Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2001:AB2675

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
21-05-2001
Datum publicatie
16-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/5814
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanwijzing hondenuitlaatstrook is een besluit van algemene strekking, waartegen beroep openstaat.

Aanwijzing hondenuitlaatstroken op grond van art. 63 APV.

De aanwijzing van de zogenaamde hondenuitlaatstroken betreft concrete gebieden en bevat geen zelfstandige rechtsnorm, zodat het bestreden besluit geen algemeen verbindend voorschrift is, maar een zogenaamd 'ander' besluit van algemene strekking. Tegen een dergelijk besluit is wel degelijk beroep op grond van art. 8:1 Awb mogelijk. De uitzonderingen als beschreven in art. 8:2 Awb doen zich hier niet voor. De omstandigheid dat voornoemde aanwijzing meer dan één gebied met een grote oppervlakte betreft, doet hier niet aan af.

Het college van burgemeester en wethouders van Dronten, verweerder.

mr. W.J.B. Cornelissen

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Algemene wet bestuursrecht 8:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 00/5814

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van Dronten, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 4 april 2000, nummer U00.000835/BM/j.s, in welk besluit is besloten tot definitieve vaststelling van het besluit en plattegronden in het kader van het hondenbeleid van de gemeente Dronten.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij ontwerpbesluit van 3 februari 2000 heeft verweerder - zakelijk weergegeven - door middel van plattegronden aangegeven waar een aanlijnverbod voor honden geldt en waar hondenpoep niet mag blijven liggen alsmede aangegeven waar honden los mogen lopen en waar hondenpoep wel mag blijven liggen.

Verweerder heeft voorts in zijn besluit afdeling 3.5. van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing verklaard en overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling het ontwerpbesluit met de daarbij behorende plattegronden en stukken voor een ieder ter inzage gelegd en gepubliceerd via de plaatselijke media.

Tegen dit besluit zijn diverse zienswijzen ingebracht.

Vervolgens is op 15 maart 2000 een hoorzitting gehouden, waarbij de indieners in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze tegenover verweerder mondeling toe te lichten.

Bij besluit van 4 april 2000 heeft verweerder besloten kennis te nemen van voornoemde ingebrachte zienswijzen en besloten tot definitieve vaststelling van het besluit en bijbehorende plattegronden.

Dit besluit is door verweerder op 7 april 2000 bekend gemaakt onder mededeling dat besluit en plattegronden van 10 april 2000 tot 22 mei 2000 ter inzage liggen en dat tot en met 22 mei 2000 beroep ingesteld kan worden tegen dit besluit bij de Arrondissementsrechtbank te Zwolle.

Bij brief van 19 mei 2000, ter griffie ontvangen op 23 mei 2000, heeft eiser tegen dit besluit bezwaar ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft dit bezwaarschrift naar verweerder doorgestuurd. Nadat verweerder bij brief van 19 juni 2000 had medegedeeld dat hij op het besluit afdeling 3.5 van de Awb van toepassing heeft verklaard, heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser in behandeling genomen.

Verweerder heeft op 2 oktober 2000 een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 15 mei 2001 ter zitting behandeld.

Eiser is zonder bericht niet verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. Deuzeman, medewerker van de stafafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken.

3. Motivering

De rechtbank zal alvorens zij de zaak ten gronde beoordeelt, ambtshalve ingaan op de vraag of zij bevoegd is en of het beroep van eiser ontvankelijk is.

3.1. Besluit

In casu handelt het om een besluit van algemene strekking dat door verweerder op grond van artikel 63 van de APV is genomen.

Ingevolge het eerste lid van artikel 63 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Dronten (hierna de APV) is het de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is.

Het tweede lid van dit artikel regelt dat het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt voor door burgemeester en wethouders aan te wijzen plaatsen.

