Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2001:AE6147

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
27-11-2001
Datum publicatie
06-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/542
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

meervoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 01/542

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. M.M. van Tol,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam (uitvoeringsinstelling: GUO Heerenveen), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 28 maart 2001, waarbij aan eiseres is meegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheid (WAO) per 29 mei 2001 herzien wordt naar 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 7 juni 2000 heeft verweerder eiseres geïnformeerd omtrent het feit dat haar uitkering ingaande 7 augustus 2000 zou worden beëindigd.

Tegen dit besluit is op 17 juni 2000 een bezwaarschrift ingediend.

Naar aanleiding van dit bezwaarschrift hebben de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige een rapportage uitgebracht. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord; wel heeft zij schriftelijk gereageerd op de haar toegezonden stukken. De bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige hebben na kennisname van de reactie van eiseres nogmaals gerapporteerd. Vervolgens is het bezwaarschrift gegrond verklaard en is aan eiseres meegedeeld dat haar WAO-uitkering per 29 mei 2001 wordt herzien naar 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid.

Op 7 mei 2001 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 12 november 2001 ter zitting behandeld.

Eiseres is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer T. Hollander.

3. Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft vanaf 8 augustus 1995 een WAO-uitkering ontvangen naar 80 tot 100 % arbeidsongeschiktheid nadat zij wegens voetklachten haar werk als verkoopster bij Vleesverwerkend bedrijf [werkgever] heeft gestaakt. In het kader van een herbeoordeling is eiseres op 22 februari 1996 door verzekeringsarts Thoden van Velzen gezien. Deze heeft eiseres in staat geacht tot het verrichten van loonvormende arbeid. Omdat de arbeidsdeskundige onvoldoende functies voor eiseres kon selecteren, werd eiseres onveranderd volledig arbeidsongeschikt geacht.

Op 18 april 2000 heeft opnieuw medisch onderzoek plaatsgevonden. Verzekeringsarts Kuckelkorn heeft tot een toename van de klachten geconcludeerd, die echter geen wijziging in de beperkingen rechtvaardigen. Eiseres is onveranderd in staat geacht gedurende hele dagen loonvormende arbeid te verrichten. Bij arbeidskundig onderzoek zijn functies geduid die voor eiseres in aanmerking zouden kunnen komen en waarmee eiseres haar maatgevende loon zou kunnen verdienen. Met het besluit van 7 juni 2000 is eiseres op de hoogte gebracht van het feit dat haar uitkering ingaande 7 augustus 2000 wordt ingetrokken.

Eiseres heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. Zij heeft naar voren gebracht, dat is komen vast te staan dat zij aan fibromyalgie lijdt. Ter adstructie heeft eiseres een tweetal medische rapporten overgelegd.

Bezwaarverzekeringsarts Peerden heeft op basis van de gedingstukken vastgesteld dat de medische beoordeling juist was. Wel heeft hij correcties aangebracht in de op het FIS-scoreformulier genoteerde beperkingen.

De arbeidsdeskundige heeft vervolgens nieuwe functies geselecteerd die eiseres met inachtneming van deze beperkingen zou kunnen verrichten. In deze functies is er sprake van een verlies aan verdienvermogen van 51,32 %. Deze functies zijn schriftelijk aan eiseres voorgehouden. Eiseres is in de gelegenheid gesteld op de nieuwe rapporten te reageren. Van de mogelijkheid te worden gehoord heeft eiseres geen gebruik gemaakt. De schriftelijke reactie van eiseres heeft niet meer geleid tot een wijziging van de conclusies.

Met inachtneming van een nieuwe uitlooptermijn is de uitkering van eiseres met het bestreden besluit ingaande 29 mei 2001 herzien naar een mate van ongeschiktheid van 45 tot 55%.

3.1. Standpunt eiseres

Eiseres is van mening niet in staat te zijn loonvormende arbeid te verrichten. Zij lijdt aan fibromyalgie en heeft bovendien sinds vijf jaar gewrichtsklachten en reuma aan de rechterschouder. Eiseres begrijpt niet hoe zij niet langer volledig arbeidsongeschikt zou kunnen zijn terwijl haar klachten niet zijn afgenomen.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat fibromyalgie een erkende ziekte is die pijn en vermoeidheid geeft. Als gevolg van deze ziekte moet eiseres overbelasting vermijden, niet in vochtige ruimtes verblijven, in beweging blijven en voldoende rust nemen. Eiseres overlegt bij haar beroepschrift een brief van drs M. Dekeukeleire d.d. 12 mei 2000 waarin wordt gesteld dat fibromyalgie een ongeneeslijke ergolytische aandoening is, die gepaard gaat met energieverlies in het spierweefsel.

