Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2001:AD7612

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
07-11-2001
Datum publicatie
21-12-2001
Zaaknummer
52914 / HA ZA 00-25
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK

TE ZWOLLE

Enkelvoudige civiele kamer

Zaaknr/rolnr: 52914 / HA ZA 00-25

Uitspraak : 7 november 2001

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

1. de vennootschap onder firma BENZINESTATION JEDI ALMERE BUITEN V.O.F.,

2. [eiseres 2],

eiseressen,

procureur mr. H.A. Bosma,

advocaat mr. J.A. Suyver te Woerden,

en

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE ALMERE,

gevestigd te Almere,

gedaagde,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

advocaat mr. J.C. Ozinga te Amsterdam.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als Jedi c.s. en de Gemeente.

PROCESGANG

Eerder is in deze zaak een tussenvonnis gewezen, dat op 19 september 2001 is uitgesproken.

Vervolgens hebben partijen nog de volgende processtukken gewisseld:

- een akte van de zijde van de Gemeente;

- een akte van de zijde van Jedi.

Ten slotte is op verzoek van partijen op het griffiedossier vonnis bepaald.

MOTIVERING

in conventie en in reconventie

1. Ontvankelijkheid

De gemeente heeft inmiddels een rechtsgeldig procesbesluit van de gemeenteraad/burgemeerster en wethouders overgelegd. Aldus dient te worden vastgesteld dat de gemeente thans bevoegdelijk optreedt.

2. Vaststaande feiten

2.1 In 1990 heeft autobedrijf Jedi B.V. verzocht om vestiging op het Poldervlak van een benzinestation met motorbrandstoffenverkooppunt, inclusief LPG. Bij brief van 21 januari 1991 heeft de gemeente aan Jedi medegedeeld dat zulks niet mogelijk was, gelet op de afstandscriteria die gelden voor LPG in relatie tot de in het Poldervlak beoogde woningbouw.

2.2 Bij overeenkomst van maart/april 1992 heeft Jedi Beheer B.V. een stuk grond op het Poldervlak gekocht van de gemeente. Artikel C van die overeenkomst luidt: "De onroerende zaak is bestemd voor de bouw van een automobielbedrijf met motorbrandstoffenverkooppunt (exclusief LPG)."

2.3 Op 25 maart 1994 is, met toepassing van artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening, een bouwvergunning verleend voor de geplande woningbouw op het Poldervlak.

2.4 In juli respectievelijk oktober 1994 heeft Jedi bij de gemeente aanvragen ingediend om een milieu- en bouwvergunning op grond van de Wet Milieubeheer en de Woningwet.

De vergunning ter zake van de Wet Milieubeheer is verleend op 28 september 1994. Blijkens de daaraan verbonden voorwaarden geldt deze vergunning tevens voor de inrichting van een LPG-verkooppunt. De bouwvergunning is verleend op ....

2.5 De grond is, samen met een ander stuk grond, door de gemeente aan Jedi geleverd bij notariële akte van 18 april 1995.

2.6 Kort daarna heeft Jedi het bedrijf BK ingeschakeld om het LPG-gedeelte in te richten. BK heeft, toen zij de eerste keer ter plaatse arriveerde, direct gewaarschuwd dat de situering van het LPG-vulstation in strijd was met de voorgeschreven afstand ten opzichte van de toen in aanbouw zijnde woningen op het Poldervlak.

2.7 Jedi en BK hebben de gemeente met deze situatie geconfronteerd. In overleg met de gemeente is de aanleg van het LPG-gedeelte opgeschort waarna intensief overleg heeft plaatsgevonden tussen partijen. In oktober 1995 heeft de gemeente erin toegestemd dat het LPG-vulpunt gesitueerd zou worden aan de overzijde van de weg; deze grond behoorde (toen) niet aan Jedi, wel aan de gemeente toe. Aan de vereiste afstandscriteria werd op die plaats wel voldaan, zij het dat de car-washplaats in verband met een eveneens noodzakelijke verplaatsing van het LPG-reservoir met een bijzondere brandwerendheidvoorziening moest worden uitgerust. De nadere eisen zijn aan Jedi bekend gemaakt bij brief van de gemeente van 24 januari 1996.

3. Standpunten van partijen

3.1 Jedi stelt in conventie dat de gemeente jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door vergunningen te verlenen voor de oprichting van een LPG-station terwijl de uitvoering daarvan onmogelijk was op de wijze zoals daarbij was voorgeschreven.

De schade die Jedi hierdoor lijdt bestaat uit de volgende onderdelen:

- bouwkundige meerkosten;

- gederfd huurexploitatieresultaat;

- rentekosten.

In totaal heeft Jedi bij dagvaarding een bedrag van f 904.902,50 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 1998. Daarin is een bedrag van f 120.000,-- opgenomen voor de bouwkundige aanpassing van de car-washplaats. Bij akte heeft Jedi haar eis in zoverre vermeerderd dat voor deze post een bedrag van f 199.750,-- wordt opgevoerd, zodat de totale vordering thans f 984.652,50 bedraagt.

