Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2001:AD4802

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
18-07-2001
Datum publicatie
25-10-2001
Zaaknummer
47341 / HA ZA 99-483
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK

TE ZWOLLE

Meervoudige civiele kamer

Zaaknr/rolnr : 47341 / HA ZA 99-483 (hoofdzaak)

Zaaknr/rolnr : 53224 / HA ZA 00-57 (vrijwaring)

Uitspraak : 18 juli 2001

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

de naamloze vennootschap ROYAL NEDERLAND VERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

advocaat mr. F. Stadermann te Rotterdam,

en

[gedaagde in de hoofdzaak],

wonende te Lelystad,

gedaagde in de hoofdzaak,

procureur mr. E.R. van Schaik,

alsmede in de zaak, aanhangig tussen:

[eiser in vrijwaring],

wonende te Lelystad,

eiser in vrijwaring,

procureur mr. E.R. van Schaik,

en

de naamloze vennootschap AEGON SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde in vrijwaring,

procureur mr. M.G.I.W. Teunis,

advocaat mr. H.E.M. Hulleman te Leeuwarden.

Partijen worden hierna Royal Nederland, [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] en Aegon genoemd.

PROCESGANG

in de hoofdzaak

Bij tussenvonnis van 24 januari 2001 is de beslissing in de hoofdzaak aangehouden totdat ook de procedure in vrijwaring tussen [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] en Aegon in staat van wijzen is.

in vrijwaring

De zaak is na verleend verlof van de rechtbank in de hoofdzaak, bij op 3 januari 2000 uitgebrachte dagvaarding aanhangig gemaakt. Partijen zijn verschenen, waarna de volgende processtukken zijn gewisseld:

- een conclusie van eis in vrijwaring van de zijde van [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring];

- een conclusie van antwoord in vrijwaring van de zijde van Aegon;

- een conclusie van repliek in vrijwaring van de zijde van [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring];

- een conclusie van dupliek in vrijwaring van de zijde van Aegon.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten doen bepleiten. De pleitnotities zijn als gedingstuk overgelegd.

Tenslotte is door partijen vonnis gevraagd.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

in vrijwaring

De vordering van [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] strekt ertoe dat de rechtbank bij vonnis in de hoofdzaak Aegon gelijktijdig veroordeeld om aan [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] tegen kwijting te betalen al datgene waartoe [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] als gedaagde bij vonnis in de hoofdzaak ten behoeve van Royal Nederland mocht worden veroordeeld, met veroordeling van Aegon in de kosten van het geding in de hoofdzaak en in de vrijwaring.

Daartegen is door Aegon verweer gevoerd met conclusie [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] in zijn vordering tot vrijwaring niet ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen, [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] te veroordelen in de kosten van de procedure en de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

MOTIVERING

Nu zowel de procedure in de hoofdzaak als die in vrijwaring tegelijk in staat van wijzen zijn, doet de rechtbank op de voet van artikel 73 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bij één vonnis uitspraak.

Daarbij zal de rechtbank, gelet op de aard en inhoud van de te nemen beslissingen daarin, eerst de vordering in vrijwaring behandelen.

1 Vaststaande feiten in vrijwaring

1.1 Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist - mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden - het volgende vast.

1.2 In de nacht van vrijdag 13 januari 1995 op zaterdag 14 januari 1995 is [naam school] aan het [adres school] te Lelystad, eigendom van de gemeente Lelystad, geheel afgebrand. Rond middernacht zijn [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] en [vriend van gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] samen bij de school geweest. [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] is in het schoolgebouw binnengegaan, terwijl [vriend van gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] buiten bleef staan. [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] heeft een prullenbak in brand gestoken. [vriend van gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] zag dat het vuur in de prullenbak doofde.

[gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] is daarna verder de school ingelopen en heeft daar handdoeken in een wasmand in brand gestoken. [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] en [vriend van gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] zijn vervolgens samen verder gelopen en na een wandeling weer bij de school teruggekeerd. In de tussentijd heeft [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] aan [vriend van gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] verteld dat hij handdoeken in brand had gestoken. Bij terugkeer bij de school constateerden [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] en [vriend van gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] dat de school in brand stond. [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] noch [vriend van gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] heeft de brandweer gebeld.

