Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2001:AD8341

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
19-12-2001
Datum publicatie
30-01-2002
Zaaknummer
Awb 01/1211
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De aard van de aan B&W gedelegeerde art. 19.1 WRO vrijstellingsbevoegdheid verzet zich tegen mandaatverlening aan ambtenaar.

De raad van de gemeente Hardenberg heeft de in art. 19, eerste lid WRO opgenomen vrijstellingsbevoegdheid bij besluit van 2 januari 2001 aan verweerder gedelegeerd. Verweerder heeft op 9 januari 2001 besloten zijn bevoegdheid ter zake te mandateren - zonder enig voorbehoud - aan het hoofd afdeling Bouwen en Milieu.

Het bestreden besluit is dan ook namens verweerder door deze functionaris genomen, overigens met voorbijgaan aan het voorschrift van art. 10:19 Awb. Op voormelde delegatie en mandatering van bevoegdheden zijn van toepassing de bepalingen over mandaat en delegatie in de afdelingen 10.1.1 en 10.1.2 Awb. Nu in voormeld art. 19, eerste lid, WRO uitdrukkelijk aan de gemeenteraad de bevoegdheid is toegekend de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid te delegeren aan verweerder is voldaan aan het vereiste van art. 10:15 Awb dat delegatie slechts geschiedt indien de bevoegdheid bij wettelijk voorschrift is voorzien. Hoewel (door)mandatering van een gedelegeerde bevoegdheid door de delegataris (in casu verweerder) zonder instemming van de delegans (in casu de raad) mogelijk is, is de president vooralsnog van oordeel dat de aard van de vrijstellingsbevoegdheid ex art. 19, eerste lid, WRO zich tegen de onderhavige mandaatverlening verzet. Hierbij is overwogen, dat het criterium voor toepassing van het nieuwe art. 19 van zuiver inhoudelijke aard is, te weten een goede ruimtelijke onderbouwing. Die onderbouwing kan worden gevonden in reeds door de gemeenteraad vastgesteld ruimtelijk beleid in de vorm van een structuurschets, een structuurvisie of anderszins. Dit hoeft evenwel nadrukkelijk niet. Een goede ruimtelijke onderbouwing kan ook aan de hand van de concrete art. 19-aanvraag worden geformuleerd. Dit is een belangrijke constatering geweest voor de vraag aan welk gemeentelijk orgaan de nieuwe art. 19-bevoegdheid moest worden toegekend, aangezien het honoreren van een art. 19-aanvraag in die situatie ingrijpende consequenties kan hebben voor de ruimtelijke inrichting van het gemeentelijk grondgebied. Juist met het oog op deze omstandigheid heeft de wetgever ervoor gekozen de vrijstellingsbevoegdheid over te hevelen van B&W naar de gemeenteraad.

In het nieuwe art. 19 WRO gaat het om een bevoegdheid die volledig naast het bestemmingsplan zal fungeren; in de bestemmingsplanprocedure is het de raad die het bestemmingsplan vaststelt. De president is dan ook van oordeel dat de gemandateerde bevoegdheid niet in de sfeer van de normale bevoegdheidsuitoefening van de gemandateerde ligt c.q. behoort te liggen. Dat besluiten omtrent vrijstelling eerst na overleg met de verantwoordelijk wethouder worden genomen, zoals ter zitting is betoogd, doet hier niet aan af. In genoemd delegatie- en mandaatbesluit wordt deze voorwaarde ook niet aan de gemandateerde gesteld. De onderhavige mandaatverlening acht de president dan ook in strijd met art.10:3, eerste lid, Awb, waarin onder meer is bepaald dat een bestuursorgaan mandaat kan verlenen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 55
Gst. 2002-7171, 3 met annotatie van S. Hillegers
Module Ruimtelijke ordening 2001/1913
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector bestuursrecht

DE PRESIDENT

Reg.nr.: Awb 01/1211

UITSPRAAK

van de president van de rechtbank betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

A, wonende te B, verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg, verweerder.

Belanghebbenden:

1. A, wonende te B;

2. gedeputeerde staten van Overijssel.

