Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2001:AB2326

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
27-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
61478/ HA ZA 00-1247
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK

TE ZWOLLE

Meervoudige civiele kamer

Zaaknr/rolnr: 61478/ HAZA 00-1247

Uitspraak: 27 juni 2001

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [opposante]

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats],

opposante,

procureur mr. J.P. van Dijk,

en

de maatschap [geopposeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats 1], [vestigingsplaats 2] en [vestigingsplaats 3],

geopposeerde,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te Den Haag;

procureur: mr. J.A. van Wijmen.

Partijen worden hierna aangeduid als [opposante] en [geopposeerde].

PROCESGANG

Bij verstekvonnis van deze rechtbank van 27 september 2000 is [opposante] op vordering van [geopposeerde] uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geopposeerde] te betalen een bedrag van f 45.557,21, vermeerderd met de wettelijke rente over f 43.357,21 vanaf 27 februari 1998 tot de dag van betaling, en met de wettelijke rente over f 2.200,= vanaf 3 juli 2000 tot de dag van betaling, zulks met veroordeling van [opposante] in de kosten van het verstek en onder afwijzing van het meer door [geopposeerde] gevorderde.

De zaak is bij op 6 november 2000 uitgebrachte verzetdagvaarding aanhangig gemaakt. Partijen zijn verschenen, waarna de volgende processtukken zijn gewisseld:

- een conclusie van eis in oppositie van de zijde van [opposante];

- een conclusie van antwoord in oppositie van de zijde van [geopposeerde];

- een conclusie van repliek in oppositie van de zijde van [opposante].

Ten slotte is door partijen op het griffiedossier vonnis gevraagd.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

De vordering van [opposante] strekt ertoe dat de rechtbank bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

[opposante] zal verklaren tot goed opposante in haar verzet tegen het vonnis d.d. 27 september 2000 zoals door de arrondissementsrechtbank te Zwolle onder kenmerk 59188/ HAZA 00-921 tussen [opposante] en [geopposeerde] gewezen en in verband daarmede het bovengenoemde vonnis zal vernietigen;

[opposante] zal ontheffen van de in dit genoemde vonnis tegen haar uitgesproken veroordeling en de gevolgen daarvan en primair de dagvaarding nietig zal verklaren, subsidiair [geopposeerde] in haar vorderingen niet ontvankelijk zal verklaren, althans deze vorderingen aan haar zal ontzeggen, een en ander met veroordeling van [geopposeerde] in de kosten van de procedure.

Daartegen is door [geopposeerde] verweer gevoerd met conclusie het verzet van [opposante] ongegrond te verklaren en het verstekvonnis d.d. 27 september 2000 te bekrachtigen, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van gronden, één en ander met veroordeling van [opposante] in de kosten van het verzet.

MOTIVERING

1. vaststaande feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist -mede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van de overgelegde bewijsstukken- het volgende vast.

1.1. [advocaat mr. Y], in 1994 lid van de maatschap [geopposeerde], heeft in de periode van mei tot juli 1994 door tussenkomst van de Zwolse [advocaat mr. X] [opposante] bijgestaan in het voeren van een kort gedingprocedure voor de president van de rechtbank te Den Haag.

1.2. Op 25 oktober 1994 is terzake de verrichte werkzaamheden in voornoemde kort gedingprocedure door [geopposeerde] een declaratie gestuurd naar [advocaat mr. X], welke - na inspanningen van zijn kant - met 20% is gematigd.

1.3. De declaratie, welke eerst op naam van [advocaat mr. X] was gesteld, is op verzoek van laatstgenoemde op naam van [opposante] gezet.

1.4. De declaratie van ƒ 43.357,21 is onbetaald gebleven. [geopposeerde] heeft bij schrijven d.d. 27 januari 1998 [opposante] gesommeerd alsnog over te gaan tot betaling van dit bedrag binnen 30 dagen.

1.5. Bij schrijven van 12 augustus 1998 heeft [geopposeerde] de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zwolle verzocht de declaratie te begroten. Nadat deze zich onbevoegd heeft geacht dit verzoek te behandelen is de Raad van Toezicht voor de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden verzocht de begroting vast te stellen. Deze heeft zich bij beslissing van 16 september 1999 niet bevoegd geacht de onderhavige declaratie te begroten.

De Raad heeft aangegeven dat hij, indien hij bevoegd geweest zou zijn, de declaratie zou hebben begroot op ƒ 43.357,21, nu hij dit bedrag, gelet op het belang van de zaak, de spoedeisendheid en de specialistische aard, niet onredelijk acht.