De aanwijzing van de zogenaamde hondenuitlaatstroken betreft concrete gebieden en bevat geen zelfstandige rechtsnorm, zodat het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank geen algemeen verbindend voorschrift is, maar een zogenaamd 'ander' besluit van algemene strekking. Tegen een dergelijk besluit is wel degelijk beroep op grond van artikel 8:1 van de Awb mogelijk. De uitzonderingen als beschreven in artikel 8:2 van de Awb doen zich hier niet voor. De omstandigheid dat voornoemde aanwijzing meer dan één gebied met een grote oppervlakte betreft, doet hier niet aan af.

3.2. Bevoegdheid

Op grond van artikel 7:1 van de Awb dient een belanghebbende alvorens op grond van artikel 8:1 van de Awb bij de rechtbank tegen een besluit beroep in te stellen, eerst tegen dat besluit bezwaar te maken. Uitzondering op deze regel wordt gevormd door het geval waarin het besluit is voorbereid met toepassing van één van de in afdeling 3.5. van de Awb geregelde procedures (artikel 7:1, lid 1, sub d, van de Awb).

Ingevolge artikel 3:14 van de Awb worden voornoemde procedures voor de voorbereiding van besluiten onder meer gevolgd indien dat bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

In zijn besluit van 3 februari 2000 heeft verweerder afdeling 3.5 van de Awb van toepassing verklaard, zodat tot de conclusie moet worden gekomen dat zonder dat eiser eerst bezwaar heeft gemaakt, de rechtbank bevoegd is om van het onderhavige beroepschrift kennis te nemen.

3.3. Ontvankelijkheid

Verweerder heeft ter zitting, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (vindplaats AB 2000/19), betoogd dat het oppervlak van de hondenuitlaatstrook dermate groot is, dat eiser door het bestreden besluit niet rechtstreeks in zijn belangen is getroffen.

De rechtbank is van oordeel dat dit betoog van verweerder geen doel kan treffen. Aangezien eiser in de directe omgeving woont van een terrein dat in het bestreden besluit is aangemerkt als hondenuitlaatzone, is hij belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De door verweerder aangehaalde uitspraak van de doet hier niet aan af. Integendeel, in de aangehaalde uitspraak van de Afdeling is overwogen dat zelfs een omwonende die niet voldoet aan het zichtcriterium belanghebbende in de zin van de Awb kan zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval als het een besluit betreft waarvan het redelijkerwijs te verwachten gevolg is dat dit invloed zal hebben op de woonomgeving van degene die in de nabijheid woont van de plaats waarop het besluit betrekking heeft. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet eiser niet alleen aan het zichtcriterium, maar kan het besluit ondanks de omvang van de hondenuitlaatstrook toch invloed op eisers woonomgeving hebben. Eiser is dan ook ontvankelijk is in zijn beroep.

Voorts heeft verweerder aangevoerd dat de omstandigheid dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om tegen het ontwerpbesluit bij verweerder zienswijzen in te brengen met zich mee moet brengen dat eiser niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De rechtbank heeft geen aanwijzing gevonden voor de juistheid van dit standpunt. Afdeling 3.5. van het Awb stelt immers niet de eis dat eiser alvorens beroep in te dienen bij de rechtbank, eerst, op straffe van niet-ontvankelijkheid zijn zienswijzen tegen het ontwerpbesluit bij verweerder moet hebben ingebracht.

Vervolgens is de rechtbank nagegaan of eisers beroepschrift tijdig is ingediend.

Het besluit van verweerder is op 7 april 2000 bekendgemaakt. Eiser heeft zijn beroepschrift gedateerd op 19 mei 2000. De in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van 6 weken loopt precies af op deze datum. Echter, uit de stempel op de envelop waar het beroepschrift kennelijk in verstuurd is, kan worden afgeleid dat deze pas op 22 mei 2000 per post is verstuurd. Dit komt overeen met de ontvangstempel van de griffie d.d. 23 mei 2000.