3.2 De gemeente erkent dat zij ten onrechte de vergunningsaanvragen niet heeft getoetst aan de geldende afstandscriteria; zou zij dat wel hebben gedaan dan zou het LPG-onderdeel van de aanvragen zijn afgewezen. De gemeente betwist echter dat Jedi door de verleende vergunningen schade heeft geleden als gevorderd.

Voorts bestrijdt de gemeente gemotiveerd de diverse schadeposten. In het bijzonder heeft zij bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis met betrekking tot de bouwkundige aanpassingen van autowasplaats.

3.3 In reconventie stelt de gemeente dat Jedi in strijd met de uitdrukkelijke tekst van de overeenkomst ter zaken van de koop/verkoop van de bewuste grond heeft gehandeld, nu de bouw van een LPG-station immers was uitgesloten. De gemeente stelt dat zij, bij een bestemming inclusief LPG-installaties, een hogere koopsom had kunnen bedingen. Zij stelt dat zij schade heeft geleden, waarvan de omvang bij staat dient te worden opgemaakt.

3.4 Jedi heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Beoordeling van het geschil

In conventie:

4.1 De rechtbank zal allereerst ingaan op het verzet van de gemeente tegen de vermeerdering van eis.

De grondslag van de beoordeling daarvan wordt gevonden in artikel 134 Wetboek van Rechtsvordering: is er sprake van dat de gemeente in haar verdediging onredelijk wordt bemoeilijkt, danwel wordt het geding daardoor onredelijk vertraagd? De rechtbank beantwoordt deze beide vragen ontkennend. Gelet op de wijze waarop de gemeente haar verweer heeft geformuleerd -zowel de "oude" als de "nieuwe" eis vindt zij onvoldoende onderbouwd- kan niet worden gezegd dat de gemeente onredelijk in haar verdediging is bemoeilijkt.

De aktewisseling heeft voorts een vertraging van 8 weken veroorzaakt. Van een onredelijke vertraging in de procedure is, gezien het totale procesverloop, evenmin sprake.

De rechtbank zal dan ook recht doen op basis van de gewijzigde vordering.

4.2 Kern van het geschil in conventie betreft de vraag of de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door de gevraagde vergunningen te verlenen zoals zij heeft gedaan, en zo ja, of Jedi daardoor schade heeft geleden waarvoor de gemeente aansprakelijk is.

4.3 Bij de beoordeling van deze vraag moet het volgende worden vooropgesteld.

Wanneer tegen een beschikking een met voldoende waarborgen omklede administratieve rechtsgang heeft opengestaan, dient de burgerlijke rechter, zo deze rechtsgang niet is gebruikt, ervan uit te gaan dat die beschikking zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. De aan dit beginsel verbonden bezwaren kunnen echter door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat hierop, gezien de bijzonderheden van het geval, een uitzondering moet worden gemaakt. Van zodanige uitzondering kan met name sprake zijn wanneer de burger en het overheidslichaam het erover eens zijn dat de door het overheidslichaam genomen beschikking onrechtmatig is. Daartoe is voldoende dat de burger zich op het standpunt stelt dat van onrechtmatigheid sprake is en hij uit de verklaringen en gedragingen van het overheidslichaam begrijpt en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mag begrijpen dat het overheidslichaam die onrechtmatigheid erkent.

4.4 De gemeente heeft erkend dat zij ten onrechte de aanvraag tot verlening van de milieuvergunning niet heeft getoetst aan de voor LPG-installaties geldende afstandscriteria. Tevens heeft zij door haar handelwijze -in het bijzonder het overleg dat zij zowel mondeling als schriftelijk met Jedi heeft gevoerd- de indruk gewekt dat ook zijzelf van mening was dat de bewuste vergunning niet verleend had mogen worden. Niet valt in te zien waarom Jedi hieruit niet had mogen begrijpen dat die vergunning aldus onrechtmatig is verleend. De rechtbank gaat aldus uit van de onrechtmatigheid van de desbetreffende beschikking.

4.5 De volgende vraag is of Jedi hierdoor ook schade heeft geleden waarvoor de gemeente aansprakelijk is. Daartoe heeft, volgens vaste jurisprudentie, te gelden dat de aansprakelijkheid van de gemeente jegens Jedi als vergunninghouder niet verder strekt dan tot vergoeding van de schade die Jedi heeft geleden omdat zij op de rechtmatigheid van de vergunning heeft vertrouwd en heeft mogen vertrouwen. Voor de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is zijn de volgende omstandigheden van belang.