2. standpunten van partijen

standpunt [opposante]

2.1. [opposante] stelt dat de oorspronkelijke dagvaarding voor de zitting van 3 juli 2000, op grond waarvan het verstekvonnis is uitgesproken, nietig verklaard dient te worden, nu deze lijdt aan een betekeningsgebrek. Enerzijds is de dagvaarding niet betekend aan de juiste bestuurder van de vennootschap en anderzijds is er betekend op een onjuist adres. Door een fout bij de Kamer van Koophandel is de bestuurswisseling niet tijdig veranderd, zodat dit onjuist in het Handelsregister was opgenomen. [geopposeerde] had voorafgaand aan de betekening echter wel van de adreswijziging op de hoogte kunnen zijn, omdat het nieuwe adres op het briefpapier van [opposante] was vermeld.

2.2. [geopposeerde] is niet ontvankelijk in haar vordering, nu de procedure op grond van de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken had dienen te worden gevolgd. Dagvaarding bij de gewone rechter kan alleen indien de hoogte van de vordering niet wordt betwist en desondanks betaling uitblijft. [opposante] heeft echter ook bezwaar tegen de omvang van de vordering. De Haagse Raad van Toezicht is niet bevoegd omdat [opposante] geen cliënte was bij [advocaat mr. Y].

2.3. [opposante] heeft geen opdracht aan [geopposeerde] verstrekt tot het verrichten van juridische werkzaamheden en is dus niets verschuldigd. [opposante] had mr. Schuldink benaderd, die al eerder voor [opposante] had geprocedeerd. [advocaat mr. X] heeft toen [geopposeerde] ingeschakeld en - zonder [opposante] daarover in kennis te stellen - een veel ruimere opdracht verstrekt dan [opposante] kon vermoeden. [opposante] ging ervan uit dat de contacten met [geopposeerde] betrekking hadden op de gebruikelijke procureursstelling. Zij werd hierover nauwelijks geïnformeerd. Er is geen sprake geweest van doorverwijzing naar [geopposeerde] door [advocaat mr. X]. De brief van 3 augustus 1994 die [opposante] heeft geschreven is een brief achteraf, waaruit blijkt dat er kennelijk niet goed is gecommuniceerd en niet is gewaarschuwd voor de hoge kosten.

2.4. De declaratie is voor het voeren van een kort geding exorbitant hoog en matig gespecificeerd. Bovendien stelt [geopposeerde] dat er een specialist was ingeschakeld, die derhalve beduidend minder uren zou moeten hebben gemaakt. [opposante] bestrijdt dat er ingewikkelde Europeesrechtelijke problematiek aan de orde was. [geopposeerde] had [advocaat mr. X] moeten informeren over deze kosten zodat hij zich daarover kon beraden en [opposante] had kunnen informeren. [advocaat mr. X] had aangegeven dat de kosten tussen de ƒ 4.000 en ƒ 10.000,-- zouden liggen.

2.5. De vordering is sinds 25 oktober 1999 verjaard, omdat er vanaf het moment van opeisbaarheid, te weten 25 oktober 1994, 5 jaren verstreken zijn zonder dat stuiting heeft plaatsgevonden. Immers, onderhandelingen stuiten de verjaring niet en er is geen schriftelijke aanmaning of mededeling gedaan aan [opposante] waarin [geopposeerde] ondubbelzinnig zijn recht op nakoming heeft voorbehouden.

2.6. Voor vergoeding van kosten buiten rechte is geen plaats, nu er nauwelijks bescheiden daartoe zijn ontvangen en ook de vordering op dit punt onvoldoende is geconcretiseerd.

standpunt [geopposeerde]

2.7. De inleidende dagvaarding is geldig betekend: deze is op 3 juli 2000 betekend aan het adres van bestuurder [de heer A], die volgens een uittreksel van de "Kamer van Koophandel Online" op 6 juni 2000 nog geregistreerd stond als directeur. Op 13 oktober 2000 was dit nog steeds het geval. De betekening van het verstekvonnis heeft op 3 november 2000 plaatsgevonden, waarbij [de heer A] een uittreksel van het handelsregister d.d. 2 november 2000 toonde waarop stond dat [mevrouw B] bestuurder was, waarna de deurwaarder de tenaamstelling op het exploot heeft aangepast en betekening aan haar heeft plaatsgevonden.

[geopposeerde] mocht bij de inleidende dagvaarding afgaan op de gegevens van het handelsregister ook al zouden die onjuist of niet volledig zijn geweest. Bovendien is het adres van de vorige en de huidige bestuurder identiek en was [opposante] op de hoogte van de aan te spannen procedure door een brief en de conceptdagvaarding.