Op grond van artikel 6:9 van de Awb is een beroepschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Uit het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. Echter, in het krantje waarin het bestreden besluit op 7 april 2000 is gepubliceerd is een rechtsmiddelenverwijzing opgenomen, waarin is vermeld dat een belanghebbende tegen bovengenoemde besluiten tot en met 22 mei 2000 beroep kan instellen bij de rechtbank.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijk verklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Een dergelijke situatie waarin geen sprake is van verzuim, is onder meer aan de orde indien het bestuursorgaan in strijd met het bepaalde in artikel 3:45 van de Awb niet of niet juist heeft medegedeeld binnen welke termijn beroep kan worden ingesteld. Indien een bestuursorgaan een onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting verschaft, dient als uitgangspunt te gelden dat een daardoor veroorzaakte termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtszoekende mag in beginsel van de juistheid van de in die publicatie opgenomen rechtsmiddelenverwijzing uitgaan. De betrokken eiser moet dan wel zo snel mogelijk alsnog beroep instellen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aan dit vereiste voldaan en is hier sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Geconcludeerd moet derhalve worden dat eiser ontvankelijk is in zijn beroep.

3.4. Ten gronde

Het onderhavige geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

Verweerder heeft een hondenbeleid ontwikkeld en in dit beleid een aantal criteria opgesteld. Aan de hand van deze criteria wordt bepaald welke gebieden kunnen dienen als hondenuitlaatzone waar hondenpoep mag blijven liggen.

Deze criteria luiden als volgt:

- het terrein voor loslopen van honden en laten liggen van hondenpoep moet minimaal 300 m² groot zijn;

- het terrein mag niet in de directe omgeving van een kinderspeelplaats of school liggen;

- het terrein mag niet in gebruik zijn als evenemententerrein;

- het terrein moet visueel afgebakend zijn door een fietspad, voetpad, water of weg;

- het terrein mag niet direct naast woningen liggen.

Indien niet aan alle criteria kan worden voldaan wordt gemotiveerd aangegeven waarom wordt afgeweken.

De rechtbank acht dit beleid niet kennelijk onredelijk.

Verweerders besluit om het door eiser bedoelde terrein te bestempelen als hondenuitlaatstrook is genomen conform voornoemd beleid.

Eiser heeft dan wel aangevoerd dat de hondenuitlaatzone direct voor zijn perceel ligt, doch uit de overgelegde plattegronden blijkt dat tussen de hondenuitlaatzone en het perceel van eiser nog een voetpad loopt. Verweerder heeft derhalve in dit opzicht zich bij het nemen van zijn besluit gehouden aan de in het beleid genoemde criteria.

Voorts doet eiser het voorkomen alsof er sprake zal zijn van een concentratie van hondenpoep voor zijn perceel. Verweerder heeft er echter terecht op gewezen dat de hondenuitlaatzone niet slechts voor het perceel van eiser gesitueerd is, maar een strook van 28.314 m² beslaat. Dit is aanzienlijk meer dan de in de criteria genoemde minimumoppervlakte van 300 m², zodat verweerder zich in dit opzicht eveneens heeft gehouden aan zijn criteria.

Verweerder diende voorts bij het nemen van zijn besluit conform zijn beleid de betrokken belangen af te wegen.

Het is de rechtbank niet gebleken dat een dergelijke belangenafweging niet heeft plaatsgevonden. Hetgeen eiser hieromtrent voorts heeft aangevoerd heeft niet tot het oordeel kunnen leiden dat verweerder niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Van bijzondere omstandigheden die verweerder zouden moeten nopen in dit geval van zijn beleid af te wijken is de rechtbank niet gebleken.

4. Slotsom

Gezien het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder op grond van dit beleid zijn besluit heeft kunnen nemen, zodat het beroep van eiser ongegrond dient te worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

5. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. W.J.B. Cornelissen en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2001 in tegenwoordigheid van C. Kuiper als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

afschrift verzonden op