Eiseres is van oordeel dat de drie geduide functies niet voldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigen en bovendien qua urenomvang ook niet passen bij de klasse waarin eiseres is ingedeeld.

3.2. Standpunt verweerder

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de belasting in de geduide functies binnen de vastgestelde belastbaarheid blijft. Verweerder wijst erop, dat aan eiseres vier functies zijn voorgehouden die te samen 35 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Uit het bij het verweerschrift gevoegde rapport van arts Thoden van Velzen blijkt dat bij het vaststellen van de belastbaarheid en van passende functies voldoende tegemoet zou zijn gekomen aan de leefadviezen die aan eiseres zijn gegeven.

Dat eiseres niet zou mogen worden blootgesteld aan een bepaalde luchtvochtigheid is naar de mening van verweerder niet te verenigen met de behandeling middels hydrotherapie.

3.3. Wettelijk kader

In artikel 18 van de WAO is – voor zover in dit verband van belang- bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, zwangerschap of bevalling, geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dient dit zo uitgelegd te worden, dat slechts sprake is van ongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

Het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong (Besluit van 8 juli 2000) geeft nadere regels.

Ingevolge artikel 9 aanhef en onder a wordt bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid uitgegaan van die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen. Bedoelde arbeid dient nader te worden omschreven in de vorm van ten minste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies waarmee het hoogste inkomen per uur kan worden verworven. Deze functies dienen tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen te vertegenwoordigen.

Ingevolge het bepaalde onder b van artikel 9 blijft bij de toepassing van onderdeel a van dit artikel, de functie die niet of nauwelijks arbeidsplaatsen vertegenwoordigt, buiten beschouwing.

In artikel 10, lid 1 van het Schattingsbesluit is bepaald dat bij de berekening van hetgeen betrokkene met arbeid kan verdienen, wordt uitgegaan van de urenomvang van de door de in artikel 6 bedoelde gezonde persoon uitgeoefende arbeid, de zogenaamde maatman.

Bij Besluit uurloonschatting 1999 (Lisv-besluit van 11 februari 1999, Stcrt. 1999, 40) heeft verweerder nader aangegeven op welke wijze bij de berekening van de verdiencapaciteit rekening wordt gehouden met de urenomvang van die maatman.

3.4 Beoordeling van het beroep

Gelet op het bepaalde in artikel 18 van de WAO zijn bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is in de zin van deze wet, twee aspecten van belang, te weten:

- of de betrokkene beperkingen heeft, die een rechtstreeks en medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebreken (de medische component);

- of en in hoeverre hij als gevolg daarvan geheel of gedeeltelijk buiten staat is zich met gangbare arbeid een inkomen te verwerven (de arbeidsdeskundige component).

Met betrekking tot de medische component overweegt de rechtbank het volgende.

Eiseres is op 18 april 2000 door de verzekeringsarts onderzocht. Eiseres heeft bij die gelegenheid een brief gedateerd 27 december 1999 overgelegd, afkomstig van haar behandelend reumatoloog Verhoef. Blijkens die informatie is ten aanzien van eiseres de diagnose fibromyalgie gesteld, naast een chronische ontsteking van de linkerschouder. De reumatoloog heeft eiseres gewezen op het belang van vermijden van overbelasting, het goed in beweging blijven en het nemen van voldoende rust.

In bezwaar heeft eiseres een rapport van drs M. Dekeukeleire d.d. 12 mei 2000 ingebracht. Deze heeft eiseres gewezen op de noodzaak van het in acht nemen van een spierenergiesparende leefwijze, wat inhoudt dat eiseres wel mobiel blijven moet, maar zo min mogelijk energetisch dient te worden belast. De beperking betreft volgens de arts met name repeterende en duurbelastende activiteiten.