2.8. [geopposeerde] is wel ontvankelijk in haar vordering. Ingeval er tegen een declaratie bezwaren bestaan vanwege de hoogte ervan is de Raad van Toezicht bevoegd op grond van de regeling in de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ); voor andersoortige bezwaren, zoals het onderhavige geval waarin onder meer de opdrachtverlening wordt betwist, is de gewone rechter bevoegd. Op praktische gronden heeft [geopposeerde] eerst de declaratie laten begroten bij de Raad en zich daarna tot de rechtbank gewend voor het andersoortige geschil, nl. het beweerdelijke ontbreken van de opdracht.

2.9. De verjaring is gestuit doordat er sedert 27 januari 1998 correspondentie is gevoerd over de vordering, die beschouwd moet worden als een stuiting door aanmaning of mededeling als bedoeld in art. 3:317 BW.

2.10. Er is, zo blijkt uit de brief van [opposante] d.d. 3 augustus 1994 en de brief van 11 augustus 1994, ondubbelzinnig een opdracht verstrekt. Van de eerste brief heeft [advocaat mr. X] een kopie ontvangen.

2.11. Het aantal aan de zaak bestede uren is wel verantwoord en ook gespecificeerd. [advocaat mr. X] heeft schriftelijk ontkend een indicatie van de kosten aan [opposante] te hebben gegeven.

2.12. Wat betreft de buitengerechtelijke kosten kan [geopposeerde] zich verenigen met de door de rechtbank reeds bepaalde forfaitaire vaststelling.

3. beoordeling van het geschil

geldige dagvaarding

3.1. De rechtbank stelt voorop dat naar haar oordeel de oorspronkelijke, door [geopposeerde] aan [opposante] uitgebrachte dagvaarding d.d. 3 juli 2000 geldig is betekend. Deze is op de voet van artikel 4 sub 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betekend aan [de heer A], welke op het moment van betekening in het handelsregister als bestuurder van [opposante] was ingeschreven op het adres waaraan de betekening heeft plaatsgevonden. [geopposeerde] kan niet worden tegengeworpen dat er sprake van een bestuurswisseling en een adreswijziging is geweest, welke niet in het Handelsregister waren verwerkt, ook al zou zulks op een fout van de betrokken kamer van koophandel berust hebben. [geopposeerde] mocht op de vermelding in het handelsregister vertrouwen, zulks gelet op de ingevolge de Handelsregisterwet geldende derdenbescherming ter zake onjuiste vermeldingen. Dat op het briefpapier van [opposante] de adreswijziging (overigens niet de bestuurswisseling) reeds was verwerkt, doet daaraan niet af.

Overigens, ook in het geval [geopposeerde] niet op de inschrijving in het handelsregister had mogen vertrouwen, zou, nu [opposante] in verzet is gekomen, op grond van art. 94, eerste lid Rv. de exceptie van nietigheid verworpen zijn, omdat [opposante] in haar verdediging niet is geschaad. Ook zouden er geen wettelijke termen aanwezig zijn geweest om ingevolge het tweede lid van voormelde wetsbepaling een herstel van enig gebrek te bevelen.

Immers, [opposante] heeft niet, althans onvoldoende weersproken dat zij door voorafgaande toezending van de conceptdagvaarding op de hoogte was van de aan te spannen procedure, terwijl de dagvaarding feitelijk is uitgebracht aan de echtgenoot van de huidige bestuurster van [opposante] en aan het adres alwaar die bestuurster woonachtig is, hetgeen volstrekt onaannemelijk doet zijn dat [opposante] niet van de dagvaarding op de hoogte zou zijn geweest.

Bevoegdheid van de gewone burgerlijke rechter

3.2. Ten aanzien van de vraag of de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de vordering van [geopposeerde] overweegt zij het volgende. Daarbij tekent de rechtbank aan dat, anders dan [opposante] als verweer heeft gevoerd, krachtens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad het hier niet betreft een kwestie van ontvankelijkheid maar van de bevoegdheid van de gewone burgerlijke rechter.

