Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2001:AB2389

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
06-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
59254/ HA ZA 00-932
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK

TE ZWOLLE

Meervoudige civiele kamer

Zaaknr/rolnr: 59254 / HA ZA 00-932

Uitspraak: 6 juni 2001

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

1. [eiser],

en

2. [eiseres],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. C.E. Jeekel,

en

1. de stichting STICHTING IJSSELMEERZIEKENHUIZEN,

gevestigd te Lelystad,

en

2. [gedaagde nummer 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. O.L. Nunes te Utrecht.

Partijen zullen in het navolgende ook wel worden aangeduid als respectievelijk [eisers], dan wel [eiser] en/of [eiseres], het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2].

PROCESGANG

De zaak is bij op respectievelijk 24 en 28 augustus 2000 uitgebrachte dagvaarding aanhangig gemaakt. Partijen zijn verschenen, waarna de volgende processtukken zijn gewisseld:

- een conclusie van eis van de zijde van [eiser];

- een conclusie van antwoord van de zijde van het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2];

- een conclusie van repliek van de zijde van [eiser];

- een conclusie van dupliek van de zijde van het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2].

Ten slotte is op verzoek van partijen op het griffiedossier vonnis bepaald.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

De vordering van [eisers] strekt ertoe, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die het gevolg is van de onbedoelde zwangerschap voortvloeiende uit de ingreep d.d. 26 april 1996, welke schade nader zal worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet met hoofdelijke veroordeling -des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd- van het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] in de kosten van deze schadestaatprocedure;

II. het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] hoofdelijk -des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd- te veroordelen tot betaling aan [eisers] van de gerechtelijk kosten ad ƒ 3.711,83 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

III. het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] hoofdelijk - des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd - te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure.

Daartegen is door het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] verweer gevoerd met conclusie de vordering aan [eisers] te ontzeggen en [eisers] te veroordelen in de proceskosten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis.

MOTIVERING

Vaststaande feiten

1. Tussen partijen staan, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, dan wel op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

1.1 In de periode waarin de onderhavige gebeurtenissen zich hebben afgespeeld was [gedaagde nummer 2] als gynaecologe werkzaam in het Zuiderzeeziekenhuis te Lelystad, geëxploiteerd door gedaagde sub 1.

1.2 Op 11 april 1996 heeft [eiseres] het spreekuur van [gedaagde nummer 2] bezocht in verband met de wens gesteriliseerd te worden.

1.3 Op 26 april 1996 heeft [gedaagde nummer 2] bij [eiseres] een laparoscopische sterilisatie verricht, door middel van de zogenaamde Filshieclip-methode. Daarbij wordt om zowel de rechter als de linker eileider een zogenaamde Filshieclip geknepen. Na het aanbrengen vernauwt de Filshieclip zich door het zwellen van het siliconen rubber binnen de clip, waardoor de eileider wordt afgesloten.

1.4 Het operatieverslag van de sterilisatie op 26 april 1996 vermeldt onder meer: "probleemloze procedure - extreem dunne tubae"

1.5 Op 15 december 1997 beviel [eiseres] desondanks van een gezonde zoon.

1.6 Op 11 februari 1998 is [eiseres] door gynaecoloog [X] geresteriliseerd, wederom door middel van de Filshieclip-methode, nu in combinatie met coagulatie, waarbij een gedeelte van de eileiders door middel van electrische stroom wordt beschadigd.

1.7 In het operatie-verslag van de resterilisatie op 11 februari 1998 staat onder meer het navolgende:

"Rechts wordt een normale tuba gezien met geen aanwijzingen voor Filshie clip. Ook in de omgeving geen losse Filshie clip zichtbaar. Links status na klippen tuba met een afgebroken tuba aan een dun adhaesief draadje hangende gesloten Filshie clip en een distaal deel tuba."

Standpunten van partijen

2. Het standpunt van [eisers] luidt - kort weergegeven - als volgt:

2.1 Het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] zijn aansprakelijk voor de gevolgen van de onbedoelde zwangerschap, (primair:) omdat zij [eisers] onvoldoende hebben geïnformeerd over de medische ingreep en (subsidiair:) omdat de ingreep niet volgens de daarvoor geldende standaard is uitgevoerd, dan wel omdat er sprake is geweest van een kunstfout.

