Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2001:AD5127

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
31-05-2001
Datum publicatie
09-07-2002
Zaaknummer
01/332 en 01/333
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 20
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Woningwet 44
Woningwet 46
Woningwet 46
Woningwet 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2001/198
Module Ruimtelijke ordening 2001/3612
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector bestuursrecht

DE PRESIDENT

Reg. nrs: 01/332 en 01/333

UITSPRAAK

van de president van de rechtbank betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

A,

wonende te B,

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dronten,

verweerder,

gemachtigde: mr. A. Deuzeman, ambtenaar in dienst van de gemeente Dronten,

en

MC Projectmanagement BV,

gevestigd te Maastricht,

belanghebbende 1,

D BV,

gevestigd te e,

belanghebbende 2,

C,

wonende te B,

belanghebbende 3.

1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Het besluit van verweerder d.d. 27 februari 2001, tot ongegrondverklaring van de bezwaren van verzoeker en de handhaving van verweerders besluiten van 17 oktober 2000 en 21 november 2000, inhoudende: het aan belanghebbende 1 met vrijstelling ex artikel 19, lid 3, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) juncto artikel 20, lid 1, sub a.1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro) verlenen van bouwvergunning voor de uitbreiding van de woning op het perceel […] […] 14 te B.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluiten d.d. 22 maart 1999 heeft verweerder met toepassing van artikel 19 van de WRO (oud) en artikel 50, lid 5, van de Woningwet (Ww) de – door belanghebbende 1 – op 15 april 1998 voor het bouwen van 17 projectmatige en op 28 mei 1998 – onder anderen door verzoeker – voor het bouwen van drie particuliere woningen gevraagde bouwvergunningen verleend. Het bezwaar van een aantal omwonenden gericht tegen deze bouwvergunningen is door verweerder bij besluit d.d. 29 juni 1999 ongegrond verklaard. Tegen het besluit d.d. 29 juni 1999 is beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak d.d. 29 november 2000 (Awb 99/6388) is het besluit d.d. 29 juni 1999 vernietigd; de bouwvergunningen zijn in stand gebleven.

Op 26 april 2000 heeft belanghebbende 1 verweerder verzocht bouwvergunning te verlenen voor het aanpassen van de woning, kavel X, op het perceel […] […]14 te B, kadastraal bekend gemeente B sectie […], nummer […]. […] […] 14 is één van de 17 projectmatig te bouwen woningen in het […].

Het voornemen om aan de aanpassing van de woning medewerking te verlenen is door verweerder op 16 juni 2000 gepubliceerd in de plaatselijke media. Het bouwplan heeft ingaande 19 juni 2000 gedurende vier weken tot en met 17 juli 2000 ter inzage gelegen.

Bij besluit d.d. 17 oktober 2000 heeft verweerder vrijstelling ex artikel 19, derde lid, van de WRO juncto artikel 20 van de Bro verleend voor de aanpassing, met dien verstande dat:

- het venster van de verblijfsruimte boven de garage aan de achterzijde wordt gerealiseerd in plaats van in de zijgevel; en

- de vensters in de garage van ondoorzichtig glas worden voorzien en vaststaand worden uitgevoerd.

Bij schrijven van 11 november 2000 heeft verzoeker tegen verweerders besluit van 17 oktober 2000 bezwaar gemaakt.

Voor het door belanghebbende 1 naar aanleiding van het besluit d.d. 17 oktober 2000 aangepaste bouwplan is op 14 november 2000 een positief welstandsadvies afgeven.

Bij besluit d.d. 21 november 2000 heeft verweerder vervolgens voor het aangepaste bouwplan bouwvergunning verleend.

Op 6 december 2000 zijn partijen over het bezwaar van verzoeker gehoord. Bij besluit d.d. 27 februari 2001 heeft verweerder na heroverweging in bezwaar besloten de verleende vrijstelling en bouwvergunning in stand te laten.

Op 21 maart 2001 heeft verzoeker tegen verweerders beslissing op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Voorts heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Belanghebbenden zijn op 22 maart 2001 en 14 mei 2001 in de gelegenheid gesteld om als partij aan het geding deel te nemen. Verweerder heeft op 5 april 2001 een verweerschrift ingediend.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is onderzocht ter zitting van de president op 17 mei 2001, alwaar verzoeker in persoon is verschenen en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. Deuzeman, voornoemd. Belanghebbenden zijn niet verschenen.