Voor zover een geschil betreft de hoogte van het honorarium van een advocaat ter zake van ten behoeve van zijn client verrichte bemoeiingen heeft de wetgever van 1843 in de art. 32-40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) een bijzondere rechtsgang voorzien, te weten begroting door de raad van toezicht, zonodig nadere begroting door de in art. 33 WTBZ aangewezen rechter, eventueel gevolgd door een procedure in verzet ingesteld door degene te wiens laste een bevelschrift als bedoeld in art. 39 WTBZ is gegeven en welke procedure ingevolge het tweede lid van art. 40 (WTBZ) als "een summiere zaak" wordt afgedaan, hetgeen sinds de wetswijziging van 1896 bij de Lex Hartogh met zich meebrengt dat de procesregels van de gewone civiele procedure in eerste aanleg op dat geding van toepassing zijn.

Deze regeling stoelt op het inzicht van de wetgever van 1843 dat de raden van toezicht bij uitstek deskundig zijn om te begroten wat advocaten "naar mate van het belang en de moeilijkheid der zaken, mitsgaders van den tijd, welke daaraan besteed heeft moeten worden" toekomt aan honorarium, alsook de wens om procederen omtrent de hoogte van het honorarium zoveel mogelijk te beperken.

Voormelde bijzondere wettelijke regeling heeft in de rechtspraktijk tot vele praktische uitvoeringsproblemen aanleiding gegeven, mede veroorzaakt door het gegeven dat het voor de advocaat niet altijd duidelijk is op welke gronden zijn cliënt weigert het gedeclareerde honorarium te voldoen. Uit de aan de Hoge Raad in het verleden ter beslissing voorgelegde geschillen dient te worden opgemaakt dat het zijn oordeel is dat, in geval een geschil de hoogte van de declaratie betreft, de gewone burgerlijke rechter onbevoegd is daarvan kennis te nemen en de advocaat de bijzondere rechtsgang van art. 32-40 WTBZ dient te volgen en dat als het geschil niet is gelegen in de hoogte van de declaratie de advocaat zulks ter beslechting aan de gewone burgerlijke rechter dient voor te leggen.

Ook het onderhavige geval betreft een geschil tussen een advocaat en zijn (veronderstelde) cliënte over de betaling van het door die advocaat berekende honorarium. Het was echter [geopposeerde], de maatschap van de behandelend advocaat, vooraf bekend dat haar cliënte, [opposante], niet alleen de hoogte van dat honorarium betwist, maar ook de verschuldigdheid daarvan op andere gronden (waaronder ontkenning van opdrachtverlening, niet voldoen aan een waarschuwingsverplichting terzake de oplopende hoogte van het honorarium alsook een beroep op verjaring van de desbetreffende vordering van de advocaat).

In verband met opgemelde jurisprudentie heeft [geopposeerde] het opportuun geacht zich eerst tot de Raad van Toezicht voor de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad te wenden om de declaratie op grond van art. 32 WTBZ te doen begroten. Voormelde raad van toezicht heeft zich echter in het dictum van de door hem gegeven beslissing onbevoegd verklaard, omdat gezien het door [opposante] aldaar gevoerde verweer het geschil niet alleen over de hoogte van de declaratie ging, maar door [opposante] ook de verschuldigdheid daarvan op andere gronden werd betwist. De raad overwoog daarbij dat, indien hij bevoegd zou zijn geweest, de raad de ter begroting voorgelegde declaratie zou hebben begroot op het door [geopposeerde] aan [opposante] (na matiging) gedeclareerde bedrag ad

f 43.357,21.

Vervolgens heeft [geopposeerde] -begrijpelijkerwijs ervan uitgaande dat door de onbevoegdverklaring van de raad van toezicht de verdere rechtsgang van art. 33 WTBZ voor haar was uitgesloten- zich in onderhavige procedure tot de gewone burgerlijke rechter gewend en betaling van haar declaratie gevorderd, waarbij gezien het verweer van [opposante] thans wederom èn de hoogte van de declaratie èn de verschuldigdheid op andere gronden ter beslechting aan de rechtbank voorligt.

In ieder geval is de rechtbank als gewone burgerlijke rechter bevoegd om te beslissen op de haar voorgelegde geschilpunten welke de verschuldigdheid van de declaratie op andere gronden dan haar hoogte betreffen. Voor zover [opposante] gezien haar verweer een ander standpunt inneemt, dient dat verweer met inachtneming van het hiervoor overwogene als niet gegrond op de wet te worden verworpen.

De rechtsvraag is echter of de rechtbank in het onderhavige geval, indien zij de andere verweren van [opposante] verwerpt, zich vervolgens onbevoegd moet achten om de hoogte van de declaratie te beoordelen al dan niet onder het uitspreken van een verklaring voor recht dat [opposante] gehouden is aan [geopposeerde] dat salaris te betalen dat zal dienen te worden worden vastgesteld op de wijze als is voorzien in de art.32-40 WTBZ, welke vordering de rechtbank -ook al is zij niet letterlijk door [geopposeerde] aldus verwoord- begrepen acht in de stellingen van [geopposeerde], hetgeen voor [opposante] kenbaar was en door welke vaststelling [opposante] ook niet in haar verdediging wordt geschaad.