2.2 Voor zover [eiser] niet ontvankelijk mocht worden bevonden, omdat hij niet kan worden aangemerkt als betrokkene bij de geneeskundige behandelingsovereenkomst, zijn het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] jegens hem aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad.

2.3 In het kader van de vaststelling van de aansprakelijkheid en de omvang van de schade zijn gedurende 10.53 uren buitengerechtelijke werkzaamheden verricht, waarvoor de kosten ƒ 3.711,83 inclusief BTW belopen.

3. Het standpunt van het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] luidt - kort weergegeven - als volgt:

3.1 De vordering dient aan [eiser] te worden ontzegd, omdat hij geen partij is geweest bij de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Voor zover de vordering gebaseerd is op onrechtmatige daad speelt de vraag, of voldaan is aan het relativiteitsvereiste.

3.2 [gedaagde nummer 2] heeft [eiseres] conform artikel 7:448 BW (Burgerlijk Wetboek) op duidelijke wijze over de relevante aspecten van de sterilisatie voorgelicht, waarbij zij zich heeft laten leiden door wat [eiseres] redelijkerwijs diende te weten. [gedaagde nummer 2] heeft zich er ook van vergewist dat [eiseres] alles heeft begrepen.

3.3 Indien moet worden aangenomen dat [gedaagde nummer 2] niet of onvoldoende aan haar informatieplicht heeft voldaan, dan ontbreekt het oorzakelijk verband tussen het niet voldoen aan de informatieplicht en de gestelde schade.

3.4 [gedaagde nummer 2] heeft de sterilisatie uitgevoerd zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam gynaecoloog onder gelijke omstandigheden mag worden verwacht.

3.5 De schade is niet althans onvoldoende gespecificeerd.

Beoordeling van het geschil

4. De rechtbank is van oordeel, dat [eiser] niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu hij geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn vordering. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

4.1 Gesteld noch gebleken is, dat [eiser], als partij of als derde, betrokken is bij de geneeskundige behandelingsovereenkomst. In het bijzonder kan de rechtbank het betoog van [eisers] niet volgen, dat [eiser] aangemerkt zou moeten worden als "een bepaalde derde" als bedoeld in art. 7: 446 lid 1 BW. De onderhavige geneeskundige behandeling heeft immers niet op [eiser] betrekking gehad.

4.2 Evenmin is gesteld of gebleken, dat [eiser] door de zijdens [eisers] gestelde tekortkomingen van [gedaagde nummer 2] in enig ander door het recht beschermd belang is getroffen. In het bijzonder kunnen de stellingen van [eisers] niet tot het oordeel leiden dat [gedaagde nummer 2] jegens [eiser] onrechtmatig zou hebben gehandeld, doordat zij een inbreuk gemaakt zou hebben op enig aan [eiser] toekomend recht, of doordat zij jegens hem zou hebben gehandeld in strijd met enig geschreven of ongeschreven rechtsregel.

4.3 In het navolgende zal [eiser] dan ook in enkelvoud worden aangeduid, waarmee bedoeld wordt: [eiseres].

5. Met betrekking tot de primaire grondslag van de vordering, dat [gedaagde nummer 2] onvolledige informatie zou hebben verstrekt, overweegt de rechtbank als volgt.

5.1 [eiseres] heeft aangevoerd, dat [gedaagde nummer 2] niet heeft voldaan aan de krachtens art. 7:448 BW op haar rustende informatieplicht, doordat zij een standaard gynaecologisch onderzoek bij het eerste gesprek achterwege heeft gelaten en doordat zij [eiseres] de Filshieclip-methode niet heeft uigelegd, noch alternatieve sterilisatiemethoden en mogelijke complicaties heeft besproken. De informatie is bovendien niet schriftelijk verstrekt. [eiseres] heeft in dit verband gewezen op de per 1 januari 1993 in werking getreden Nota Beleid bij Sterilisatie bij de Vrouw van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), waarin onder meer vermeld staat aan welke eisen een eerste gesprek en onderzoek dienen te voldoen.