Uit genoemde informatie uit de behandelend sector leidt de rechtbank geenszins af, dat er ten aanzien van eiseres sprake is van tot objectiveerbare gronden te herleiden medische beperkingen tot het verrichten van arbeid die verder gaan dan de beperkingen die naar voren zijn gekomen uit het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan de bestreden beslissing. De rechtbank wijst erop, dat de diagnose fibromyalgie op zich immers geen informatie geeft over het bestaan en de omvang van beperkingen. De aan eiseres door haar behandelaars gegeven (leef-) adviezen brengen de rechtbank niet tot de overtuiging dat verweerder de beperkingen te licht heeft ingeschat. Ook de informatie van Dr. Dekeukelaire geeft de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit is uitgegaan van een juist beeld van de belastbaarheid van eiseres. De grief van eiseres dat haar beperkingen zijn onderschat kan dan ook niet slagen.

De rechtbank komt nu toe aan de beoordeling van de arbeidskundige grondslag van het besluit.

Met betrekking tot de restrictie bij het aspect hand- en vingervaardigheid in de diverse functiebeschrijvingen van telefoniste heeft verweerder genoegzaam aangetoond dat de functie ondanks de markering toch als passend kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat eiseres, rekening houdende met haar beperkingen, in staat moet worden geacht ingaande 29 mei 2001 ook de haar geduide overige functies te vervullen.

Dit brengt echter niet zonder meer met zich mee dat de arbeidskundige benadering van verweerder de rechterlijke toets kan doorstaan.

In het ten tijde van belang geldende Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong (Stb. 2000, 307) wordt voorgeschreven dat bij de berekening van hetgeen betrokkene met arbeid kan verdienen, wordt uitgegaan van de urenomvang van de maatman. In de toelichting op het voorheen geldende Schattingsbesluit (Besluit van 24 december 1997, Stb. 1997, 801) is dit enigszins genuanceerd: uitgangspunt is ongeveer de urenomvang van de maatmanfunctie.

Gelet op deze nuancering hanteert verweerder, blijkens de Bijlage bij het Besluit uurloonschatting 1999, een zekere "bandbreedte".

Dit betekent dat verweerder, al naar gelang de urenomvang van de maatmanfunctie, functies duidt die drie, vier of vijf uren meer bevatten.

In een geval als dat van eiseres, wier maatman de full-time werkende is, zal verweerder in eerste instantie trachten drie full-time functie(code)s te duiden. Indien binnen één code niet tenminste zeven arbeidsplaatsen full-time zijn te vinden, zal verweerder in het kader van de toepassing van stap 1 van het Besluit uurloonschatting bezien of het FIS-systeem part-time functies vindt met voldoende (aanvullende) arbeidsplaatsen. Indien op die manier sprake is van een combinatie van functies op en onder de bandbreedte, is de zogenaamde "reductiefactor" 1, dat wil zeggen dat geen reductie van het mediaanloon plaatsvindt.

Omdat verweerder in casu onvoldoende functies heeft kunnen vinden met toepassing van stap 1, zijn aanvullend functies geduid met een urenomvang kleiner dan de maatman, een situatie zoals beschreven in stap 3 van het Besluit uurloonschatting. Door vervolgens op het relevante mediane uurloon door middel van de reductiefactor een correctie toe te passen heeft verweerder voor de door middel van stap drie geduide functies rekening willen houden met het feit dat in de geduide functies niet in de omvang van de maatman kan worden gewerkt.

Ook in het geval van eiseres is aldus gehandeld. Naast de functie van telefonist centralist, functiebestandcode 3802, -die in een full-time functie ten minste 7 arbeidsplaatsen bevat- zijn voor eiseres de functies van portier, functiebestandcode 5992, statistisch medewerker, functiebestandcode 3992 en telefoniste receptioniste, functiebestandcode 3804, geduid.

Met betrekking tot de functie van portier geldt het volgende.

Deze functie kent drie functiebeschrijvingen. In twee van deze functiebeschrijvingen kan weliswaar in 38 uur worden gewerkt, doch te samen vertegenwoordigen deze functiebeschrijvingen slechts 6 arbeidsplaatsen.