1.3 Bij vonnis van 31 maart 1995 is [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] in verband met deze brandstichting door de kinderrechter veroordeeld.

1.4 Op grond van een brandverzekeringsovereenkomst hebben Royal Nederland en enkele andere verzekeraars in verband met de schade aan de school een bedrag van f 1.069.332,- aan de gemeente Lelystad uitgekeerd.

1.5 Royal Nederland is door deze overige verzekeraars gemachtigd om mede namens hen regres te nemen op [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] en [vriend van gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring]. Het regres is onderworpen aan het Bindend Besluit Regres. Op grond van dit besluit vindt regres van brandverzekeraars op particulieren alleen plaats, wanneer er sprake is van schade die met goedvinden van de aansprakelijke is ontstaan dan wel sprake is van een veroordeling van de aansprakelijke wegens misdrijf in verband met de schade.

1.6 Royal Nederland heeft [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] bij brief van 15 april 1996 wettelijke rente aangezegd met ingang van 29 april 1996.

2 Standpunt [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] in vrijwaring

2.1 [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] is van mening dat Aegon uit hoofde van de aansprakelijkheidsverzekering die zijn ouders ten tijde van de brand bij Aegon hadden afgesloten, gehouden is om hem dekking te geven tot het bedrag waartoe hij in de hoofdzaak zal worden veroordeeld. Gelet op zijn minderjarigheid ten tijde van de brandstichting valt zijn aansprakelijkheid onder die verzekering. Aegon komt geen beroep toe op de in artikel 4.1 van de toepasselijke 'Voorwaarden Aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren nr. 1010' neergelegde opzetclausule die luidt: "Uitgesloten is de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade die voor hem het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten.", aangezien in civielrechtelijke zin geen sprake is van opzettelijke brandstichting. Uit arresten van de Hoge Raad inzake de uitleg van die opzetclausule (die zich niet beperken tot gevallen van letselschade, maar ook tot gevallen van zaakschade, zoals de onderhavige), waarvan het arrest van 6 november 1998 (NJ 1999, 220) het meest recente is, volgt dat alleen schade die beoogd is dan wel schade waarvan de verzekerde zich bewust is dat deze het zekere gevolg van zijn handelen zal zijn, niet onder dekking van een aansprakelijkheidsverzekering met een opzetclausule valt. A contrario betekent dit dat schade die niet beoogd is dan wel schade waarvan de verzekerde zich niet bewust was dat deze als zeker gevolg van zijn handelen zou ontstaan, wel door de aansprakelijkheidsverzekering wordt gedekt. Nu [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring]'s opzet slechts was gericht op het in de brand steken van handdoeken in de wasmand (om zodoende het brandalarm te laten afgaan), en niet op het in brand steken van de school, en hij zich evenmin ervan bewust was dat de school vlam zou vatten als (zeker) gevolg van de brandstichting in de wasmand, valt de onderhavige schade onder de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering van zijn ouders.

3 Standpunt Aegon in vrijwaring

3.1 Aegon is daarentegen van mening dat zij zich wél kan beroepen op de in artikel 4.1 van de polisvoorwaarden opgenomen opzetclausule, zodat zij niet gehouden is tot dekking van datgene waartoe [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] in de hoofdzaak zal worden veroordeeld. Uit de door [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] bij de politie afgelegde verklaringen en de zich voorgedaan hebbende feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] de bedoeling had de school in de brand te steken en dat hij wist of kon weten dat brand(schade) aan het schoolgebouw zou ontstaan. Zou het hem alleen maar te doen zijn geweest om het brandalarm af te laten gaan, dan had hij direct na de brandstichting in de school in het schoolgebouw of vlak daarbuiten kunnen wachten. In plaats daarvan is hij naar buiten gegaan en een eindje omgelopen, en na ongeveer een kwartier weer teruggekeerd. Voor een beroep op de opzetclausule doet het er niet toe of [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] zich ervan bewust was dat de gehele school in vlammen zou opgaan dan wel of hij zich slechts ervan bewust was dat brandschade aan de school zou ontstaan. Evenmin doet het ertoe of [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] heeft beoogd de gehele school in de as te leggen of slechts heeft beoogd brandschade aan de school toe te brengen. Wel van belang is dat [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] in de school opzettelijk brand heeft gesticht ten gevolge waarvan brandschade van enige omvang aan de school is ontstaan. De restrictieve uitleg van de opzetclausule in de arresten van de Hoge Raad is uitdrukkelijk beperkt tot gevallen van letselschade.