[eiseres] heeft erkend, dat [gedaagde nummer 2] haar heeft gewezen op de kans dat er ondanks de sterilisatie toch een zwangerschap zou ontstaan, doordat er heel soms een nieuwe verbinding, een soort bypass-eileider groeit. Zij heeft daarbij gesteld, dat zij de kans hierop in haar geval op nihil geschat, heeft omdat zij tegen die tijd vanwege haar leeftijd allang niet meer vruchtbaar zou zijn.

[eiseres] heeft gesteld, dat zij niet beter wist dan dat de sterilisatie door middel van coagulatie zou plaatsvinden en dat haar, door de onvolledige informatie van [gedaagde nummer 2], de mogelijkheid is ontnomen om bezwaar te maken tegen het gebruik van de Filshie-clips

en te opteren voor de coagulatie-methode, wegens haar allergie voor zilver- en ijzermaterialen en omdat haar vriendinnen allen probleemloos door middel van coagulatie waren gesteriliseerd. Zij merkt daarbij op, dat volgens de richtlijnen van de NVOG betreffende sterilisatie bij de vrouw d.d. 26 juli 2000, de kans op zwangerschap in de leeftijdscategorie van [eiseres] bij coagulatie het kleinst is.

5.2 Het ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] hebben daartegenover gesteld, dat [gedaagde nummer 2] met [eiseres] alternatieve geboortebeperkende maatregelen, de methode van sterilisatie, en de (geringe) kans op zwangerschap na de ingreep heeft besproken en voorts is nagegaan of [eiseres] dit had begrepen. Afgesproken was, dat het gebruikelijke gynaecologisch onderzoek op de dag van de ingreep zou plaatsvinden. Het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] stellen dat [eiseres] aldus voldoende is geïnformeerd. Bovendien mocht het als algemene ervaringsregel bij [eiseres] bekend worden verondersteld, dat sterilisatie zwangerschap niet voor 100% voorkomt.

Het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] hebben voorts gesteld, dat [eiseres] nooit heeft aangegeven allergisch voor zilver- en ijzermaterialen te zijn. Zij verwijzen daarvoor naar het verslag van het intakegesprek van 11 april 1996, naar het verpleegverslag d.d. 26 april 1996 en 11 februari 1998, alsmede naar de anesthesieverslagen van 15 december 1997 en 11 februari 1998. Ook verder is van deze allergie niets gebleken. Bij de resterilisatie op 11 februari 1998 is deze allergie ook niet ter sprake gebracht. Ten overvloede hebben het

Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] opgemerkt, dat het metaal titanium zelden tot nooit tot allergische reacties leidt. Gelet op het advies dat [gedaagde nummer 2] overeenkomstig eerder genoemde Nota Beleid bij Sterilisatie bij de Vrouw van de NVOG (verder te noemen: de Nota Beleid) aan [eiseres] zou hebben gegeven, achten het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] het niet aannemelijk, dat [eiseres] voor een andere methode zou hebben gekozen.

5.3 Ingevolge artikel 7:448 BW rustte op [gedaagde nummer 2] als hulpverlener de plicht om [eiseres] op duidelijke wijze, en desgevraagd schriftelijk, in te lichten over de voorgestelde sterilisatie, en zich daarbij te laten leiden door hetgeen [eiseres] redelijkerwijze diende te weten ten aanzien van:

a) de aard en het doel van de uit te voeren verrichtingen;

b) de te verwachten gevolgen en risico's daarvan voor de gezondheid van [eiseres];

c) andere methoden van behandeling die in aanmerking kwamen;

d) de staat van en de vooruitzichten met betrekking tot de gezondheid van [eiseres] betreffende de sterilisatie;

5.4 De rechtbank acht het achterwege laten van het gynaecologisch onderzoek bij het eerste gesprek op 11 april 1996 niet van betekenis. Afgezien van de - door [eiseres] bestreden - stelling van het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] dat [eiseres] ermee heeft ingestemd, dat dit onderzoek op de dag van de ingreep zou plaatsvinden, is het de rechtbank niet gebleken, dat het achterwege blijven van dit onderzoek op 11 april 1996 op enigerlei wijze van invloed is geweest op het gestelde gebrek aan informatie bij [eiseres].