1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Het namens verweerder genomen besluit d.d. 25 oktober 2001, verzonden 2 november 2001, waarbij met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) aan belanghebbende sub 1 vergunning is verleend voor het bouwen van een bedrijfswoning op het perceel […] te B.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Op 20 oktober 2000 heeft belanghebbende sub 1 bij verweerder een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het bouwen van een bedrijfswoning op het perceel […] te B (bij het bedrijfsgebouw gelegen op het bedrijventerrein Nieuwe Haven).

Deze aanvraag is gepubliceerd in 'De Toren' van 1 november 2000.

Het voornemen tot het verlenen van vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan is op 28 februari 2001 gepubliceerd in 'De Toren'.

Het bouwplan heeft vanaf 14 maart 2001 gedurende vier weken ter inzage gelegen.

De door verzoeker bij brief van 23 november 2000 ingebrachte bezwaren tegen het bouwplan, aangevuld bij brief van 13 maart 2001, zijn door verweerder aangemerkt als zienswijze omtrent de aanvraag.

Op 7 augustus 2001 heeft de Welstandscommissie ten aanzien van genoemd bouwplan positief geadviseerd.

Op 23 oktober 2001 hebben gedeputeerde staten (GS) van Overijssel, gehoord de inspecteur van de Ruimtelijke Ordening Oost, ten behoeve van het bouwplan een verklaring van geen bezwaar afgegeven.

Bij besluit van 25 oktober 2001 is namens verweerder door het hoofd afdeling Bouwen en Milieu vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, WRO van het vigerende bestemmingsplan en de gevraagde bouwvergunning verleend.

Bij brief van 7 november 2001 heeft verzoeker hiertegen een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij brief van 12 november 2001 heeft verzoeker zich gewend tot de president van de rechtbank met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Het verzoek strekt tot schorsing van het bestreden besluit.

Verweerder heeft op 30 november 2001 een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 30 november 2001, 3 en 5 december 2001 heeft verzoeker nadere stukken ingezonden.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 december 2001, alwaar zijn verschenen:

- verzoeker, in persoon;

- verweerder, bij gemachtigden L. Menkveld en G. Pesman, ambtenaren van de gemeente Hardenberg;

- belanghebbende sub 1, in persoon, bijgestaan door mw. mr. A.H. van der Maat van de Stichting Rechtsbijstand.

Belanghebbende sub 2 is niet verschenen.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de president van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Dit in aanmerking genomen dient te worden nagegaan of met betrekking tot het besluit van verweerder d.d. 25 oktober 2001 (verzonden op 2 november 2001), het belang van verzoeker bij een onverwijlde voorlopige voorziening opweegt tegen het belang van onmiddellijke uitvoering van bedoeld besluit.

Voorzover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en het derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. In dit artikellid is tevens bepaald dat de gemeenteraad deze vrijstellingsbevoegdheid kan delegeren aan burgemeester en wethouders.

De president overweegt ambtshalve het volgende.

Gebleken is dat de raad van de gemeente Hardenberg genoemde bevoegdheid bij besluit van 2 januari 2001 aan verweerder heeft gedelegeerd. Uit het desbetreffende ter zitting overgelegde 'Delegatie en mandaatbesluit 2001' blijkt voorts dat verweerder op 9 januari 2001 heeft besloten zijn bevoegdheid ter zake te mandateren - zonder enig voorbehoud - aan het hoofd afdeling Bouwen en Milieu (in het besluit aangeduid als functionaris 5.2.00). Het bestreden besluit is dan ook namens verweerder door deze functionaris genomen, overigens met voorbijgaan aan het voorschrift van artikel 10:19 (inhoudende dat een besluit dat op grond van een gedelegeerde bevoegdheid wordt genomen, het delegatiebesluit en de vindplaats daarvan vermeldt).

Op voormelde delegatie en mandatering van bevoegdheden zijn van toepassing de bepalingen over mandaat en delegatie in de afdelingen 10.1.1 en 10.1.2 van de Awb. Nu in voormeld artikel 19, eerste lid, WRO uitdrukkelijk aan de gemeenteraad de bevoegdheid is toegekend de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid te delegeren aan verweerder is voldaan aan het vereiste van artikel 10:15 Awb dat delegatie slechts geschiedt indien de bevoegdheid bij wettelijk voorschrift is voorzien. In dit verband wordt opgemerkt dat de gemeenteraad gelet op artikel 156 van de Gemeentewet de in artikel 19 WRO aan hem toegekende bevoegdheid in zijn geheel, ten dele, of onder bepaalde - door de gemeenteraad zelf te bepalen - voorwaarden aan burgemeester en wethouders kan delegeren.