In het Bindend Besluit Regres is overigens ook bepaald dat de brandverzekeraar ten volle regres kan nemen op de particulier die opzettelijk brand heeft veroorzaakt. De gedachte daarachter is dat een dergelijke particulier, zoals in dezen [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring], zijn aansprakelijkheid voor schade niet kan afwentelen op diens aansprakelijkheidsverzekeraar. Het zou daarenboven maatschappelijk onaanvaardbaar zijn en ook in strijd zijn met de ongeschreven rechtsregel dat bij verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid de aansprakelijkheid voor de door de verzekerde opzettelijk veroorzaakte schade in het algemeen niet door verzekering wordt gedekt.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan in vrijwaring

4.1 Kern van het geschil is de vraag of Aegon een beroep toekomt op de in de toepasselijke 'Voorwaarden Aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren nr. 1010' opgenomen opzetclausule.

4.2 Tegenover het standpunt van [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] dat voor een succesvol beroep op de opzetclausule de opzet gericht moet zijn geweest op de in feite toegebrachte schade, zodat Aegon geen beroep op de opzetclausule toekomt omdat [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] die schade niet heeft beoogd noch ervan bewust was dat die het zekere gevolg van zijn handelen zou zijn, staat het standpunt van Aegon dat voor dat beroep voldoende is dat de opzet gericht was op het toebrengen van schade van enige omvang, hetgeen volgens haar in casu vaststaat.

4.3 De rechtbank is van oordeel dat in een geval van zaakschade als het onderhavige criterium voor een terecht beroep op de opzetclausule is of [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] door de brandstichting in het schoolgebouw beoogd heeft schade van enige omvang aan de school toe te brengen dan wel zich ervan bewust was dat schade van enige omvang aan de school het zekere gevolg van de brandstichting zou zijn.

4.4 Dat [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] beoogd heeft (brand)schade van enige omvang toe te brengen, blijkt aanstonds uit zijn op 23 en 25 januari 1995 bij de politie Flevoland Midden afgelegde verklaringen:

(23 januari 1995): "(..) Ik heb toen in het halletje (van de school) een prullenbak, waarin een plastic zak zat, in de brand gestoken. Die prullenbak ging weer uit. Ik ben vervolgens verder de school ingegaan. Ik kwam een wasmand tegen, waarover twee handdoeken lagen. Ik heb met behulp van mijn aansteker een punt van een van die handdoeken in de brand gestoken. (..). Ik heb die handdoek laten branden en ben de school uitgegaan. (..)"

(25 januari 1995): "Het was die avond heel saai en rustig geweest en toen wij bij die school stonden kwam het bij ons op om wat sensatie te maken. Het idee kwam zowel van mij als van [vriend van gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] af. (..) Allebei besloten we wat rook te gaan ontwikkelen. (..) [vriend van gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] was op de hoogte van het feit dat ik binnen in de school wat in de brand zou gaan steken. Dit was ook zoals gezegd de bedoeling, daarmee doelend op het maken van wat sensatie. (..) Vanaf het moment dat ik de school ben binnengegaan heb ik in eerste instantie dus een prullenbak in brand gestoken die vervolgens weer uitging. Daarna ben ik verder gelopen en heb een mand met drie handdoeken daarover heen aangestoken met vuur uit mijn gas gevulde aansteker."