5.5 Hoewel de rechtbank het opmerkelijk vindt, dat [gedaagde nummer 2], in weerwil van de richtlijnen van het NVOG, aan [eiseres] geen schriftelijke informatie over de voorgenomen sterilisatie heeft verstrekt, zal zij daaraan geen rechtsgevolgen verbinden. Volgens de hiervoor weergegeven wettelijke bepaling behoefde [gedaagde nummer 2] immers alleen schriftelijk te informeren, indien [eiseres] hierom zou hebben verzocht. Dit laatste is niet gebleken.

5.6 Partijen geven verschillende lezingen over de mate waarin [gedaagde nummer 2] [eiseres] over de voorgenomen sterilisatie heeft geïnformeerd. De rechtbank is echter van oordeel, dat aan de lezing van [eiseres], waarin zij stelt onvoldoende te zijn geïnformeerd, niet het rechtsgevolg kan worden verbonden dat het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] aansprakelijk zijn voor de financiële gevolgen van de zwangerschap en de geboorte. De rechtbank is namelijk van oordeel, dat een oorzakelijk verband tussen de gestelde gebrekkige informatie en de zwangerschap ontbreekt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

5.7 De rechtbank acht (een schending van) de informatieplicht in deze slechts relevant voor zover die informatieplicht betrekking heeft op het risico om ondanks sterilisatie toch zwanger te raken.

Voor de vraag of er een oorzakelijk verband bestaat tussen het gestelde gebrek aan informatie en de onbedoelde zwangerschap acht de rechtbank daarom van belang of [eiseres], indien zij wel volledig zou zijn geïnformeerd, in redelijkheid zou hebben kunnen kiezen voor een sterilisatie-methode met een significant lager zwangerschapsrisico. Daarbij overweegt de rechtbank, dat gesteld noch gebleken is, dat [eiseres] bij volledige informatie geheel van sterilisatie zou hebben afgezien.

5.8 Dat de voorkeur van [eiseres] voor de coagulatie-methode, zoals zij heeft gesteld, ingegeven was door haar allergie voor zilver- en ijzermaterialen alsmede de positieve ervaringen bij haar vriendinnen, acht de rechtbank in deze irrelevant, nu deze omstandigheden in geen enkel verband staan met de kans op een onbedoelde zwangerschap en de mogelijkheid die kans te verkleinen.

5.9 Gesteld noch gebleken is, dat naar de medische kennis van 1996 aan de coagulatie-methode een kleinere zwangerschapskans moest worden toegekend dan aan de Filshieclip-methode. In de Nota Beleid (Appendix 1. Voorlichting) is aangegeven, dat de kans op zwangerschap zowel bij de clipmethode als bij coagulatie 0,5% is.

5.10 [eiseres] heeft bij repliek aangevoerd, dat de kans op zwangerschap bij coagulatie in haar leeftijdscategorie het kleinst is, en dat deze kans ten opzichte van de clipmethode een verschil te zien geeft van 2,5. Afgezien van het feit dat [eiseres] zich hierbij heeft gebaseerd op gegevens uit de richtlijnen van de NVOG van het jaar 2000 (tabel 1 bij paragraaf 2.2.) en niet gebleken is, dat deze gegevens ook reeds in 1996 bij de gynaecologen in Nederland bekend moesten worden verondersteld, deelt de rechtbank de conclusie van [eiseres] niet. Kennelijk vergelijkt [eiseres] de zwangerschapskans bij Filshieclips (die blijkens de tekst van deze richtlijnen gelijk gesteld kan worden aan de zwangerschapskans bij Faloperingen) in de leeftijdcategorie "34-44 jr" met de zwangerschapskans bij unipolaire coagulatie. In de tekst boven de betreffende tabel staat echter: "Hoewel de unipolaire coagulatie het laagste mislukkingspercentage heeft, kan deze methode niet meer worden aanbevolen vanwege het risico op complicaties, zoals thermische darmleasies." Vanwege deze complicatierisico's kan er in redelijkheid niet van worden uitgegaan dat [eiseres] voor unipolaire coagulatie zou hebben gekozen. Wanneer [eiseres] stelt, dat zij aan coagulatie zou hebben vastgehouden, moet daarbij worden uitgegaan van bipolaire coagulatie. In de betreffende tabel laat bipolaire coagulatie echter in alle leeftijdscategorieën een grotere zwangerschapskans zien dan de Faloperingen (lees ook: Filshieclips).