Gezien het thans reeds kenbare verweer van [opposante] zou zulks met zich meebrengen dat, afhankelijk van de vraag of beslissing van de raad van toezicht aldus begrepen moet worden ook een definitieve begroting te bevatten, [geopposeerde] wederom zich eerst tot de Raad van Toezicht voor de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad moet wenden, om vervolgens zich ter nadere vaststelling van die declaratie ingevolge art. 33 WTBZ te wenden tot de president van de rechtbank te 's-Gravenhage, waarna [opposante] haar verzet ingevolge art. 40 WTBZ zal dienen in te stellen bij de rechtbank te 's-Gravenhage.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever van 1843 zich gerealiseerd heeft dat een geschil over de verschuldigdheid van een declaratie tegelijkertijd haar oorzaak kan vinden in de hoogte daarvan als ook in andere gronden en dat daarvan dan het gevolg zou moeten zijn dat ingevolge de bijzondere in de WTBZ voorziene regeling de advocaat, die een veroordeling tot betaling van het aan hem verschuldigde honorarium wil verkrijgen, daartoe twee verschillende rechtsgedingen dient in te stellen, welke uiteindelijk in zaken als de onderhavige ook nog eens door twee verschillende relatief bevoegde rechters beslecht zouden moeten worden.

Gezien de aan voormelde wetgeving door de wetgever mede ten grondslag gelegde wens om procederen omtrent de hoogte van het honorarium verschuldigd aan een advocaat zoveel mogelijk te bepreken, kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat in het geval de verschuldigdheid van het honorarium door de cliënt niet alleen voor wat betreft de hoogte, maar ook op andere gronden wordt betwist, meerdere rechtsgedingen door de advocaat dienen te worden ingesteld. Geconcludeerd dient dan ook te worden dat in een dergelijk geval de bijzondere procedure van de art. 32-40 WTBZ niet van toepassing is en het geschil terzake het honorarium in zijn geheel door de gewone burgerlijke rechter beslecht dient te worden.

Dat daardoor aan een ander doel van deze bijzondere wetgeving (te weten gebruik maken van de bijzondere deskundigheid van de raden van toezicht) niet kan worden tegemoet gekomen, doet daaraan niet af. Overigens zulks is ook niet onoverkomelijk. Immers, wat er ook zij van het inzicht van de gewone rechter anno 1843, van de rechter anno 2001 -die veelal geroepen wordt declaraties van andere gespecialiseerde beroepsgroepen in rechte te beoordelen- mag verwacht worden dat hij/zij voldoende inzicht heeft, en zonodig door het gelasten van een deskundigenbericht (waarbij als deskundige een lid van de meest betrokken raad van toezicht benoemd zou kunnen worden) kan bekomen, om een adequaat oordeel te vellen over de redelijkheid van het door een advocaat berekende honorarium, ook voor wat betreft aspecten als aangegeven in art. 30 WTBZ.

De rechtbank heeft nog overwogen of ook aan deze laatste doelstelling van de WTBZ zou kunnen worden tegemoet gekomen, door de wet aldus te interpreteren dat zij zich voor wat betreft de hoogte van het honorarium als gewone burgerlijke rechter onbevoegd zou dienen te verklaren en vervolgens de zaak met toepassing van art. 157a Rv naar zichzelf als verzetrechter in de zin van art. 40 WTBZ zou moeten verwijzen en de zaak alsdan af te doen. Daarbij zou verwijzing mogelijk geacht moeten worden door te oordelen dat, nu op het geding inzake art. 40 WTBZ dezelfde procesregels van toepassing zijn als bij de gewone, civiele rechter, dat dan ook met zich meebrengt dat de rechter ex art. 40 WTBZ een "andere gewone rechter" is als bedoeld in art. 157a Rv., terwijl voorts de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank alsdan gegeven is, omdat de exceptie van relatieve bevoegdheid door [opposante] niet is opgeworpen.