Verweerder heeft, zoals hiervoor reeds is opgemerkt, de aan hem door de gemeenteraad ter zake toegekende vrijstellingsbevoegdheid (door)gemandateerd aan een ambtenaar, te weten aan het hoofd afdeling Bouwen en Milieu. Hoewel (door)mandatering van een gedelegeerde bevoegdheid door de delegataris (in casu verweerder) zonder instemming van de delegans (in casu de raad) mogelijk is, is de president vooralsnog van oordeel dat de aard van de vrijstellingsbevoegdheid ex artikel 19, eerste lid, WRO zich tegen de onderhavige mandaatverlening verzet. Hierbij is het volgende overwogen.

Het criterium voor toepassing van het nieuwe artikel 19 is van zuiver inhoudelijke aard, te weten een goede ruimtelijke onderbouwing. Die onderbouwing kan worden gevonden in reeds door de gemeenteraad vastgesteld ruimtelijk beleid in de vorm van een structuurschets, een structuurvisie of anderszins. Dit hoeft evenwel nadrukkelijk niet. Een goede ruimtelijke onderbouwing kan ook aan de hand van de concrete artikel 19-aanvraag worden geformuleerd. Blijkens de Memorie van Toelichting op de Wet van 1 juli 1999, houdende wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, is dit een belangrijke constatering geweest voor de vraag aan welk gemeentelijk orgaan de nieuwe artikel 19-bevoegdheid moest worden toegekend, aangezien het honoreren van een artikel 19-aanvraag in die situatie - uiteraard afhankelijk van de aard en de omvang van het te realiseren project - ingrijpende consequenties kan hebben voor de ruimtelijke inrichting van het gemeentelijk grondgebied. Immers met het toepassen van artikel 19 WRO kan de toon worden gezet voor een koerswijziging binnen de gemeentelijke ruimtelijke ontwikkeling. Uit genoemde Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever juist met het oog op deze omstandigheid er voor heeft gekozen de vrijstellingsbevoegdheid over te hevelen van burgemeester en wethouders naar de gemeenteraad. In dit verband is er in genoemde toelichting op gewezen dat het in het nieuwe artikel 19 gaat om een bevoegdheid die volledig naast het bestemmingsplan zal fungeren en het in de bestemmingsplanprocedure de raad is die het bestemmingsplan vaststelt.

De president is dan ook van oordeel dat de gemandateerde bevoegdheid niet in de sfeer van de normale bevoegdheidsuitoefening van de gemandateerde ligt c.q. behoort te liggen. Dat besluiten omtrent vrijstelling eerst na overleg met de verantwoordelijk wethouder worden genomen, zoals ter zitting is betoogd, doet hier niet aan af. Opgemerkt wordt hierbij dat in genoemd delegatie- en mandaatbesluit deze voorwaarde ook niet aan de gemandateerde wordt gesteld.

De onderhavige mandaatverlening acht de president dan ook in strijd met artikel 10:3, eerste lid, Awb, waarin onder meer is bepaald dat een bestuursorgaan mandaat kan verlenen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet.

Het voorgaande betekent dat bij het bestreden besluit onbevoegdelijk, in strijd met genoemd wetsartikel, op het verzoek van belanghebbende sub 1 om vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan is beslist. Dit betekent dat het besluit in bezwaar naar voorlopig oordeel geen stand zal kunnen houden.

Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 Awb komt derhalve voor inwilliging in aanmerking. Hetgeen partijen te berde hebben gebracht behoeft geen bespreking.

De president acht geen termen aanwezig om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten van een andere partij.

Beslist dient te worden als volgt.

4. Beslissing

De president van de rechtbank

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het besluit van 25 oktober 2001 (verzonden op 2 november 2001);

- bepaalt dat de gemeente Hardenberg aan verzoeker het door hem gestorte griffierecht ad ƒ 225,- (€ 102,-) vergoedt.

Gewezen door mr. W.J.B. Cornelissen fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2001 in tegenwoordigheid van A. Kanis als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

afschrift verzonden op