juli 2001 een verweerschrift ingezonden.

Eiseres heeft vervolgens bij brief d.d. 2 augustus 2001 een nadere reactie gegeven op het verweerschrift.

Het beroep is op 27 november 2001 ter zitting behandeld.

Eiseres is niet verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door Mr. Stevens voornoemd.

3. Motivering

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

3.1. Standpunt eiseres.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij de herzieningsbeslissing, d.d. 23 oktober 2000, eerst op 23 december 2000 heeft ontvangen, zodat zij pas op die dag kennis heeft kunnen nemen van de inhoud ervan. Het door haar bij schrijven d.d. 23 december 2000 ingediende bezwaarschrift is tijdig ingediend en derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder is er te lichtvaardig vanuit gegaan dat de adresgegevens van eiseres nog juist waren.

Eiseres is op 8 november 1999 verhuisd naar haar huidige woning in C, maar zij had op dat moment voor wat betreft de individuele huursubsidie geen enkele relatie met verweerder en was dus niet gehouden adreswijzigingen door te geven.

Eiseres heeft bij brief d.d. 23 februari 2001 een beroep gedaan op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Verweerder heeft daar in zijn beslissing op bezwaar geen beslissing over genomen. Daarmee is het bestreden besluit in elk geval gebrekkig gemotiveerd en in strijd met art. 7:12, eerste lid, Awb.

Het risico van het te laat indienen van het bezwaarschrift mag naar het oordeel van eiseres niet voor haar rekening komen.

3.2. Standpunt verweerder.

Verweerder stelt dat hij niet bekend kon zijn met het nieuwe adres van eiseres, omdat eiseres geen verhuisbericht aan hem heeft gezonden. Op basis van de artikelen 22 en 29 van de Wet individuele huursubsidie was eiseres gehouden adreswijzigingen aan verweerder door te geven. Nu eiseres dit heeft nagelaten, dient het gevolg daarvan, het te laat indienen van het bezwaarschrift met als gevolg dat dit niet-ontvankelijk is verklaard, voor rekening en risico van eiseres te komen.

3.3. Beoordeling van het beroep

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft ingevolge een beslissing huursubsidie 1996/1997 van verweerder, d.d. 30 oktober 1996, over het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1997 een bedrag van fl. 3.960,-- huursubsidie ontvangen. De huursubsidie was aangevraagd en verleend in verband met de huur van de woning op het adres […] 16 te Z.

Bij wijzigingsbeslissing huursubsidie 1996/1997, d.d. 23 oktober 2000, wordt het eerder aan eiseres toegekende en uitbetaalde bedrag aan huursubsidie ad. fl. 3.960,-- door verweerder teruggevorderd op grond van door de Belastingdienst verstrekte inkomensgegevens van eiseres over het jaar 1996.

Eiseres heeft verweerder bij brief d.d. 23 december 2000 medegedeeld dat zij genoemde wijzigingsbeslissing d.d. 23 oktober 2000 eerst op 23 december 2000 heeft ontvangen en heeft verweerder verzocht een nieuwe beslissing te nemen met een nieuwe bezwaartermijn.

Eiseres heeft in het beroepschrift, d.d. 6 juni 2001, gesteld dat zij op 8 november 1999 is verhuisd van Z naar haar huidige woning aan de […] 7 te C en dat zij zich in elk geval enkele dagen erna zal hebben ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie van laatstgenoemde gemeente.

Voor de beantwoording van de vraag of een besluit dat naar een feitelijk onjuist adres is verzonden op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, is van doorslaggevende betekenis of met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de bekendmaking van dit besluit op een zorgvuldige wijze is voorbereid en geschied.

In dit verband is van belang dat op het moment van de verzending van het bestreden besluit –23 oktober 2000- er geen aanvraag of bewaarschrift huursubsidie van eiseres in behandeling was bij verweerder en dat eiseres geen recht op huursubsidie meer had. Voorts is niet gebleken van een langdurige en/of recente correspondentie tussen eiseres en verweerder waaruit de eventuele noodzaak voor eiseres tot het verstrekken van een adreswijziging aan verweerder zou kunnen voortvloeien.

