Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2001:AB2670

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
22-06-2001
Datum publicatie
16-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/8072
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2002:AE2820
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 3:43, tweede lid Awb is aanvullend op art. 19a, elfde lid WRO zoals dit luidde tot 3 april 2000.

Vrijstelling als bedoeld in art. 19 WRO en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een moskee. Bezwaren van eiseres zijn wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Het besluit tot het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning d.d. 24 maart 2000 is overeenkomstig het bepaalde in art. 3:41 Awb aan de aanvrager bekendgemaakt op 28 maart 2000. Vaststaat dat verweerder niet overeenkomstig art.19a, elfde lid WRO, zoals dit luidde tot 3 april 2000, heeft gehandeld door de mededeling als bedoeld in dit voorschrift niet te doen tegelijkertijd met de bekendmaking van de beslissing omtrent vrijstelling (en bouwvergunning) op 28 maart 2000. Bedoelde mededeling is voorts niet gedaan aan de gemachtigde van eiseres noch aan eiseres, maar door middel van publicatie in de Stadskrant op 6 april 2000.

Hoewel art. 19a, elfde lid WRO als lex specialis derogeerde aan art. 3:43, eerste lid Awb, kan de mededeling als bedoeld in genoemd artikellid van de WRO -gelet op de aard van de art.19a-WRO-procedure als openbare voorbereidingsprocedure zoals geregeld in afdeling 3.4 van de Awb- naar de strekking ervan op één lijn worden gesteld met de mededeling als bedoeld in het eerste lid van art. 3:43 Awb. Het tweede lid van art. 3:43 Awb, kort gezegd inhoudende dat indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, aan het eerste lid kan worden voldaan door middel van publicatie in een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, moet in dit geval aanvullend eveneens van toepassing worden geacht op de mededeling als bedoeld in art.19a, elfde lid WRO. Verweerder moet geacht worden met de publicatie in de Stadskrant -daargelaten het tijdstip daarvan- te hebben voldaan aan de mededelingsverplichting jegens degenen die bedenkingen naar voren hebben gebracht in verband met de anticipatieprocedure.

Geen verschoonbare termijnoverschrijding.

Ongegrond beroep.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer, verweerder.

mr. W.J.B. Cornelissen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 00/8072

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer, verweerder.

Als belanghebbende neemt aan het geding deel:

Islamitische Stichting Nederland, gevestigd te Den Haag.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 2 augustus 2000, nummer BB/JZ/00.8540, waarbij niet-ontvankelijk is verklaard het bezwaarschrift van eiseres tegen het besluit van verweerder d.d. 24 maart 2000, verzonden 28 maart 2000, tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening alsmede bouwvergunning voor het bouwen van een moskee op een perceel aan de […]straat te Deventer, kadastraal bekend gemeente Deventer, sectie […], nr 1[…].

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 24 maart 2000, nr. 991194/bwt, verzonden 28 maart 2000 heeft verweerder aan belanghebbende vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening alsmede bouwvergunning verleend voor het bouwen van een moskee op een perceel gelegen aan de […]straat te Deventer, kadastraal bekend gemeente Deventer, sectie […], nr. […].

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 11 mei 2000 bij verweerder bezwaar gemaakt, aangevuld bij brief van 12 mei 2000.

Bij besluit van 2 augustus 2000 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 3 augustus 2000 beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft verweerder op 8 september 2000 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting op 1 juni 2001, alwaar eiseres is verschenen bij gemachtigde voornoemd en verweerder bij gemachtigden drs. P.A.W. Commissaris en mr. A.J. Nijman, ambtenaren van de gemeente. Belanghebbende is vertegenwoordigd door K. Akdenir van de Islamitische Vereniging Deventer te Deventer, die namens belanghebbende heeft verzocht als partij aan het geding te mogen deelnemen.

3. Motivering

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift van eiseres in rechte kan worden gehandhaafd.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat verweerders besluit tot het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning d.d. 24 maart 2000 overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de aanvrager is bekendgemaakt op 28 maart 2000. Hetgeen eiseres, onvoldoende onderbouwd, heeft aangevoerd omtrent de datering van stukken door verweerders gemeente in het algemeen kan niet tot een ander oordeel leiden.

De termijn om tegen dit besluit bezwaar in te dienen, eindigde, gelet op hetgeen de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb bepalen omtrent de duur en aanvangsmoment van die termijn, op 9 mei 2000. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift van eiseres op 11 mei 2000 per faxbericht bij verweerder is ingediend. Vaststaat derhalve dat dit is geschied na afloop van de geldende termijn.

Eiseres is van mening dat geen sprake is van termijnoverschrijding en beroept zich daartoe op de publicatie van het vrijstellings- en bouwvergunningbesluit in de Stadskrant op 6 april 2000, die haar op het verkeerde been heeft gezet wat betreft de aanvang van de bezwaartermijn.

Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, in de eerste plaats vanwege het feit dat zo spoedig na het bekend worden met de vergunningverlening het rechtsmiddel is aangewend en in de tweede plaats omdat de gemachtigde van eiseres niet in kennis is gesteld van de besluitvorming. Zulks terwijl de gemachtigde vanwege het namens eiseres indienen van bedenkingen ten aanzien van de anticipatieprocedure bij verweerder bekend was.