Het Schattingsbesluit vereist dat bij de schatting wordt uitgegaan van tenminste drie verschillende functies. Deze functies dienen in zodanige omvang voor te komen dat geen sprake is van de in artikel 9, aanhef en onder b van het Schattingsbesluit bedoelde functie die niet dan wel onvoldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigt. Conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep terzake, hanteert verweerder daarvoor de ondergrens van zeven arbeidsplaatsen.

De ratio van deze bepalingen is dat de mogelijkheid om een functie te verwerven enige realiteitswaarde moet hebben, hetgeen niet het geval is wanneer niet een zeker aantal functies in voldoende omvang beschikbaar is.

In de toelichting van de Staatssecretaris op het Schattingsbesluit wordt aangegeven dat niet uitgesloten is dat een betrokkene die nog belastbaar is voor arbeid, desondanks volledig arbeidsongeschikt zou moeten worden geacht indien uitsluitend functies kunnen worden geduid die in exact de omvang van de maatmanfunctie op de arbeidsmarkt voorkomen en deze voor hem in aanmerking komende functies toevalligerwijs niet in voldoende mate in die omvang op de Nederlandse arbeidsmarkt kunnen worden aangewezen.

Het hanteren van een bandbreedte met betrekking tot de urenomvang van de geduide functies verhoogt daarom volgens de Staatssecretaris onder andere het realiteitsgehalte van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.

Het uitgangspunt van de realiteitswaarde brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat niet gezegd kan worden dat eiseres in de functie van portier een reële fulltime verdiencapaciteit heeft, nu deze functie immers slechts zes arbeidsplaatsen vertegenwoordigt die een loon opleveren in een omvang die binnen de bandbreedte valt van de omvang van eiseresses maatman. Door de ene arbeidsplaats in de omvang van 13 uur -derhalve zeker niet binnen de bandbreedte van de omvang van de maatman van eiseres- zonder meer op te tellen bij zes arbeidsplaatsen in de omvang van de maatman, telt verweerder onvergelijkbare componenten bij elkaar op, waardoor een vertekend beeld wordt gegeven van de reële verdiencapaciteit van eiseres. Het gaat er immers om dat ten minste zeven arbeidsplaatsen zijn te duiden alvorens een functie kan worden meegeteld bij de bepaling van te duiden functies.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder derhalve ten onrechte de functie van portier meegeteld bij de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit.

De overige geduide functies kennen slechts 28 arbeidsplaatsen, zodat niet is voldaan aan de eis dat de geduide functies te samen minimaal 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen.

Ter zitting is door de gemachtigde van eiseres nog gewezen op de door verweerder geduide reserve functie, die van chauffeur bestelauto, functiebestandcode 9855.

Deze functie kent zes functiebeschrijvingen met in totaal 8 arbeidsplaatsen. In één van deze functiebeschrijvingen kan weliswaar in 38 uur worden gewerkt, doch deze functiebeschrijving vertegenwoordigt slechts 1 arbeidsplaats. De overige vijf functiebeschrijvingen vertegenwoordigen respectievelijk 3 arbeidsplaatsen waarin 20 uur, 1 arbeidsplaats waarin 12 uur en 2 arbeidsplaatsen waarin 10 uur wordt gewerkt. Naar het oordeel de rechtbank kan deze functie op grond van dezelfde redenering als bij de functie van portier evenmin als fulltime functie worden meegenomen bij de bepaling van de resterende verdiencapaciteit.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in het geval van eiseres onvoldoende functies heeft geduid om tot schatting te kunnen overgaan.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, nu niet is voldaan aan het vereiste in artikel 9 van het Schattingsbesluit. De rechtbank zal het ingestelde beroep dan ook gegrond verklaren.

De rechtbank ziet in de vernietiging van het bestreden besluit voldoende aanleiding om te komen tot een veroordeling van verweerder tot vergoeding van de proceskosten op basis van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht. De rechtbank stelt het bedrag op f.1420,-- (2 punten, wegingsfactor 1).

4. Beslissing

De president van de rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 28 maart 2001;

- gelast dat verweerder aan eiseres het griffierecht ad f 60,= voldoet;

- veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres in verband met het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op f 1420,=.

Gewezen door mr. F.G. van Arem, mr. J.J. Szauer-Bos en mr. M.I. Lammertsma-van der Heij en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2001 in tegenwoordigheid van mr. F. Ernens als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op