4.5 Dat [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring], zoals hij later tijdens het in het kader van het strafrechtelijk onderzoek gehouden persoonlijkheidsonderzoek heeft verklaard, alleen de bedoeling heeft gehad om het brandalarm te laten afgaan door rook te ontwikkelen en niet om de school in brand te steken en dat het hem niet duidelijk was dat door zijn handelen brandschade zou ontstaan, kan uit bovengeciteerde verklaringen niet worden afgeleid.

4.6 Bovendien duiden naar het oordeel van de rechtbank de door [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] zelf gereleveerde feiten en omstandigheden erop dat hij heeft beoogd om door de brandstichting 'rook' en 'sensatie' te veroorzaken, en mitsdien om (brand)schade van enige omvang aan de school toe te brengen. Immers, nadat [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] eerst vergeefs had geprobeerd om een prullenbak in brand te steken, heeft hij naar zijn zeggen elders in het schoolgebouw handdoeken in brand gestoken, en het gebouw verlaten zonder die brand te doven. [vriend van gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] en hij zijn vervolgens weggelopen en na ongeveer een kwartier weer naar het schoolgebouw teruggekeerd met het kennelijke doel om poolshoogte te nemen.

4.7 Gelet op het voorgaande was Aegon gerechtigd om zich op de opzetclausule te beroepen. Het door [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] gevorderde dient mitsdien te worden afgewezen.

4.8 [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] zal als de in dit geding in het ongelijk gestelde partij in de kosten daarvan worden verwezen.

in de hoofdzaak

4.9 In het tussenvonnis van 24 januari 2001 heeft de rechtbank overwogen dat er aanleiding is de verplichting tot schadevergoeding te matigen indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Voorts is overwogen dat de beantwoording van de vraag of de vordering van Royal Nederland dient te worden gematigd, afhankelijk is van de uitkomst van de procedure in vrijwaring, in die zin dat indien de vordering van [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] in vrijwaring wordt toegewezen de draagkracht van [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] geen grond meer voor matiging van de vordering van Royal Nederland oplevert.

4.10 Nu de vordering in de procedure tot vrijwaring wordt afgewezen, is er aanleiding om de verplichting tot schadevergoeding van [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] te matigen. Rekening houdend met de aard van de aansprakelijkheid van [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring], zijn huidige inkomen van f 2.100,-, zijn kansen op de arbeidsmarkt gelet op zijn lager technische opleiding en leeftijd van 23 jaar, en de verwachting dat hij in staat moet worden geacht om een hoger inkomen dan thans te verwerven, acht de rechtbank het gerechtvaardigd dat de schadevergoedingsverplichting van [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] wordt gematigd tot een bedrag van f 100.000,-.

4.11 Het voren overwogene leidt ertoe dat de - primaire - vordering van Royal Nederland tot genoemd bedrag van f 100.000,- wordt toegewezen.

4.12 [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit geding veroordeeld.

BESLISSING

in de hoofdzaak

De rechtbank veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] om aan Royal Nederland een bedrag van f 100.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 januari 1995 tot de dag van betaling.

[gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] wordt verwezen in de proceskosten en wordt veroordeeld tot betaling daarvan aan Royal Nederland. Deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van Royal Nederland gevallen, bepaald op f 10.966,95, en worden verhoogd met de over de exploitkosten verschuldigde omzetbelasting, indien en voor zover Royal Nederland die kosten ingevolge de Wet op de omzetbelasting niet kan verrekenen.

Dit vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Hetgeen meer of anders is gevorderd wordt afgewezen.

in vrijwaring

De rechtbank wijst de vordering af.

[gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring] wordt verwezen in de proceskosten en wordt veroordeeld tot betaling daarvan aan Aegon. Deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van Aegon gevallen, bepaald op f 12.585,-.

Deze proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.H.S. Lebens-de Mug, J.W.F. Houthoff en H.C.A. Walda en in het openbaar uitgesproken op woensdag 18 juli 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.