Echter, alleen al het feit dat de rechtsgang van de art. 32-40 WTBZ veronderstelt dat, voordat de rechter ex art. 40 WTBZ tot oordelen geroepen wordt, eerst een beslissing door de desbetreffende raad van toezicht wordt gegeven en vervolgens een beslissing door de rechter van art. 33 WTBZ, staat, gezien het mede door de WTBZ beoogde doel om het procederen terzake te beperken, aan een dergelijke wetsinterpretatie in de weg, zulks nog afgezien van de nog verder complicerende factor dat bij opwerping van de exceptie van relatieve onbevoegdheid toch weer een ander relatief bevoegde rechter geadiëerd zou moeten worden.

Het vorenoverwogene brengt met zich mee dat de rechtbank zich bevoegd acht het geschil terzake de declaratie van [geopposeerde] in haar volle omvang te beoordelen.

Verjaring, opdrachtverlening en andere verweren niet betreffende de hoogte van de declaratie

3.3. [opposante] verweer dat de vordering van [geopposeerde] reeds op 25 oktober 1999 verjaard is, nu er, nadat de vordering op 25 oktober 1994 opeisbaar is geworden, geen stuiting heeft plaatsgevonden, dient als feitelijk ongegrond te worden verworpen. De verjaring van de op 25 oktober 1994 opeisbaar geworden declaratie is wel degelijk gestuit op de wijze als voorzien in art. 3:317, eerste lid BW en wel (onder meer) bij schrijven van [geopposeerde] van 27 januari 1998 aan [opposante] waarin zij gesommeerd is om tot betaling van het gedeclareerde bedrag binnen 30 dagen over te gaan.

3.4. Ter adstructie van haar stelling dat [opposante] [geopposeerde] opdracht had gegeven haar in het kort geding voor de rechtbank in Den Haag bij te staan, heeft [geopposeerde] onder meer een schrijven van 3 augustus 1994 van [opposante] aan [geopposeerde] overgelegd. Het bestaan van dit schrijven heeft [opposante] aanvankelijk ontkend, maar bij conclusie van repliek heeft zij hieromtrent naar voren gebracht dat het "een brief achteraf betreft".

Uit bedoelde brief blijkt het ongenoegen van [opposante] over de kosten die [geopposeerde] voor het voeren van een kort geding in rekening heeft gebracht. Verder schrijft [opposante] in deze brief (voor zover van belang): "in overleg met advocatenkantoor [Z en X] is voor uw kantoor gekozen".

Voorts is door [geopposeerde] overgelegd een brief d.d. 17 september 1998 van [advocaat mr. X] aan [geopposeerde], waarin hij het contact beschrijft dat er is geweest in verband met het doorverwijzen van [opposante] naar [geopposeerde]. Blijkens deze brief heeft [advocaat mr. X] [geopposeerde] verzocht of zij [opposante] in het kort geding kon bijstaan.

Nu [opposante] de brief van 3 augustus 1994 niet langer betwist, en uit de letterlijke tekst blijkt dat [opposante] heeft gekozen voor [geopposeerde] om haar in het kort geding te vertegenwoordigen, hetgeen niet anders kan worden uitgelegd dan dat zij volgens deze brief daartoe opdracht heeft verstrekt, en overigens de brief van [advocaat mr. X] aan [geopposeerde] door [opposante] eveneens onbetwist is gelaten, en [opposante] evenmin betwist heeft dat [geopposeerde] intensieve contacten met haar heeft gehad bestaande uit telefoongesprekken en besprekingen over het kort geding, is de rechtbank van oordeel dat [opposante] haar verweer onvoldoende met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd, zodat daaraan voorbij gegaan dient te worden. In rechte dient er dan ook vanuit gegaan te worden dat er sprake is van een opdrachtverlening door [opposante] aan [geopposeerde] , en in ieder geval dat [geopposeerde] door toedoen van [opposante] er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [advocaat mr. X] namens [opposante] bevoegdelijk [geopposeerde] verzocht heeft voormelde procedure in kort geding te voeren. [opposante] heeft dan ook jegens [geopposeerde] in te staan voor betaling van het aan het voeren van voormeld kort geding verbonden honorarium van [geopposeerde].

Voorts zijn door [opposante] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat op [geopposeerde] een rechtsplicht rustte om [opposante] of [advocaat mr. X] te waarschuwen voor het oplopen van de hoogte van het door [opposante] verschuldigde honorarium. Immers, niet gesteld noch gebleken is dat [geopposeerde] zich vooraf jegens [opposante] of [advocaat mr. X] heeft uitgelaten over de mogelijk aan het voeren van het kort geding voor [opposante] verbonden kosten of dat zij op de hoogte was van het mogelijke feit (hetgeen overigens wordt betwist) dat [advocaat mr. X] tegen [opposante] zou hebben gezegd dat de kosten van het kort geding een bedrag van ƒ 10.000,-- niet te boven zouden gaan. Onder die omstandigheden kan niet gezegd worden dat er op [geopposeerde] een dergelijke rechtsplicht rustte, zodat zij die ook niet verzaakt kan hebben. Andere ter zake van belang zijnde omstandigheden zijn door [opposante] niet aangevoerd, noch gebleken.