De rechtbank is van oordeel dat, nu uit de stukken moet worden afgeleid dat de huursubsidierelatie tussen eiseres en verweerder op 1 juli 1997 is geëindigd en sindsdien geen contacten tussen eiseres en verweerder –van welke aard dan ook- meer hebben plaatsgevonden, verweerder er bij de verzending van het bestreden besluit van 23 oktober 2000 niet zonder meer van uit had mogen gaan dat de op dat moment van eiseres bekende adresgegevens nog juist waren.

Verweerder stelt weliswaar –met verwijzing naar het bepaalde in de artikelen 22 en 29 van de Wet individuele huursubsidie- dat het op de weg van eiseres lag om eigener beweging, onder meer, adreswijzigingen door te geven, doch de rechtbank kan dit standpunt niet delen.

Uit artikel 22 van de Wet individuele huursubsidie volgt slechts dat verweerder, ingeval van gewijzigde, voor de vaststelling van de huursubsidie over een bepaald tijdvak van belang zijnde, gegevens, gerechtigd is om tot vijf jaar na afloop van het tijdvak een nadere beslissing te nemen over de (hoogte van) de toegekende huursubsidie en eventueel teveel betaalde huursubsidie terug te vorderen.

Daargelaten of redelijkerwijs van eiseres mag worden verwacht van de inhoud van genoemde bepaling op de hoogte te zijn, is naar het oordeel van de rechtbank in elk geval geen enkele steun te vinden voor de stelling van verweerder dat eiseres op grond van deze bepaling –welke zich uitsluitend richt tot verweerder- verplicht zou zijn om gedurende vorenbedoelde termijn van vijf jaar adreswijzigingen door te geven aan verweerder.

Het bestaan van een dergelijke verplichting kan evenmin worden afgeleid uit artikel 29 van de Wet individuele huursubsidie.

Het door verweerder in deze relevant geachte eerste lid van dit artikel verplicht de aanvrager van huursubsidie immers slechts tot het verstrekken van gegevens die van belang zijn voor de vaststelling over een bepaald tijdvak van het recht op de bijdrage, het voortbestaan van dat recht en het bedrag van de bijdrage. Een verhuizing als in casu, welke heeft plaatsgevonden op 8 november 1999 –derhalve op een tijdstip gelegen buiten het in geding zijnde tijdvak- kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden beschouwd als een in het kader van dit artikel relevant gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat, nu eiseres de ontvangst van het bestreden besluit op een datum eerder dan 23 december 2000 op een niet ongeloofwaardige wijze heeft ontkend en verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit feitelijk naar een juist adres is verzonden, niet aannemelijk is geworden dat het wijzigingsbesluit, d.d. 23 oktober 2000, eerder dan 23 december 2000 door eiseres is ontvangen. De late ontvangst van het besluit, d.d. 23 oktober 2000, kan derhalve niet aan eiseres worden toegerekend.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het op grond van het zorgvuldigheidsvereiste op de weg van verweerder had gelegen om voorafgaande aan de toezending van besluit een adresverificatie te doen plaatsvinden. Nu dat niet is gebeurd, kan niet worden gezegd dat het besluit d.d. 23 oktober 2000 eerder dan 23 december 2000 overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb aan eiseres bekend is gemaakt.

Het door eiseres bij brief d.d. 23 december 2000 ingediende bezwaarschrift is derhalve tijdig ingediend en ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard door verweerder.

Het beroep van eiseres wordt mitsdien gegrond verklaard.

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

4. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit d.d. 3 mei 2001;

-bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaarschrift van eiseres d.d. 23 december 2000;

-veroordeelt verweerder in de kosten van rechtsbijstand die eiseres in verband met de behandeling van het onderhavige beroep heeft moeten maken, door de rechtbank ten deze begroot op € 322,18 (ƒ 710,--) en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt;

-bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad. € 27,22 (ƒ 60,--) vergoedt.

Gewezen door Mr. H. Heins en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2002 in tegenwoordigheid van A.H. Rijkens als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

afschrift verzonden op