3. Overwegingen

3.1 Toetsing

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de president van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dit in aanmerking genomen dient te worden nagegaan of met betrekking tot het besluit van verweerder d.d. 27 februari 2001, het belang van verzoeker bij een onverwijlde voorlopige voorziening opweegt tegen het belang van onmiddellijke uitvoering van bedoeld besluit.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de president bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

3.2 Standpunten van partijen

Verzoeker vordert vernietiging van de voor de verbreding van de woning aan […] […] 14 verleende bouwvergunning. Verweerder meent dat geen redenen aanwezig zijn om de vordering in het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Partijen komen hiertoe op grond van de onderstaande argumenten. Verzoeker stelt dat hij er terecht van heeft kunnen uitgaan dat er volgens het bebouwingsplan/straatbeeld zou worden gebouwd. Verweerder vertoont – zo stelt verzoeker – ten aanzien van de handhaving een inconsequent beleid. In het ene geval volgt verweerder de lijn van het bebouwingsplan/straatbeeld. In het andere geval het bestemmingsplan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan „Dronten-West, Agrarisch Onderwijs“ het juridische kader is waaraan het onderhavige bouwplan dient te worden getoetst. Het bebouwingsplan heeft slechts indicatieve waarde. Verzoeker stelt er terecht van te zijn uitgegaan dat de 2,5 meter-norm tussen de bebouwing op de kavel X ([…] […] 14) en zijn kavel Y ([…] […] 16) gehandhaafd zou blijven. Verweerder merkt te dezen op, dat ingevolge het onderliggende vastgestelde en inmiddels goedgekeurde bestemmingsplan de woningen tot op de zijdelingse perceelsgrenzen mogen worden gebouwd. De bepaling in artikel 5, lid 4 onder b van het bestemmingsplan is ten gevolge van het partiële goedkeuringsbesluit in werking getreden, zij het dat deze nog niet onherroepelijk is geworden. Naar de visie van verzoeker overtreft de vergroting van […] […] 14 de 10%-norm, als gesteld in het door GS niet akkoord bevonden bestemmingsplan en voldoet deze eveneens niet aan het bebouwingsplan/straatbeeld. In verweerders besluit wordt volgens verzoeker voorts een onjuiste terminologie gebruikt. Daar waar gesproken wordt over „het in geringe mate aanpassen van de aanbouw van de woning“ gaat het om vergroting (van 30%) van het hoofdgebouw (keuken, slaapvertrek boven de garage en de garage), niet van een aanbouw. Het bestemmingsplan kent de term „aanbouw“ niet, maar spreekt over bijgebouw. Verweerder voert te dezen aan, dat het bestemmingsplan de realisering van woningen van maximaal 600 m3 toestaat en dat de verbreding binnen de vrijstellingsmogelijkheid van artikel 19, lid 3, WRO past. Vrijstelling was nodig – aldus verweerder – omdat het maximaal toegestane bouwvolume van 600 m3 met 75 m3 wordt overschreden. Verzoeker stelt geen bezwaar te hebben kunnen maken tegen het ingediende bestemmingsplan betreffende het project, omdat zijn woning een integraal onderdeel daarvan vormde en het onlogisch is tegen de eigen bouw bezwaar te maken. Verweerder bestrijdt dit. Naar de mening van verweerder stond verzoeker niets in de weg om bezwaar te maken tegen de voor de projectmatige woningen afzonderlijke verleende bouwvergunningen. Uit de uitspraak van de rechtbank van 29 november 2000 is naar het oordeel van verzoeker duidelijk geworden dat verweerder met de afgifte van de bouwvergunningen voor de projectmatige woningen had moeten wachten tot op het bestemmingsplan was beslist. Alsdan had verzoeker wel bezwaar kunnen maken tegen de erfgrensbepaling. Verweerder deelt verzoekers mening in deze niet. Verweerder stelt zich op het standpunt dat tussen de woningen geen onderscheid kon worden gemaakt. Voorts meent verweerder nog dat projectmatige bouw van een cluster woningen als de onderhavige niet met zich brengt dat nooit en te nimmer afwijkingen van het oorspronkelijke bouwplan mogelijk zijn, mits de hoofdkarakteristiek in tact blijft. Verweerder merkt op dat de bouwactiviteiten vergunningplichtig zijn, dat is getoetst aan de daartoe relevante weigeringsgronden in de Woningwet en dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit. De aanpassing van het bouwplan dient naar de mening van verweerder ten opzichte van de oorspronkelijke bouwaanvraag als een vergunningvrije bouwactiviteit te worden aangemerkt omdat er geen ingrijpende wijziging heeft plaatsgevonden. Voorts is met de privaatrechtelijke belangen van verzoeker rekening gehouden door de vergunning onder de daarin genoemde voorwaarden te verlenen.