De hoogte van de declaratie

3.5. Het bezwaar van [opposante] tegen de hoogte van het gedeclareerde bedrag betreft niet het door [geopposeerde] gehanteerde uurtarief ad f 403,46 voor zover gegrond op specialistische bijstand; wel meent zij dat niet alle aan de procedure bestede uren als spoedeisend kunnen worden aangemerkt. Kennelijk is [opposante] van oordeel dat voor zover het betreft die uren een lager tarief berekend had moeten worden.

Daaromtrent is de rechtbank van oordeel dat het door [geopposeerde] berekende (gemiddelde) uurtarief, mede gezien de aard van de procedure en de specialistische kennis van [advocaat mr. Y], alleszins redelijk is te noemen, zelf indien een deel van de door hem bestede tijd niet als spoedeisend gekenmerkt zou moeten worden, zodat dit verweer van [opposante] verworpen wordt.

3.6. Voorts betwist [opposante] het aantal door [geopposeerde] gedeclareerde uren.

Zij stelt allereerst dat [geopposeerde] geen studie-uren van [advocaat mr. Y] aan haar in rekening had mogen brengen, omdat van een specialist de noodzakelijke kennis mag worden verondersteld.

Deze in zijn algemeenheid door [opposante] geponeerde stelling, zowel wat betreft het onderdeel dat studie-uren niet in rekening gebracht zouden mogen worden als het onderdeel dat van een specialist redelijkerwijs verwacht mag worden dat hij zonder studie een zaak zou kunnen behandelen, vindt geen steun in het recht (noch in de realiteit) en dient derhalve te worden afgewezen. Overigens, de volgens de overgelegde specificatie door [advocaat mr. Y] aan studie gedeclareerde tijd komt de rechtbank zeer bescheiden voor.

3.7 Voorts is [opposante] in dit kader van oordeel dat [geopposeerde] de door [advocaat mr. Y] aan de zaak bestede tijd onvoldoende heeft gespecificeerd en dat zij zo onvoldoende inzicht heeft verkregen met name in het aantal door [advocaat mr. Y] gevoerde telefoongesprekken en aan post bestede tijd.

Anders dan [opposante] en met [geopposeerde] is de rechtbank van oordeel dat de door [geopposeerde] overgelegde -en indertijd bij brief van 15 juli 1994 aan [opposante] toegezonden- specificatie in voldoende mate inzicht geeft in de door [advocaat mr. Y] voor [opposante] verrichte werkzaamheden en de daaraan bestede tijd. Daarbij merkt de rechtbank op dat de lezing van [opposante] van die specificatie, als zou [advocaat mr. Y] op enkele dagen tussen de 34 à 55 brieven en telefoongesprekken per dag hebben behandeld, kennelijk op de misvatting van [opposante] is gebaseerd dat een dergelijk aantal is te berekenen door de die dag aan die posten bestede tijd te delen door 10 minuten.

3.8. Verder begrijpt de rechtbank het verweer van [opposante] aldus dat zij van oordeel is dat het totaal aantal door [advocaat mr. Y] aan de zaak bestede uren (86,75 uur), gezien haar aard, onverantwoord is en als bovenmatig moet worden aangemerkt. Daarbij onderbouwt zij dit verweer vooral met algemeenheden als dat de met een kort geding in het algemeen gemoeide tijd 5 à 15 uren bedraagt en dat een specialist voor het opstellen van een dagvaarding hoogstens 1,5 uur nodig zou hebben, zodat de door [advocaat mr. Y] aan de dagvaarding bestede 13,6 uur bovenmatig zouden zijn. Tenslotte stelt zij dat de Europeesrechtelijke problematiek niet ingewikkeld was.

[geopposeerde] stelt daar onder meer tegenover dat in casu de werkzaamheden voor een groot deel spoedeisend en omvangrijk zijn geweest en dat vooral ook de contacten met [opposante] zelf intensief waren. De problematiek was Europeesrechtelijk en ingewikkeld. Ze verwijst terzake ook naar het oordeel van de Raad van Toezicht, die zich over onderhavige declaratie heeft uitgelaten.