4.6 Vast staat:

- dat Jedi in 1990 de gemeente benaderd heeft met een verzoek om een vestiging van een motorbrandstoffen-verkooppunt inclusief LPG op het Poldervlak toe te staan;

- dat Jedi toen reeds twee benzinestations in Almere exploiteerde;

- dat Jedi in 1991 door de gemeente op de hoogte werd gesteld van het feit dat op het Poldervlak woningbouw zou plaatsvinden;

- dat de oprichting van een LPG-tankstation op de bewuste lokatie zich niet verdroeg met die woningbouw, gelet op de uit veiligheidsoverwegingen geldende afstandseisen;

- dat de gemeente dit ook met zoveel woorden schriftelijk aan Jedi heeft medegedeeld;

- dat LPG als te verkopen motorbrandstof uitdrukkelijk is uitgesloten bij het sluiten van de koopovereenkomst met betrekking tot het stuk grond waarop het tankstation zou worden opgericht en waarop de hiervoor bedoelde correspondentie zag;

- dat ten tijde van de vergunningaanvraag door Jedi, gericht op de bouw en inrichting van een benzinestation inclusief LPG op die lokatie, de woningbouwvergunning voor het Poldervlak al was verleend.

4.7 Onder deze omstandigheden, in onderling verband beschouwd, kan gezegd worden dat de verlening van de vergunning aan Jedi, voorzover betrekking hebbend op het LPG-vulpunt, een zo onmiskenbare wetsschending meebracht, dat Jedi had moeten begrijpen dat de gemeente deze vergunning niet had mogen verlenen zoals zij heeft gedaan.

4.8 Doch zelfs indien dit anders mocht zijn, in elk geval leiden die omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank tot de conlusie dat Jedi er redelijkerwijs niet op had mogen vertrouwen dat de gemeente een vergunning uit hoofde van de Wet Milieubeheer zou verlenen zoals zij heeft gedaan, derhalve betrekking hebbend op de situatie waarbij het aan Jedi werd toegestaan om ter plaatse een motorbrandstoffen- verkooppunt inclusief LPG op te richten.

4.9 In aanmerking genomen het hiervoor in r.o. 4.5 geformuleerde criterium ten aanzien van de vraag of de gemeente aansprakelijk is te houden voor de door Jedi gestelde schade, moet de slotsom zijn dat voor zodanige aansprakelijkheid geen grond is.

De vordering in conventie dient dan ook te worden afgewezen. De overige stellingen en weren van partijen behoeven derhalve geen nadere bespreking meer.

4.10 Jedi zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

In reconventie:

4.11 De gemeente stelt schade te hebben geleden omdat zij, had zij tevoren bedacht dat zij op het bewuste perceel wel een motorbrandstoffenverkooppunt met LPG had willen toestaan, dan naar haar zeggen een hogere koopsom voor de grond had kunnen bedingen. De rechtbank kan de gemeente hierin niet volgen. Het is immers aan de onoplettendheid van de gemeente zelf te wijten dat uiteindelijk de situatie van de alsnog toegestane LPG-verkoop is gerealiseerd. Indien het punt van de koopsom voor de gemeente destijds van belang was geweest had het op haar weg gelegen om daar civielrechtelijke afspraken over te maken. Nu zij dat heeft nagelaten kan zij niet alsnog wijziging van de koopsom bedingen.

4.12 Waar de gemeente zich beroept op wanprestatie van Jedi, gegrond op het feit dat zij zich niet heeft gehouden aan artikel C van de koopovereenkomst waarin de verkoop van LPG wordt uitgesloten, stelt zij de vraag aan de orde of de gemeente langs privaatrechtelijke weg kan bereiken hetgeen zij langs bestuursrechtelijke weg heeft nagelaten te verrichten.

Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord; krachtens de heersende leer is zulks alleen mogelijk indien de privaatrechtelijke weg de bestuursrechtelijke grondslagen niet doorkruist. De reden dat de bewuste bepaling C in de koopovereenkomst is opgenomen moet naar haar aard en blijkens de overgelegde correspondentie echter allereerst gezocht worden in de publieke taak van de gemeente. In zoverre prevaleert de bestuursrechtelijke handhavingsweg -waarvan de gemeente inmiddels heeft afgezien door alsnog toe te staan dat ter plaatse LPG wordt verkocht- en is er geen ruimte voor een privaatrechtelijke rechtsvordering op grond van niet nakoming van de overeenkomst.

4.13 Ook deze vordering zal daarom worden afgewezen, met veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.

BESLISSING

In conventie:

1. De rechtbank wijst de vordering af.

2. Jedi wordt veroordeeld in de kosten van dit geding. Deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van de gemeente Almere gevallen, bepaald op f 9.800,--

3. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie:

4. De rechtbank wijst de vordering af.

5. De gemeente Almere wordt veroordeeld in de kosten van dit geding. Deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van Jedi gevallen, bepaald op f 860,--.

Dit vonnis is gewezen door mr.W.N. Everts, en in het openbaar uitgesproken op woensdag 7 november 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.