3.3 Wettelijk kader

In artikel 19, eerste tot en met derde lid van de WRO is bepaald:

1. De gemeenteraad kan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke

onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.2. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

3. Burgemeester en wethouders kunnen eveneens vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Artikel 44 aanhef en onder c van de Woningwet (Ww) bepaalt:

De bouwvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien:

c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Artikel 46, eerste en derde lid, van de Ww bepalen:

1. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag om bouwvergunning binnen dertien weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen.

3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

t

Artikel 49 van de Ww bepaalt voor zover van belang:

2. Indien artikel 46, derde lid, van toepassing is en de aanvraag om bouwvergunning slechts kan worden ingewilligd na verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, beslissen burgemeester en wethouders omtrent die aanvraag:

a. indien geen verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is vereist, binnen dertien weken na afloop van de termijn van terinzageligging bedoeld in artikel 19a, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;

3. Indien burgemeester en wethouders, of in voorkomend geval, de gemeenteraad de vrijstelling hebben onderscheidenlijk heeft verleend en niet wordt voldaan aan het eerste of tweede lid, is de bouwvergunning van rechtswege verleend.

4. Verlening van de bouwvergunning ingevolge het derde lid wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De verlening van de vrijstelling wordt geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

Artikel 20, lid 1, sub a.1 van het Bro bepaalt:

1. Voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet komen in aanmerking:

a. een uitbreiding van of een bijgebouw bij:

1°. een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

3.4 Planologische gegevens

Op 29 mei 1997 heeft de raad van de gemeente Dronten het bestemmingsplan „Dronten-West/Agrarisch onderwijs“ vastgesteld. Met het plan wordt beoogd de oprichting van het Agrarisch Kenniscentrum Flevoland en de bouw van 20 woningen, […] […], mogelijk te maken. Het plan is door gedeputeerde staten van Flevoland (GS) gedeeltelijk goedgekeurd. Aan de bepalingen en het plandeel betrekking hebbend op het wonen in het […] is door GS bij besluit d.d. 6 januari 1998 goedkeuring onthouden. Op 25 mei 1998 heeft de gemeenteraad van Dronten een voorbereidingsbesluit genomen met het oogmerk om voor het […] artikel 19 van de WRO toe te passen. Het besluit van GS van 6 januari 1998 is voor zover daarbij goedkeuring aan het genoemde plandeel is onthouden bij uitspraak d.d. 5 juni 2000 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) vernietigd. Bij besluit d.d. 31 oktober 2000 hebben GS aan voornoemd plandeel vervolgens alsnog goedkeuring verleend, waarna ook dit deel in werking is getreden. Tegen het laatstgenoemde besluit van GS is door de omwonenden van het […] namelijk wel opnieuw beroep ingesteld bij de ABRS, maar geen verzoek om voorlopige voorziening bij de voorzitter van de ABRS ingediend.

Artikel 5, lid 1, van het bestemmingsplan Dronten-West/Agrarisch Onderwijs bepaalt:

De gronden die op de plankaart zijn aangewezen voor “Agrarisch kenniscentrum“ zijn bestemd voor:

a. primair: agrarisch onderwijs en agrarisch onderzoek het geven van voorlichting op agrarisch terrein, alsmede hoogwaardige werkgelegenheid op aan de agrarische bedrijfsvoering verwant terrein in de vorm van kantoren en laboratoria’s , alsmede voor woningen, voorzover de gronden daartoe nader op de plankaart zijn aangeduid.

b. secundair: huisvesting voor studenten, conferentie- en vergaderruimten, gastenverblijven en voet- en fietspaden.