5.11 De rechtbank acht op grond van het voorgaande niet aannemelijk, dat [eiseres] bij volledige informatieverstrekking door [gedaagde nummer 2] zou hebben gekozen voor coagulatie, teneinde de zwangerschapskans te verkleinen. De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel, dat de primaire grondslag niet kan leiden tot toewijzing van de vordering.

6. Met betrekking tot de subsidiaire grondslag van de vordering overweegt de rechtbank als volgt.

6.1 [eiseres] voert aan, dat uit de Nota Beleid blijkt, dat bij een Filshieclip de kans op zwangerschap 0.9-2.7% is en dat de helft van deze gevallen ontstaat door een niet juist uitgevoerde operatie. Volgens [eiseres] is niet meer te achterhalen of de clip rechts al dan niet is geplaatst dan wel verkeerd is geplaatst. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] dienen te bewijzen, dat de operatie wel correct is uitgevoerd, nu de verslaglegging van de ingreep onvolledig is geweest en niet voldoet aan de eisen die de Nota Beleid daaraan stelt.

6.2 Het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] stellen dat [gedaagde nummer 2] de ingreep naar de regels der kunst heeft verricht door aan beide eileiders een Filshieclip aan te brengen en dat uit niets blijkt, dat [gedaagde nummer 2] de clip op de rechter eileider niet op de juiste wijze heeft aangebracht. Zij wijzen er bovendien op, dat een op zich correct geplaatste Filshieclip later door natuurlijke oorzaken of mechanische factoren kan afspringen of -glijden.

6.3 De rechtbank overweegt, dat het enkele feit dat [eiseres] ondanks sterilisatie toch zwanger is geworden, niet zonder meer leidt tot aansprakelijkheid van het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2]. [gedaagde nummer 2] is tegenover [eiseres] geen resultaatsverbintenis aangegaan, maar een inspanningsverplichting, omdat zwangerschap na sterilisatie, ook wanneer deze foutloos wordt uitgevoerd, nooit volledig valt uit te sluiten. Het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] kunnen eerst aansprakelijk worden gehouden wanneer komt vast te staan, dat [gedaagde nummer 2] bij de sterilisatie een fout heeft gemaakt.

6.4 Dat uit het operatieverslag van de resterilisatie op 11 februari 1998 blijkt, dat gynaecoloog [X] geen Filshieclip heeft aangetroffen op de rechter tuba, noch in de omgeving daarvan, kan niet zonder meer tot de conclusie leiden, dat [gedaagde nummer 2] een fout heeft gemaakt. In de Nota Beleid valt te lezen, met verwijzingen naar de praktijk, dat afglijden van de clip in de uren volgend op applicatie mogelijk is, mede waardoor volgens deze Nota Beleid (onder 2.2.) duidelijk is: "...dat een clip die zich niet op de tuba bevindt niet altijd een operator-failure maar ook een method-failure kan inhouden. Indien een clip niet op de tuba is gelokaliseerd en voorts blijkt dat de doorgankelijkheid van de tuba intact is en/of de tuba onbeschadigd is, zal niet met hoge mate van zekerheid gesteld kunnen worden dat er sprake is van een operator-failure."