Blijkens de overgelegde produkties heeft er uitvoerig overleg tussen [opposante] (deels via haar Zwolse raadsman, [advocaat mr. X]) en [geopposeerde] over de hoogte van de declaratie plaats gevonden.

Daarnaast is er (naast een eerdere procedure bij de Zwolse raad van toezicht) een uitvoerige procedure bij de Raad van Toezicht voor de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad gevoerd, waarbij partijen over en weer hun standpunten hebben weergegeven en welke procedure niet alleen heeft geleid tot voormeld oordeel van de raad terzake zijn onbevoegdheid, maar ook het in de overwegingen opgenomen oordeel dat de declaratie gelet op het belang, de spoedeisendheid en de (specialistische) aard daarvan, mede gelet op de door [geopposeerde] zelf al toegepaste matiging, niet onredelijk is en door de raad begroot zou zijn op het gedeclareerde bedrag ad f 43.357,21.

In het licht van een dergelijk oordeel van voormelde raad van toezicht, welke toch door een bij uitstek deskundig college is gegeven, en het feit dat [opposante] nu al jarenlang door correspondentie en het voeren van voormelde procedure bij de raad van toezicht zich een beeld heeft kunnen vormen van de door [advocaat mr. Y] voor haar verrichte werkzaamheden, kan [opposante] niet volstaan met voormelde algemene stellingen, nog afgezien van de (on)juistheid daarvan, en had van haar verwacht mogen worden dat zij haar verweer terzake specifiek met feiten en omstandigheden zou hebben onderbouwd.

Nu zij aan deze op haar rustende stelplicht niet heeft voldaan, zal haar verweer als onvoldoende onderbouwd gepasseerd worden.

Voor wat betreft de bestreden ingewikkeldheid van de zaak geldt dat het verweer van [opposante] tegenstrijdig is met het feit dat uit de stukken blijkt dat juist vanwege de bijzondere materie haar Zwolse advocaat, [advocaat mr. X], [opposante] heeft geadviseerd het kort geding niet door hem maar door een in het Europees recht gespecialiseerde advocaat te laten voeren. Ook voormelde raad van toezicht neemt in haar oordeel op dat de aard van de zaak als specialistisch gekenmerkt moet worden.

Onder deze omstandigheden kon [opposante] niet volstaan met de ingewikkeldheid van de zaak zonder voldoende, nadere onderbouwing te bestrijden, zodat zij ook in dit opzicht niet voldoende aan haar stelplicht heeft voldaan.

Tenslotte merkt de rechtbank op dat [opposante] niet heeft betwist dat [geopposeerde] met haar intensieve contacten over de zaak heeft gehad, bestaande uit telefoongesprekken en besprekingen.

Al met al is de rechtbank dan ook van oordeel dat het totaal aantal door [advocaat mr. Y] aan de zaak bestede uren (86,75 uur), gezien haar aard, niet onverantwoord is en niet als bovenmatig moet worden aangemerkt.

3.9. Gelet op het hiervoor overwogene dient geoordeeld te worden dat de door [geopposeerde] - na matiging - opgestelde declaratie gelet op de omstandigheden van het geval niet onredelijk is en dat zij derhalve terecht daarvan betaling door [opposante] vordert.

3.10 [opposante] stelt dat [geopposeerde] geen aanspraak kan maken op buitengerechtelijke incassokosten die de rechtbank - na matiging - bij voormeld verstekvonnis heeft vastgesteld op ƒ 2.200,-- nu daaraan geen concreet onderbouwde vordering ten grondslag ligt. De rechtbank is evenwel van oordeel dat, uit de door [geopposeerde] in het geding gebrachte producties voldoende blijkt van door [geopposeerde] verrichte inspanningen ter verkrijging van voldoening buiten rechte, en dat de daaraan verbonden redelijke kosten dienen te worden gesteld op het bij verstekvonnis van 27 september 2000 terzake toegewezen bedrag, overigens mede gezien het feit dat [geopposeerde] harerzijds heeft berust in de bij voormeld verstekvonnis reeds gegeven beslissing.

3.11 Uit het voorgaande volgt dat het verzet van [opposante] in zijn geheel ongegrond dient te worden verklaard. [opposante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in verzet.

BESLISSING

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bekrachtigt het tussen partijen gewezen verstekvonnis d.d. 27 september 2000.

[opposante] wordt veroordeeld in de kosten van dit geding in verzet. Deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van [geopposeerde] gevallen, bepaald op ƒ 1.100,--

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.H.S. Lebens-de Mug, M.B. Werkhoven en F. Spiering - van der Maden en in het openbaar uitgesproken op woensdag 27 juni 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.