Artikel 5, lid 4, van het bestemmingsplan bepaalt voor zover hier van belang:

Op de in lid 1 bedoelde gronden zijn toegelaten bij deze bestemming behorende of daarin passende gebouwen, met dien verstande dat:

a. het bebouwingspercentage niet meer mag bedragen dan op de plankaart is aangegeven;

b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding „woningen toegestaan“ op de plankaart mogen woningen worden gebouwd, onder de volgende voorwaarden:

1. in totaal zijn 20 woningen toegestaan;

2. de inhoud van een woning mag niet meer dan 600 m3 bedragen;

3. bij iedere woning mag maximaal 60 m2 aan bijgebouwen worden gebouwd.

e. de toegelaten goothoogte bedraagt voor:

- woningen ten hoogste 3.50 meter;

- bijgebouwen ten hoogste 3 meter.

De woning […] […] 14 is gesitueerd in het plandeel van het bestemmingsplan Dronten-West/Agrarisch Onderwijs, waar woningen zijn toegestaan.

3.5 Beoordeling

3.5.1 Spoedeisend belang

Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift ter onderbouwing van het spoedeisende karakter van zijn verzoek om een voorlopige voorziening aangevoerd, dat belanghebbende 1 en 2 dringend een aanvang willen maken met de bouwwerkzaamheden en dat, indien dit daadwerkelijk geschiedt, een weg terug moeilijk meer is in te slaan. De president acht een dergelijk spoedeisend belang, het belang van de overige partijen bij een spoedig oordeel over het onderhavige besluit mede in acht genomen, zodanig van gewicht dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet reeds om de reden dat nog geen aanvang met de bouw is genomen zou moeten worden afgewezen.

3.5.2 Ontvankelijkheid in bezwaar

Bij besluit d.d. 17 oktober 2000 heeft verweerder vrijstelling ex artikel 19, derde lid, van de WRO juncto artikel 20 van de Bro verleend voor de aanpassing van de woning […] […] 14. Verzoeker heeft daartegen op 11 november 2000 bij verweerder bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft verweerder op 21 november 2000 met toepassing van de verleende vrijstelling bouwvergunning verleend voor de aanpassing van de woning.

Gelet op de hiervoor geciteerde artikelen 46 en 49 van de Ww was verweerder op 21 november 2000 niet meer bevoegd bouwvergunning te verlenen, omdat de fatale termijn om te beslissen op de aanvraag reeds was verstreken en inmiddels van rechtswege bouwvergunning was verleend.

Tegen het verlenen van vrijstelling ex artikel 19, lid 3, van de WRO staat, nu deze vrijstelling in casu is bedoeld om bouwvergunning te kunnen verlenen, niet afzonderlijk de mogelijkheid van bezwaar open. Verzoekers bezwaarschrift moet echter worden geacht – tevens – te zijn gericht tegen de van rechtswege verleende bouwvergunning. Het bezwaarschrift is bovendien binnen de bezwaartermijn ingediend, zodat verweerder het naar het oordeel van de president terecht ontvankelijk heeft geacht.

3.5.3 Ten gronde

De president overweegt – anders dan verzoeker stelt – dat niet een bebouwingsplan/straatbeeld het kader is waaraan een bouwaanvraag c.q. een aanpassing daarvan dient te worden getoetst, maar het ter plaatse vigerende bestemmingsplan. Sinds het bestemmingsplan „Dronten-West/Agrarisch onderwijs“ in werking is getreden, is dit plan het toetsingskader voor bouwvergunningen. Bepalend is daarbij de datum van 27 februari 2001, het moment waarop verweerder de bouwvergunning tot aanpassing van de woning […] […] 14 heeft gehandhaafd. Opgemerkt zij daarbij dat de president dit besluit opvat als strekkend tot handhaving van de van rechtswege verleende bouwvergunning.