6.5 Bij de vraag of [gedaagde nummer 2] een fout heeft gemaakt, acht de rechtbank van belang, dat de Nota Beleid over zwangerschappen na sterilisatie het volgende vermeldt (onder 6.1.1.): "Zeer waarschijnlijk is de helft van deze zwangerschappen het gevolg van technische fouten tijdens de procedure, terwijl de andere helft ontstaat ondanks een juist uitgevoerde techniek." Hoewel de Nota Beleid helaas niet vermeldt waarop deze inschatting is gebaseerd, neemt de rechtbank aan, dat - nu de sterilisatie mislukt is - er weliswaar een gerede mogelijkheid bestaat dat dit een gevolg is van een fout van [gedaagde nummer 2], maar dat de mogelijkheid evenmin valt te verwaarlozen dat dit te wijten valt aan de in de gekozen sterilisatie-methode besloten kwade kans op het afglijden van een clip. Het operatieverslag zou hieromtrent meer duidelijkheid kunnen verschaffen. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

6.6 Aan [eiseres] kan worden toegegeven, dat het operatieverslag summier oogt. Er staat echter wel in omschreven, dat de tubae extreem dun waren, hetgeen impliceert dat [gedaagde nummer 2] deze goed heeft geïdentificeerd. Voorts staat er in vermeld, dat de procedure probleemloos is verlopen. Daaruit kan worden afgeleid, dat [gedaagde nummer 2] bij het plaatsen van de clips geen problemen heeft ondervonden. Bij dupliek heeft [gedaagde nummer 2] dit toegeschreven aan het feit dat de tubae dun waren, zodat de clips er helemaal overheen konden.

Niet valt in te zien wat onder de gegeven omstandigheden nog meer in het operatieverslag vermeld had moeten worden. Ook [eiseres] heeft niet aangegeven wat zij in het door haar als onvolledig omschreven verslag aan informatie heeft gemist om aanknopingspunten te krijgen voor bewijsvoering. De rechtbank verwerpt dan ook het standpunt van [eiseres], dat het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] met dit operatieverslag niet hebben voldaan aan de op hen rustende stelplicht, zodat de rechtbank er ook niet aan toekomt om het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] in afwijking van de hoofdregel van artikel 177 WvBRv (Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) te belasten met het bewijs van hun stellingen.

6.7 Dat [eiseres] - zoals zij stelt, maar door het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] is bestreden - na de sterilisatie-ingreep hevige pijnklachten heeft gehad, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank geen conclusies met betrekking tot een eventuele kunstfout van [gedaagde nummer 2]. Als die pijnklachten al door een losse Filshieclip zijn veroorzaakt - wat gesteld noch gebleken is - kan dit evengoed een gevolg zijn het afglijden van die clip.

6.8 Nu uit het operatieverslag noch anderszins is gebleken dat [gedaagde nummer 2] een kunstfout heeft gemaakt, is de rechtbank is van oordeel dat het ingevolge de hoofdregel van art. 177 WvBRv aan [eiseres] is om te bewijzen dat [gedaagde nummer 2] een kunstfout heeft gemaakt. Zij heeft echter zowel in de dagvaarding als bij conclusie van dupliek gesteld, dat niet meer valt te achterhalen of de rechter clip verkeerd is geplaatst. In dat licht bezien zal de rechtbank het bewijsaanbod van [eiseres] als onvoldoende concreet van de hand wijzen.

6.9 Nu aldus niet kan komen vast te staan, dat het mislukken van de sterilisatie aan een fout van [gedaagde nummer 2] valt te wijten, kan ook de subsidiaire grondslag van de vordering niet leiden tot toewijzing van de vordering.

7. Op grond van voorgaande overwegingen komt de rechtbank tot het oordeel, dat de vordering van [eiseres] dient te worden afgewezen, en dat [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn vordering;

wijst de vordering van [eiseres] af;

veroordeelt [eisers] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van het Ziekenhuis en [gedaagde nummer 2] begroot op ƒ 2.120,= (eenentwintighonderdentwintig gulden);

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. van der Hulst, E.T.M. Schoevaars en F. Koster en in het openbaar uitgesproken op woensdag 6 juni 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.