De rechtbank acht eiseres' stelling dat geen sprake zou zijn van een termijnoverschrijding in verband met genoemde publicatie onjuist. Op de bekendmaking van een op aanvraag genomen en tot de aanvrager gericht besluit, waarvan in casu sprake is, is volgens de jurisprudentie, ondanks publicatie, artikel 3:41 van de Awb van toepassing, hetgeen met zich brengt dat de bekendmaking van het besluit aan de aanvrager ingevolge artikel 6:8 van de Awb bepalend is voor de aanvang van de bezwaartermijn. Op de verzenddatum van het vrijstellings- en bouwvergunningsbesluit is hiervoor reeds ingegaan. In verband hiermede behoeft de (inhoud van de ) publicatie geen verdere bespreking.

De rechtbank heeft zich vervolgens gebogen over de vraag of de door eiseres aangevoerde omstandigheden, die volgens eiseres de termijnoverschrijding verschoonbaar maken, ertoe moeten leiden dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest terzake van het na afloop van de termijn indienen van het bezwaarschrift, zodat niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan ingevolge artikel 6:11 van de Awb achterwege moet blijven.

In artikel 19a, elfde lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals die luidde tot 3 april 2000, (hierna: WRO) is -voorzover van belang- bepaald dat tegelijkertijd met de bekendmaking van de beslissing op het verzoek om vrijstelling daarvan mededeling wordt gedaan aan degenen die bedenkingen naar voren hebben gebracht.

Vaststaat dat verweerder niet overeenkomstig dit artikellid heeft gehandeld door de mededeling als bedoeld in dit voorschrift niet te doen tegelijkertijd met de bekendmaking van de beslissing omtrent vrijstelling (en bouwvergunning) op 28 maart 2000. Bedoelde mededeling is voorts niet gedaan aan de gemachtigde van eiseres noch aan eiseres, maar door middel van de genoemde publicatie in de Stadskrant.

In artikel 3:43 , eerste lid, van de Awb is bepaald dat tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit mededeling wordt gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Hoewel artikel 19a, elfde lid van de WRO naar het oordeel van de rechtbank als lex specialis derogeerde aan artikel 3:43, eerste lid van de Awb, kan de mededeling als bedoeld in genoemd artikellid van de WRO -gelet op de aard van de artikel 19a-WRO-procedure als openbare voorbereidingsprocedure zoals geregeld in afdeling 3.4 van de Awb- naar de strekking ervan op één lijn worden gesteld met de mededeling als bedoeld in het eerste lid van artikel 3:43 van de Awb. De rechtbank is voorts van oordeel dat het tweede lid van artikel 3:43 van de Awb, kort gezegd inhoudende dat indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, aan het eerste lid kan worden voldaan door middel van publicatie in een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, in dit geval aanvullend eveneens van toepassing moet worden geacht op de mededeling als bedoeld in artikel 19a, elfde lid , van de WRO.

Het voorgaande brengt met zich dat verweerder met de publicatie in de Stadskrant -daargelaten het tijdstip daarvan- geacht moet worden te hebben voldaan aan de mededelingsverplichting jegens degenen die bedenkingen naar voren hebben gebracht in verband met de anticipatieprocedure.

Op grond van het vorenstaande is in het feit dat van het besluit tot vrijstellings-en bouwvergunningverlening niet persoonlijk aan (de gemachtigde van) eiseres mededeling is gedaan, onvoldoende grond gelegen om met betrekking tot de termijnoverschrijding bij het indienen van bezwaar te oordelen dat eiseres niet in verzuim is geweest.

Eiseres heeft zich met de publicatie in de Stadskrant van 6 april 2000, gelet op het verhandelde ter zitting, eerst op 10 mei 2000, en derhalve na ommekomst van de bezwaartermijn, bij de gemachtigde gemeld, teneinde bezwaar te maken bij verweerder.

Eiseres moet evenwel geacht worden eerder op de hoogte te hebben kunnen zijn van het besluit tot vrijstellings- en bouwvergunning. Eiseres had des te meer alert dienen te zijn op een mededeling van verweerder, aangezien verweerder blijkens de gedingstukken aan al degenen die bedenkingen hebben ingediend, op 20 oktober 1999 persoonlijk, i.c. aan de gemachtigde van eiseres, een reactie daarop heeft toegezonden, houdende mededeling van het ongegrond verklaren van de bedenkingen, van het aanvragen van een verklaring van geen bezwaar ten behoeve van het afgeven van bouwvergunning en van het feit dat de afgifte van bouwvergunning zal worden gepubliceerd in de Stadskrant. Ter zitting heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat deze reactie haar (gemachtigde) niet zou zijn toegezonden. De omstandigheid dat eiseres niet eerder c.q. tijdig kennis heeft genomen van de mededeling van het besluit tot vrijstellings- en bouwvergunningverlening moet dan ook voor rekening van eiseres komen.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerders besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaarschrift van eiseres in rechte in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. W.J.B. Cornelissen en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2001 in tegenwoordigheid van A.H. Rijkens als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

afschrift verzonden op