Vaststaat, dat de aanpassing van de woning […] […] 14 in strijd is met de voorschriften van het vigerende bestemmingsplan, reeds omdat de inhoud van de woning na aanpassing te groot zal zijn. Verweerder heeft gemeend met toepassing van de vrijstelling ex artikel 19, lid 3 van de WRO juncto 20, lid 1, sub a.1 van het Bro de bouwvergunning voor die aanpassing te kunnen handhaven.

De aanpassing van […] […] 14 betreft een bij te bouwen gedeelte met een bruto-vloeroppervlakte van 54 m2 en een bruto-inhoud van 125 m3 – hetgeen een overschrijding is van 75 m3 van de maximaal toegestane inhoud – door de woning over de gehele linker zijgevel met 1,5 meter te verbreden en deze voorts over het garagedeel op een gelijkblijvende hoogte van 5,4 meter met 2,0 meter naar achteren toe te verlengen. Een en ander volgt uit de stukken zoals die ter zitting met instemming van partijen aan het onderhavige dossier zijn toegevoegd.

Getoetst dient te worden of verweerder terecht heeft gemeend bevoegd te zijn tot het verlenen van deze vrijstelling. De president beantwoordt die vraag ontkennend en wijst daarvoor op hetgeen in de Nota van Toelichting bij artikel 20 van het Bro is gegeven. Hieruit volgt dat de besluitgever met de onderhavige regeling heeft beoogd voor burgemeester en wethouders de mogelijkheid te bieden om voor bouwwerken van ondergeschikte betekenis vrijstelling te verlenen. Naar het oordeel van de president is de onderhavige aanpassing van […] […] 14 evenwel niet te kenschetsen als van ondergeschikte betekenis. Bij de aanpassing van […] […] 14 gaat het gelet op de aard en de omvang niet slechts om de uitbreiding met een aanbouw of een bijgebouw, maar om uitbreiding van de gehele woning. Verweerder heeft dan ook ten onrechte gemeend bevoegd te zijn tot het verlenen van de vrijstelling ex artikel 19, derde lid, van de WRO. Op grond hiervan dient te worden geconcludeerd, dat deze vrijstelling niet kan dienen als grondslag voor handhaving van de bouwvergunning, zodat het besluit d.d. 27 februari 2001 wegens strijd met het bepaalde in artikel 19, derde lid, van de WRO en – nu het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan – artikel 44 aanhef en onder c van de Ww voor vernietiging gereed ligt.

De president ziet in het vorenstaande aanleiding om de overigens door partijen aangevoerde standpunten onbesproken te laten.

De president is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. Nu partijen in de uitnodiging voor de zitting zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb, en zij daarmee ter zitting hebben ingestemd, bestaat er geen beletsel voor toepassing van dat artikel.

De president zal het door verzoeker ingestelde beroep dan ook gegrond verklaren en het besluit van 27 februari 2001 vernietigen. Er zijn geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, nu verweerder dan wel de gemeenteraad van Dronten mogelijk op grond van het bepaalde in artikel 19, tweede dan wel eerste lid, van de WRO alsnog vrijstelling voor de aanpassing van de woning […] […] 14 kunnen verlenen. De daartoe noodzakelijke belangenafweging kan plaatsvinden in het kader van de als gevolg van de vernietiging van het besluit d.d. 27 februari 2001 nieuw te nemen beslissing op bezwaar.

Verzoeker houdt belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, nu vooralsnog niet vaststaat of alsnog vrijstelling van het bestemmingsplan zal worden verleend en mitsdien de rechtmatigheid van de bouwvergunning twijfelachtig blijft. De president zal de besluiten d.d. 17 oktober 2000 en 21 november 2000 in verband met die twijfel dan ook schorsen.

De president zal bepalen dat de gemeente Dronten aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ad totaal ƒ 450,= moet vergoeden.

4. Beslissing

De president van de rechtbank

- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer 01/333, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 27 februari 2001;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer 01/332, toe en schorst de besluiten van 17 oktober 2000 en 21 november 2000;

- bepaalt dat de gemeente Dronten aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ad ƒ 450,= vergoedt.

Gewezen door mr. W.J.B. Cornelissen, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2001 in tegenwoordigheid van R.K. Witteveen als griffier.

Tegen deze uitspraak staat, voor zover het betreft de beslissing in de hoofdzaak, voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

afschrift verzonden op